Overzicht tentamenvragen met uitwerkingen (05-07-2025)
Casus 1 – Mw. Van der Steegen
Mw. Van der Steegen is onderdaan van Land A en fiscaal in Land A woonachtig. Van der Steegen wordt in Land
A als onbeperkt binnenlandse belastingplichtige in de A-landse inkomstenbelastingheffing betrokken. Van der
Steegen is sinds enige tijd werkzaam als project manager in de zonne-energiesector en verricht haar
werkzaamheden als werknemer, in fulltime dienstbetrekking, voor haar werkgever, SolarExperience Ltd, fiscaal
gevestigd in Land B. Land B is het buurland van Land A. Een Ltd is de B-landse variant van onze BV. Van der
Steegen ontvangt van haar werkgever SolarExperience voor haar werkzaamheden een jaarsalaris van EUR
100.000. Zij heeft met haar werkgever afgesproken twee dagen (40%) vanuit huis te werken en de rest van de
week te forenzen. Zij werkt op maandagen en vrijdagen thuis. De overige drie werkdagen (60%) verricht Van
der Steegen haar werkzaamheden op het hoofdkantoor van haar werkgever in de hoofdstad van Land B. In
Land B wordt Van der Steegen als beperkt buitenlandse belastingplichtige in de B-landse
inkomstenbelastingheffing betrokken. Tussen Land A en Land B geldt een belastingverdrag, Belastingverdrag
A-B, dat waar relevant gelijk is aan het OESO-Modelverdrag (2017). De inkomstenbelastingsystemen van Land
A en Land B zijn waar van belang en niet anders aangegeven gelijk aan het Nederlandse.
Laten we aannemen dat Land A en Land B lidstaten van de EU zijn. Mw. Van der Steegen woont in een woning
in Land A/EU-lidstaat A die zij in eigendom heeft. De aankoop van deze woning financierde zij met een
hypothecaire rentedragende geldlening bij de bank. De rentermijnen die Van der Steegen de bank verschuldigd
is, bedragen dit jaar in totaal EUR 20.000. Woonland A/EU-lidstaat A kent geen fiscale tegemoetkomingen voor
eigenwoningbezitters. In Woonland A komt Van der Steegen derhalve niet in aanmerking voor enige fiscale
tegemoetkoming. Bronland B/EU-lidstaat B kent wel een fiscale tegemoetkoming voor eigenwoningbezitters,
voor de lasten ter financiering van een eigen woning. Betaalde hypotheekrente kan naar B-lands nationaal
belastingrecht van het belastbare arbeidsinkomen worden afgetrokken, maar alleen indien betrokken
belastingplichtige haar fiscale woonplaats in Land B heeft. Zou mw. Van der Steegen haar fiscale woonplaats in
Land B/EU-lidstaat B hebben gehad, dan zou zij, onder overig gelijke omstandigheden, effectief 60% van haar
hypotheekrente, EUR 12.000 rente derhalve, ten laste van haar B-landse arbeidsinkomen, in casu EUR 60.000,
hebben kunnen brengen. Omdat Van der Steegen in Land A woont, komt zij naar B-lands nationaal
belastingrecht echter niet in aanmerking voor de B-landse hypotheekrenteaftrek. Mw. Van der Steegen kan haar
hypotheekrente dientengevolge niet in aftrek brengen in zowel EU-lidstaat A als EU-lidstaat B.
Naast haar dienstbetrekking als project manager investeert mw. Van der Steegen in aandelenbelangen in
opschalende innoverende bedrijven, zogenoemde Tech Scale-Ups. Zij houdt een aandelenbelang van 1,5% in
een kapitaalvennootschap, DigiDocSlash Corp, van waaruit een inmiddels succesvol techbedrijf wordt gedreven
dat actief is in de logistieke sector. DigiDocSlash Corp is fiscaal gevestigd in Land C. Een Corp is de C-landse
variant van onze BV. Land C maakt geen deel uit van de EU. Tussen Land A en Land C geldt een
belastingverdrag, Belastingverdrag A-C, dat waar relevant gelijk is aan het OESO-Modelverdrag (2017). Op
enig moment keert DigiDocSlash Corp een dividend aan Van der Steegen uit ter hoogte van EUR 50.000. Over
de dividenduitdeling dient in Land C dividendbelasting te worden ingehouden en afgedragen aan de C-landse
fiscus. Naar nationaal C-lands belastingrecht geldt een belastingtarief van 20%. Het C-landse staatsrecht is
voor zover hier relevant gelijk aan het Nederlandse. In Land A wordt Van der Steegen als binnenlandse
belastingplichtige in de A-landse inkomstenbelastingheffing betrokken. Dividendontvangsten worden in Land A
tegen 25% belast (hoofdregel). Omdat Van der Steegen in een innovatief bedrijf heeft geïnvesteerd en Land A
investeringen in innovatieve bedrijven in binnen- en buitenland via het belastingstelsel wil bevorderen, komt Van
der Steegen in aanmerking voor een gunstige fiscale regeling op basis waarvan haarzij dividendinkomen wordt
belast tegen een verlaagd belastingtarief van 10% (uitzondering). Ter voorkoming van internationaal juridische
dubbele belasting verleent Land A een belastingvermindering volgens de methode van de beperkte
belastingverrekening.
