Module 6. Psychiatrie en neurologie
Thema 1. Functionele neuroanatomie: sensibiliteit, motoriek en bewegingsstoornissen
Bouw en functie van het zenuwstelsel
De student heeft begrip van de belangrijke anatomische en functionele indeling van het zenuwstelsel.
Anatomische indeling
• Centraal zenuwstelsel (CZS) = cerebrum, cerebellum, hersenstam en ruggenmerg. De functie is om
informatie te verwerken, integreren en het lichaam aan te sturen.
• Perifeer zenuwstelsel (PZS) = alles buiten het CZS, dus zenuwen, plexussen en ganglia. De functie is om het
lichaam te verbinden met het CZS.
Functionele indeling
• Somatisch/somatomotorisch zenuwstelsel = stuurt bewuste functies
aan, is dus willekeurig.
• Autonoom/visceromotorisch zenuwstelsel = onwillekeurig, met
name automatische functies van organen. Bestaat uit:
- Sympatisch = fight or flight, verhoogd hartslag etc. ligt in de
grensstrengen langs het ruggenmerg, er dus niet in.
- Parasympatisch = rest and digest, hartslag omlaag etc. ligt in
bepaalde ganglia verspreidt door het lichaam.
Embryonale ontwikkeling = het
zenuwstelsel ontwikkelt zich uit het
ectoderm, waaruit ook de huid wordt
gevormd. Allereerst vormt het
ectoderm een neurale plaat die naar
binnen vouwt. Daarna wordt de
neurale groeve en plooien gevormd.
Als de vouw compleet is heet dit de
neurale buis. Hieruit vormen later de
hersenen, ruggenmerg en de holte die
overblijft worden de ventrikels en
centrale kanaal. Het voorste deel van
de neurale buis vormen 3
hersenbaasjes; het prosencephalon (voorbrein), mesencephalon (middenbrein), rhombencephalon
(achtebrein). Hierna worden 5 blaasjes gevormd, het telencephalon, diencephalon, mesencephalon,
metencephalon en myelenecephalon.
De student kan de verschillende type neuronen benoemen en de bouw en functie van het neuron als
bouwstenen van het zenuwstelsel beschrijven
Neuron = cellen in het zenuwstelsel die prikkels kunnen
ontvangen en doorgeven. Meerdere neuronen samen zijn een
zenuw. Er bestaan motorische neuronen, die prikkels naar
spieren geleiden en sensorische neuronen, die prikkels van de
buitenwereld naar het centraal zenuwstelsel geleiden. Ze
hebben 4 functies:
• Receptie = elektrisch/chemisch signaal uit zintuig/ander
zenuwcel wordt ontvangen door de dendrieten
• Integratie = alle signalen komen binnen in het cellichaam
(perikaryon), waar een waarde aangehangen wordt
waardoor er een besluit op een reactie komt of niet
• Conductie = doorgeleiden van een signaal, door het axon
• Transmissie = signaal wordt via een synaps doorgegeven
door het elektrische signaal om te zetten naar een
, chemisch signaal (neurotransmitters) waardoor het doorgegeven kan worden naar een andere effector
(zenuw, spier, klier etc.)
Gliacellen = cellen die geen prikkels voorgeleiden maar een ondersteunende functie hebben.
• Centraal zenuwstelsel
- Astrocyten/astrogliacellen = zorgt voor vorm en steun aan zenuwcellen, bloed- en lymfevaten.
Belangrijke metabole functie.
- Ependymcellen = kleine trilhaarcellen, met name in de bloed-hersenbarrière.
- Microgliacellen = gespecialiseerde immuuncellen
- Oligodendrocyten = vormen isolatielaag van myeline rondom axonen
• Perifeer zenuwstelsel
- Cel van Schwann = vormt net zoals oligodendrocyt een myelineschede rondom axon
- Sattelietcellen = vergelijkbaar met astrogliacellen
De student kan de verschillende onderdelen van de synaps benoemen en uitleggen hoe de impulsoverdracht in
een synaps plaatsvindt
Synaps = de plaats waar de actiepotentiaal wordt doorgegeven aan de
andere cel. Het bestaat uit:
• Presynaptisch neuron = hier komt de actiepotentiaal aan, door
depolarisatie gaan calciumkanalen open waardoor calcium de cel
instroomt. Hierdoor bewegen synaptische blaasjes gevuld met
neurotransmitters zich naar het membraan, waar ze versmelten en
vrijgelaten worden in de synapsspleet.
