H4: Kritisch nadenken en evidence-based (be)handelen
De klinische vraag als leidraad
EBP start bij: Het formuleren van een duidelijke klinische vraag
→ Welke evidentie relevant is, hangt af van wat de therapeut wil weten
→ Het is daarom essentieel om eerst te reflecteren over de vraag, voor literatuuronderzoek
Er zijn drie fundamentele klinische vragen geven hierbij houvast:
1) Werkt de therapie onder specifieke, experimentele condities?
2) Werkt ze ook in de reguliere behandelpraktijk?
3) Werkt ze voor deze cliënt?
Werkt de therapie onder specifieke, experimentele condities?
- Betreft de doeltreffendheid en effectiviteit.
- Wordt voornamelijk onderzocht met RCT’s: Leveren gemiddelde effecten op
groepsniveau, maar laten individuele variatie toe → resultaten niet één-op-één
kunnen vertalen naar cliënt
Werkt ze ook in de reguliere behandelpraktijk?
- De externe validiteit staat centraal.
- Observationeel, praktijkgericht en kwalitatieve onderzoeken belangrijk! → nagaan of
behandelingen ook effectief zijn in realistische omstandigheden
Werkt ze voor deze cliënt?
Therapie wordt opgevat als een N=1 experiment
Hypothesen uit de probleemanalyse worden getoetst tijdens de behandeling
Zelf verzamelde gegevens zijn waardevoller dan anekdotische informatie van collega’s
→ verschillende klinische vragen vereisen verschillende onderzoeksmethoden
Omgaan met schaarste aan degelijk bewijsmateriaal
Vaak beperkt beschikbaarheid aan sterk bewijs in LA, zeker van RCT’s: vormt
uitdaging, maar betekent niet dat onderbouwde beslissingen onmogelijk zijn:
Evidentiepiramide suggereert dat experimenteel onderzoek superieur is aan andere → dit is
een misvatting!:
Verschillende onderzoeksmethoden hebben complementaire zwaktes en sterktes: voor
sommige vragen is interne validiteit cruciaal, voor andere externe validiteit.
1
, - Wanneer bewijs ontbreekt, moet therapeut bewust gebruikmaken van andere
bronnen, zoals observationeel onderzoek, kwalitatieve studies en systematisch
- verzamelde praktijkervaring. - EBP-handelen vereist vooral kritisch nadenken,
transparantie en reflectie
De rol van theorie en inzicht in veranderingsmechanismen
Wetenschappelijk bewijs over of een therapie werkt is onvoldoende zonder inzicht in:
→ Waarom & hoe verandering tot stand komt!
- Theorieën over veranderingsmechanismen helpen therapeuten om keuzes te
begrijpen en te verantwoorden.
- Inzicht in onderliggende processen maakt het mogelijk om therapieën flexibel toe te
passen.
→ Theorie ondersteunt niet alleen interpretatie van onderzoek, maar ook klinisch
redeneren
EBP-handelen vraagt daarom niet enkel kennis van resultaten, maar ook:
● Theoretisch inzicht in gedragsverandering & leerprocessen
De rol van de therapeut en zijn praktijkkennis
Naast wetenschappelijke evidentie speelt de praktijkkennis & expertise van de therapeut
een CRUCIALE ROL in EBP!
- Expertise gebaseerd op: grondige probleemanalyse
- Ervaring met eerdere cliënten
- Reflectie over eigen handelen
Therapeutfactoren hebben een aantoonbare invloed op het therapieresultaat: RCT’s
houden hier vaak onvoldoende rekening mee.
EBP vereist de integratie van: externe validiteit & interne validiteit, waaronder de
competenties en ervaringen van de therapeut
→ De therapeut is geen uitvoerder van richtlijnen, maar een actieve beslisser.
De centrale rol van de cliënt
De cliënt staat centraal in EBP-handelen: wetenschappelijk bewijs en expertise zijn
onvoldoende zonder rekening te houden met de client (waarden, voorkeuren, context).
Cliënten kunnen verschillende voorkeuren hebben voor behandelingen die even effectief zijn
-Bbv: haalbaarheid, kost, impact dagelijks leven… → deze voorkeuren moeten we
meenemen!
EBP is een gedeeld beslissingsproces, waarbij therapeut en cliënt samen zoeken.
2
,Het uiteindelijke doel is een behandeling die niet enkel effectief is, maar ook betekenisvol
voor de client.
3
, Methodisch handelen: HC 2:
Vaardigheidstraining
● Aanleren van vaardigheden, handelingen, strategieën
● Afleren van inadequaat gedrag
● Wijzigen van gedrag
● Doen toenemen van adequaat gedrag dat te weinig aanwezig is
→ zijn eigenlijk operante modificatieprocedures (methodes gebaseerd op operant conditioneren)
Wanneer vaardigheidstraining (VHT) inzetten:
1) Nog geen negatieve betekenissen en/of emoties
● VHT als secundaire preventie, rechtstreeks technieken gebruiken
2) Emotionele triggers zijn verdwenen, maar probleemgedrag nog aanwezig
(frustratie/schaamte… overheen, maar probleemgedrag nog aanwezig)
3) Door eenvoudige problematiek
● (bv: tong wispelt bij articulatie)
4) Bij hoge mate van persoonlijke veerkracht→ moet je niet leren om gedrag te
veranderen, puur geven waar ze rechtstreeks voor komen
Bv: vaardigheidstraining: Jef kan in normale, spontane conversatie 80% van de
gestotterde woorden ontspannen opvangen door gebruik te maken van de pull-outtechniek
Gedragsanalyseschema
● Uitlokkende prikkel/situatie = discriminatieve prikkel/situatie
→ prikkels die gedrag uitlokken
→ context waarin gedrag leidt tot gunstige gedragsgevolgen
● Gedragsgevolgen bij probleemgedrag
→ prikkels die gedrag volgen (en bekrachtigen of bestraffen
→ verwachte positieve gevolgen (+S+ -S- °S-)
→ reële negatieve gevolgen (+S- -S+ °S+)
Doel: gedrag veranderen (iets afleren/aanleren/wijzigen) via uitlokkende prikkels of
gedragsgevolgen
4