, Vragen en uitwerkingen – Casus 1
Vraag 1a (8.0p)
Hoe verloopt in de gegeven feiten en omstandigheden de verdeling van heffingsbevoegdheid
over het salaris van mw. Van der Steegen onder toepassing van het Belastingverdrag A-B?
Uit art. 1 OESO-modelverdrag (hierna: Omv) blijkt dat de bepalingen toepassing hebben op een inwoner
van één of beiden verdragssluitende staten. Dat is mw. van der Steegen in casu, want zij is onderdaan
van land A en woonachtig in land A. De verdragsbepalingen zijn dus op haar van toepassing. Gezien zij
hier woont, zal dit het woonland zijn o.b.v. art. 4 lid 1 Omv. Dit maakt Land B het werkland, gezien zij hier
werkzaam is. Land A is dus het woonland en land B het bronland.
Salaris valt onder art. 15 Omv. Lid 1 stelt dat het woonland in beginsel bevoegd is om hierover te heffen,
tenzij het beroep wordt uitgeoefend in de andere staat, het bronland. Dat is in casu het geval. Nu moet er
nog wel gekeken worden naar lid 2 van artikel 15 Omv. Art. 15 lid 2 Omv stelt dat het woonland toch wel
bevoegd is te heffen, mits de werknemer <183 dagen in het werkland aanwezig is, de vergoeding betaald
wordt door een werkgever die geen inwoner is van de andere staat, het bronland én de vergoeding niet
ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever in de andere staat, het bronland, heeft.
Uit de casus blijkt dat mw. Van der Stegen haar beloning (salaris) ontvangt direct van Solar Experience
Ltd., wie gevestigd is in land B, het bronland. Daarom wordt al aan het tweede vereiste niet voldaan.
Gezien dit cumulatieve vereisten zijn, zal de heffing dus niet bij het woonland liggen, maar bij het bronland.
Het bronland, land B, mag dus heffen over het deel van het inkomen van mw. Van der Stegen wat zij bij
Solar Experience Ltd. verdient.
Score: 7..0 punten
Vraag 1b (5.0p)
Indien ervan wordt uitgegaan dat het vrije verkeer van werknemers van toepassing is, is de
niet-toekenning van hypotheekrenteaftrek aan mw. Van der Steegen in EU-lidstaat A met de
EU-verdragsvrijheden verenigbaar?
Gezien er hier sprake is van een conflict met haar woonland, EU-lidstaat A, moet er gekeken worden of er
sprake is van discriminatie of een belemmering. Gezien er in land A geen fiscale tegemoetkoming voor de
gemaakte hypotheekkosten zijn, wordt zij niet anders behandeld dan andere (niet-)inwoners van
EU-lidstaat A. Er is geen sprake van discriminatie of een belemmering door EU-lidstaat A jegens mw. Van
der Stegen. De niet-toekenning van hypotheekrenteaftrek aan mw. Van der Steegen is dus verenigbaar
met de EU-verdragsvrijheden.
Score: 3..0 punten
Vraag 1c/1b (variant: EU-lidstaat B) (5.0-8.0p)
Indien ervan wordt uitgegaan dat het vrije verkeer van werknemers van toepassing is, is de
niet-toekenning van hypotheekrenteaftrek aan mw. Van der Steegen in EU-lidstaat B met de
EU-verdragsvrijheden verenigbaar? (eerdere pogingen, ter vergelijking)
Toetsingskader: 1. Toegang. 2. Belemmering/discriminatie. 3. Rechtvaardigingsgrond
(grondslagbescherming, bestrijding van misbruik, doeltreffendheid van fiscale controle). 4. Geschikt en
proportioneel.
Aangenomen kan worden dat er sprake is van toegang. Van der Steegen heeft geen recht op
hypotheekrenteaftrek die wel geldt in Land B, omdat zij geen inwoner is. Illustratief is de uitspraak
Renneberg: inwoners en niet-inwoners zijn in beginsel niet vergelijkbaar, maar dit kan anders zijn indien
de persoon (nagenoeg) geheel in de heffing wordt betrokken (vgl. ook Schumacker, punt 36: