Jessica van der Wal
Dierenartsassistent Paraveterinair
1
,Taxonomische indeling
Taxonomische indeling Hond
Rijk: Animalia (dieren)
Stam: Chordata (gewervelden)
Klasse: Mammalia (zoogdieren)
Orde: Carnivora (roofdieren)
Familie: Canidae (hondachtigen)
Geslacht: Canis
Soort: Canis lupus (wolf)
Ondersoort: Canis lupus familiaris
De hond stamt af van de wolf
Taxonomische indeling Kat
Rijk: Animalia (dieren)
Stam: Chordata (gewervelden)
Klasse: Mammalia (zoogdieren)
Orde: Carnivora (roofdieren)
Familie: Felidae (katachtigen)
Geslacht: Felis
Soort: Felis silvestris (Europese wilde kat)
Ondersoort: Felis silvestris catus
De 5 vrijheden van brambell
1- De dieren moeten vrij zijn van honger en dorst
2- Dieren moeten vrij zijn van ongemak
3- Dieren moeten vrij zijn van pijn, verwondingen en ziekte
4- Dieren mogen geen angst en stress ervaren
5- Dieren kunnen normaal gedrag vertonen
Gedrag Hond
Er zijn twee hoofdfuncties:
A à zelfhandhaving van het individu. Dit betekent vluchtgedrag en eetgedrag
B à zorgen voor het voortbestaan van de soort door middel van voortplantingsgedrag
Aangeboren gedrag à erfelijk bepaald. Het is niet aangeleerd, maar wel al aanwezig.
Aangeleerd gedrag à Gedrag wat aangeleerd wordt door bijvoorbeeld training
Klassieke conditionering à gedrag dat onder bepaalde condities tot stand komt en een gewoonte
wordt. De ene prikkel wordt vervangen door de andere prikkel.
Operante conditionering à Dit is leren door beloning en straf. Er zijn twee uitkomsten namelijk
het gedrag zou in de toekomst toenemen en 2 het gedrag zou in de toekomst afnemen.
Gedragssystemen
Agonistisch gedrag Gedrag bij conflicten of wanneer een dier
twijfelt wat die moet doen.
2
, Exploratiegedrag Gedrag waarbij een dier de omgeving
onderzoekt.
Spel gedrag Gedrag dat dieren laten zien tijdens het
spelen.
Voedselverweringsgedrag Gedrag dat te maken heeft met het verkrijgen
en zoeken van voedsel.
Voortplantingsgedrag Gedrag rondom dekking, geboorte en nazorg.
Zelfverzorgingsgedrag Gedrag voor het verzorgen en schoonhouden
van het lichaam.
Slaap en rustgedrag Gedrag tijdens rust en slapen.
Territoriumgedrag Gedrag voor het afbakenen en verdedigen van
hun leefgebied.
Uitscheidingsgedrag Gedrag rondom urineren en ontlasten
Normaal hondengedrag
Dominantie Gedrag om conflicten en gevechten te
voorkomen en de rangorde duidelijk te
maken.
Onderdanigheid Gedrag dat zorgt voor rust en behoud van de
roedel.
Noodweeragressie Agressief gedrag dat ontstaat uit angst en
zelfverdediging.
Agressie Gedrag om de rangorde of positie binnen de
groep te bevestigen.
Bijtrem Het vermogen van een hond om niet te hard
te bijten.
Agressierem Gedrag dat voorkomt dat agressie te ver
doorgaat.
Territoriumgedrag Gedrag voor het afbakenen en verdedigen van
het leefgebied.
Lichaamstaal Hond
Communicatie door geur, lichaamstaal en geluid.
Staart: hoog = zelfverzekerd/ dominant. Hangend = neutraal/ afwachtend. Geknepen =
onderdanig.
Oren: voren = zelfverzekerd. Neutraal = afwachtend. Liggen naar achteren= onderdanig.
Mimiek: mondhoek naar voren en voorste tanden laten zien= tot aanvallen bereid. Hele gebit
zichtbaar en mondhoeken naar achteren= beangstigend.
Ogen: kijkt in de ogen = niet onderspit wil delven. Fixeren= confrontatie. Kijkt weg = niet op
confrontatie uit zijn. Afstraffen door mens= confronterend en ongewenst gedrag als gevolg.
Staat: hoge houding = dominant en confrontatie aangaan. Lage houding= geen confrontatie
willen. Spelboog= spelen.
Vacht: haren overeind is adrenaline stoot.
3
, Geluid
Janken Eenzaamheid, pijn of paniek
Blaffen Stress, woede, opwinding of angst
Piepen Aandacht vragen
Grommen Uitweg van spel of boosheid
Huilen Frustratie, saamhorigheid
Geur
Markeren à territorium.
Leegdrukken anaalklieren à angst.
Rollen in viezigheid à niet hun eigen geur, maar een andere geur aannemen.
Onderdanig gedrag
- Duidelijk maken dat van hem geen dreiging te verwachten valt. Een lage
lichaamshouding, op de rug gaan liggen en kwetsbare delen tonen.
Afwijkend gedrag
- Kan door onvoldoende rem en onvoldoende socialisatie komen.
- Sprak van scheve gezag relatie: niet laten borstelen, niet op de rug gelegd willen worden,
aandacht vragen, aan de lijn trekken, niet komen op bevel, treuzelen bij bevel, rijden op
mensen en dieren, ongevraagd bewaken van mensen, dieren enzovoort.
- Sprake van traumatische ervaring: lichamelijke oorzaak, mogelijke erfelijke component
en angstagressie kan door overschrijden van de vluchtkritieke grens.
Ethologie begrippen Hond
Antropomorfisme Uitingen van diergedrag vertalen naar
menselijke emoties.
Ganging up Roedelvorming.
Habituatie Gewenning door aan een langdurige prikkel
blootgesteld te worden.
Overstaan Rang hogere hond staat over de rang lagere
hond.
Over de snuit bijten De bek van de rang hogere hond wordt
geopend en over de rang lagere hond gelegd.
Spelhouding of spelboog Zakt door de voorpoten, doet het achterwerk
omhoog en kwispelt met de staart.
Overspronggedrag Gedrag dat op dat moment geen doel dient,
maar bedoeld is om spanning of conflicten te
voorkomen.
Intentiebeweging Aanzet tot handeling die niet wordt volbracht.
Ambivalent gedrag Dit is tweedelig gedrag. Het kan afwisselend
of gelijktijdig vertoond worden.
Ontwikkeling Hond
4