Vraag 1
1a. Zijn de genoemde entiteiten op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
belastingplichtig in Nederland, en zo ja wat is hun belastbare winst in 2023? (10 van de 10
punten)
M GmbH is alleen buitenlands belastingplichtig als ze Nederlandse inkomen genieten (art. 1
jo. 3 lid 1 sub a VPB). Ze genieten Nederlands inkomen, omdat ze een kantoorpand bezit in
Nederland die ze verhuren aan D BV (art. 17 lid 1 jo. lid 2 sub a jo. 17a sub a onder 1 VPB). Ze
zijn subjectief belastingplichtig omdat ze Nederlands inkomen genieten. Ze hebben een
verlies van 300.000 in Nederland dat in aanmerking mag worden genomen.
D BV is binnenlands belastingplichtig omdat ze een BV zijn die naar Nederlands recht is
opgericht art. 1 jo. 2 lid 1 sub a jo. lid 5 VPB). Ze worden geacht in Nederland te zijn
gevestigd. Ze zijn subjectief belastingplichtig. Ze worden belast over hun wereldwinst art. 7
lid 1 en 2 jo. 8 lid 1 VPB jo. 3.8 IB). D BV heeft een wereldwinst van 250.000. Dat wordt
belast.
KD Sarl is alleen buitenlands belastingplichtig als ze Nederlands inkomen genieten art. 1 jo. 3
lid 1 sub a VPB. Ze genieten geen Nederlands inkomen, omdat ze hier geen vaste inrichting
hebben art. 3 lid 4 VPB.
1b. Beschrijf de fiscale gevolgen van bovengenoemd feitenpatroon. (5 van de 5 punten)
D BV heeft een deelneming in KD Sarl (> 5% belang, namelijk 100%) artikel 13 lid 1 en 2
onderdeel a VPB.
In principe blijven winsten en verliezen op basis van de deelnemingsvrijstelling buiten heffing
bij D BV. Maar er geldt een uitzondering voor Liquidatieverliezen, die mogen wel van de
winst afgetrokken worden bij D BV (art 13d lid 1 VPB)
KD Karl is gevestigd in de EU (artikel 13d lid 2 onderdeel a sub 2 VPB)
Het in acht te nemen liquidatieverlies bedraagt: (artikel 13d lid 5 VPB
De liquidatie-uitkering bedraagt 0
Opgeofferd bedrag is 600k
Echter zijn de activiteiten voortgezet door een groepsvennootschap dus geldt artikel 13e lid
1 jo. art. 13d lid 14 VPB. Er wordt niet voldaan aan de eis dat de onderneming voortgezet
moet zijn door een ander dan de belastingplichtige of een verbonden lichaam. Het
liquidatieverlies mag dus niet in aanmerking genomen worden.
1c. Is A BV in 2023 en A Ltd in 2024 op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
belastingplichtig in Nederland, en zo ja wat is het object van heffing? (8 van de 8 punten)
A BV is naar Nederlands recht opgericht. Dan geldt er een vestigingsfictie. Dan wordt geacht
het lichaam in Nederland te zijn gevestigd art. 1 jo. 2 lid 1 sub a jo. lid 5 VPB. Dan maakt het
niet uit waar de feitelijke leiding zich bevindt.
Ook al wordt A BV omgezet naar een LTd. Het is nog steeds binnenlands belastingplichtig,
omdat ze naar Nederlands recht is opgericht. Het is niet zo dat als het naar Nederlands recht
is opgerciht en dan omzet naar een buitenlandse rechtsvorm, dat het da niet meer
binnenlands belastingplichtig is. A BV/A Ltd wordt belast over hun wereldwinst art. 7 lid 1 en
2 jo. 8 lid 1 VPB jo. 3.8 IB.
1
, Vraag 2
2a. Hoeveel rente kan ABC BV in 2023 ten laste van haar fiscale winst brengen? (15 van de
15 punten)
Alinea 1
Schuld aan moeder Z i.v.m. dividend uitkering. Moeder Z zit op Bermuda. Eerst kijk je naar
de rente, zakelijk zou zijn 4%. Dus er wordt te veel rente betaald. Deze dient eerst
gecorrigeerd te worden o.g.v. art. 8b VpB. De rente wordt dan niet 6% maar 4%. Vervolgens
pas je art. 10a Vpb toe. Want er wordt geld geleend van een verbonden lichaam, namelijk de
moeder op Bermuda. Houdt verband met een besmette rechtshandeling, namelijk art. 10a
lid 1 sub a VpB de winstuitdeling aan de dividend uitkering die verschuldigd blijft aan moeder
op Bermuda. Dus art. 10a VpB is van toepassing. Vervolgens de vraag of tegenbewijs
mogelijk is? Zakelijke schuld en rechtshandeling, zie art. 10a lid 3 VpB. In deze is gegeven in
de casus dat het enige doel was van die uitkering en het schuldig blijven daarvan was om de
rentelast te creëren om de winst te drukken. Dus het was louter fiscaal ingegeven, geen
zakelijke reden voor die rechtshandeling waardoor je er niet door komt. Art. 10a lid 3 is niet
van toepassing. Art. 10a Vpb hoofdregel telt wel: rente is niet aftrekbaar. We hebben
gecorrigeerd naar 4%, maar ook de 4% is niet aftrekbaar.
Alinea 2 Acquisitie
De looptijd is 8 jaar en de rente is 2% en de zakelijke rente zou 8% zijn. Alleen de rente is uit
Ireland dus van een kleindochter. Dus belanghebbende. Gaan we dan van 2% naar 8% toe?
In deze niet. O.g.v art. 8b zou dat moeten, maar dat doen we niet o.g.v. art. 8bb Vpb. Want:
we gaan niet verzakelijken, als het in het buitenland ook niet overbelast wordt. Bij deze is
gegeven dat in Ierland ook maar 2% belasting in de heffing wordt betrokken. Anders zou je
hier 8% aftrek hebben en in het buitenland, maar 2% belast. Dan corrigeren we niet. Dan
gaat 8b niet op door 8bb. Dan wordt weer gekeken naar 10a. Geld is geleend om een
acquisitie te doen. En dat geld was reeds al beschikbaar bij de uitlener, deze had zelf uit
andere activiteiten wat geld gegenereerd. Gekeken wordt naar 10a.
- Lening van een verbonden lichaam? Ja, want ABC heeft geleend van kleindochter lid
4 onder a.
- Schuld? Ja
- Besmette rechtshandeling? Ook aan de orde, want we hebben een acquisitie. Er
wordt een 100% belang aangekocht, art. 10a lid 1 ond. c.
- Tegenbewijs? Schuld en rechtshandeling zakelijk?
o Rechtshandeling? Externe acquisitie is doorgaans zakelijk
o Schuld? Er is geleend van de kleindochter. Is de schuld onzakelijk omgeleid? Is
dat geld via de Ierse kleindochter omgeleid om vervolgens uit te lenen? Niet
aan de orde, in de casus is gegeven dat Ierland het geld al had. Dus Ierland
had al geld en dat geld heeft ze simpelweg geleend om die acquisitie te doen.
Geen sprake van onzakelijke omleiding. De schuld is dus zakelijk.
- Voor deze lening is art. 10a niet van toepassing.
- Lening van 100 mio tegen 2% rente= €2 mio
2