Inhoudsopgave
Seminar 0164 Inleiding anatomische nomenclatuur. .............................................................................................. 2
Seminar 0169 Histologie van het zenuwweefsel. .................................................................................................... 5
Seminar 0648 Regelmechanismen. ....................................................................................................................... 13
Seminar 0649 Autonoom zenuwstelsel. ................................................................................................................ 19
Seminar 0643 Neuron, acFepotenFaal en transmissie. ........................................................................................ 29
Seminar 0639 SpiercontracFe. .............................................................................................................................. 37
Seminar 0650 Endocriene regelingen. .................................................................................................................. 48
Seminar 0651 Koolhydraatmetabolisme. .............................................................................................................. 57
Seminar 0653 Lichaamsvloeistoffen. ..................................................................................................................... 66
Seminar 0205 Hart en vaten.................................................................................................................................. 73
Seminar 2823 Hartritme........................................................................................................................................ 82
Seminar 2826 Pomp. ............................................................................................................................................. 86
Seminar 1935 Farmacologie. ................................................................................................................................. 90
Seminar 0657 Bloed. ............................................................................................................................................. 95
Seminar 0658 Anemie, stolling en oedeem. ......................................................................................................... 99
Seminar 0654/0655 VenFlaFe/RegulaFe venFlaFe. ........................................................................................... 103
Seminar 1938 Opdracht FTK. ............................................................................................................................... 110
,Seminar 0164 Inleiding anatomische nomenclatuur.
Nomenclatuur: naamgeving
We gebruiken anatomische nomenclatuur om de loca7e van structuren op een lichaam
nauwkeurig te beschrijven.
Anatomische houding: rechtop staan, armen langs het lichaam, handpalmen naar voren en
voeten tegen elkaar. Dit is de standaardhouding waarin structuren van het menselijk lichaam
worden beschreven. Wanneer je anatomische termen gebruikt, pas je deze al7jd toe op een
persoon in de anatomische houding.
Een lichaam dat ligt, wordt beschreven als prone of supine. Als het lichaam met het gezicht
naar beneden ligt wordt prone gebruikt, als het gezicht naar boven ligt gebruik je supine.
Anatomische termen:
- Wanneer we de termen links en rechts gebruiken, verwijzen we naar de linker- en
rechterzijde van de persoon die in anatomische houding staat. We verwijzen niet naar
links en rechts vanuit het standpunt van de waarnemer.
- Anterieur (ventraal) betekent de voorzijde van het lichaam, terwijl posterieur
(dorsaal) de achterzijde van het lichaam betekent.
- Superieur (craniaal) betekent boven of rich7ng het hoofd. Inferieur (caudaal)
betekent onder of rich7ng de voeten.
- De termen proximaal en distaal worden uitsluitend gebruikt om de posi7e van twee
punten op hetzelfde ledemaat (arm of been) te beschrijven.
Proximaal betekent dichter bij de romp. Voorbeeld: de knie ligt proximaal ten
opzichte van de enkel.
Distaal betekent verder verwijderd van de romp. Voorbeeld: de pols ligt distaal ten
opzichte van de elleboog. Gebruik proximaal en distaal alleen bij twee punten op
hetzelfde ledemaat!
- Mediaal betekent dichter bij de lichaamsmiddellijn. De middellijn is een denkbeeldige
ver7cale lijn die het lichaam in twee gelijke helMen verdeelt. Lateraal betekent verder
weg van de middellijn.
- Superficialis (oppervlakkig) beschrijM een posi7e dichter bij het oppervlak van het
lichaam. De huid ligt oppervlakkig ten opzichte van de boPen. Profundus (diep) is
verder van het oppervlak van het lichaam. De hersenen liggen profundus ten opzichte
van de schedel.
Deze anatomische termen zijn rich7ngstermen: ze beschrijven de posi7e van een uitwendige
structuur ten opzichte van een andere.
Om inwendige structuren te bestuderen, wordt het lichaam in plakjes gesneden, de
zogenaamde vlakken of doorsneden.
De vier anatomische vlakken:
- SagiPaal vlak: een lengte- of ver7cale doorsnede die het lichaam in een linker-
(sinister) en rechterdeel (dexter) verdeelt. Wanneer de doorsnede exact door de
middellijn loopt, spreken we van het midsagiPale vlak. Wanneer de doorsnede niet
precies door de middellijn loopt, heet dit een parasagiPaal vlak. Pijlnaad: sutura
sagiPalis.
, - Frontaal (coronaal) vlak: verdeelt het lichaam in een voorste (anterieure) en achterste
(posterieure) deel. Kroonnaad: sutura coronalis.
- Transversaal vlak: een horizontale doorsnede die het lichaam verdeelt in een
bovenste (superieure/craniaal) en onderste (inferieure/caudaal) helM.
- Obliek vlak: een doorsnede die het lichaam onder een schuine hoek doorkruist (elke
diagonale doorsnede).
Anatomie gaat over waar ons lichaam uit bestaat en hoe ons lichaam is vormgegeven. Dit
vormt de basis voor alle medische disciplines.
Niveaus: cel (microscopisch), weefsel (microscopisch), orgaan (macroscopisch),
orgaanstelsel/organisme (macroscopisch).
Caput = hoofd
Collum = hals
Thorax = borst
Abdomen = buik
Pelvis = bekken
Extremitas/membrum = ledemaat
Bovenkaak: maxilla
Onderkaak = mandibula
Caput mandibulea (kop), collum mandibulea (hals)
Slagader: arteria
Ader: vena
Zenuw: nervus
Spier: musculus
Bot: os/ossa
Vorm verloop of ligging van een structuur:
Cavitas = holte
Longus = lang Brevis = kort
Major = groot Minor = klein
Rectus = recht Obliquus = schuin
, In de posterieure (dorsale) holte herbergt de schedelholte de hersenen en de wervelholte
(wervelkanaal) omsluit het ruggenmerg.
De anterieure (ventrale) holte heeM twee hoofdsubdivisies: de borstholte en buik-
bekkenholte. De borstholte is de meer bovenste subdivisie en wordt omsloten door de
ribbenkast, het bevat de longen en het hart dat zich bevindt in het medias7num.
Het diafragma vormt de bodem van de borstholte en scheidt deze van de buik-bekkenholte.
De buik-bekkenholte is de grootste holte van het lichaam, hoewel erg geen membraan is dat
de buik-bekkenholte fysiek verdeelt is het nu^g om onderscheid te maken tussen de
buikholte (herbergt spijsverteringsorganen) en de bekkenholte (herbergt
voortplan7ngsorganen).