• Synapsspleet = zit tussen het presynaptisch neuron en het
postsynaptisch neuron, hierin worden de blaasjes neurotransmitters
vrijgegeven.
• Postsynaptisch neuron = de vrijgegeven neurotransmitters binden zich
aan de receptoren van het ontvangende neuron, waardoor er
ionkanalen worden geactiveerd. Afhankelijk van de neurotransmitter
kan er excitatie (instroom natrium en depolarisatie) of inhibitie (chloride instroom of kalium uitstroom,
hyperpolarisatie) plaatsvinden. Als de drempelwaarde overschreden wordt dan ontstaat er opnieuw een
actiepotentiaal die zo verder gegeven wordt.
Neurotransmitters
• Acetylcholine (ACh) = zorgt voor spiercontractie, nodig voor parasympatische signalen. Een tekort wordt
gezien bij bijvoorbeeld Alzheimer.
• Dopamine = belangrijk voor beweging in de basale ganglia, motivatie en beloningssysteem, stemming en
hormoonafgifte in de hypothalamus. Een tekort wordt gezien bij parkinson en teveel juist bij psychoses.
• Serotonine = belangrijk voor stemming, emoties, slaap/waakritme en eetlust. Aandoeningen hieraan kan
leiden tot depressies of angststoornissen.
• Noradrenaline/norepinefrine = belangrijk voor stressrespons (fight or flight)
• Glutamaat = belangrijkste excitatoire neurotransmitter in hersenen, essentieel voor geheugen en leren.
Overactiviteit kan leiden tot epilepsie.
• GABA = belangrijkste inhibitoire neurotransmitter, remt overmatige activiteit in het brein en is dus
rustgevend.
De student kan aangeven hoe prikkels uit de buitenwereld worden omgezet in
zenuwimpulsen en kan hierin functionele niveaus onderscheiden
Sensorcellen ontvangen informatie in de vorm van actiepotentialen. Als de
drempelwaarde hiervan gehaald wordt, komt de actiepotentiaal op gang en zal deze
voorgeleid worden over de axon van het neuron. Het axon is omgeven door een
myelineschede waardoor het actiepotentiaal saltatoir (sprongsgewijs) doorgegeven
wordt, wat erg snel gaat. Aan het einde van de axon zitten een of meerdere
synapsen, waarin de elektrische actiepotentiaal wordt omgezet in chemische
neurotransmitter. Deze wordt dan doorgegeven aan synapsen van andere neuronen
om zo de prikkel verder te geleiden.
,Functionele niveaus
1. Perifeer ingangsniveau = perifeer, met name sensorisch door
exteroreceptoren (ontvangen prikkels van de buitenwereld),
interoreceptoren (ontvangt prikkels van inwendige organen) en
proprioreceptoren
2. Centraal verwerkingsniveau = ruggenmerg, hersenstam en thalamus, hier
komen de signalen binnen
3. Bewustwordingsniveau = cortex van de grote hersenen, hier word je je
bewust van de signalen
Interneuronen kunnen de impuls moduleren, dit is over het algemeen vooral
dempend. Hierdoor worden niet alle prikkels die waargenomen worden
doorgegeven aan het centraal zenuwstelsel. Schade aan interneuronen geeft
dus verlies van de demping, bijvoorbeeld dat na een CVA hyperreflexie
optreedt.
De student heeft begrip van bouw en organisatie van sensibiliteit
Sensibiliteit = gevoelswaarneming van het lichaam. Dit wordt via perifere neuronen
doorgeven naar het centrale zenuwstelsel via het ascenderende en afferente systeem. Het
komt via de dorsale radix in het ruggenmerg binnen. Er zijn 2 soorten:
• Vitaal = pijn, temperatuur en grove tast. Bestaat uit dunne gemyeliniseerde en
ongemyeliniseerde vezels.
• Gnostisch = aanrakingszin (fijne tast), bewegingszin, positiezin en vibratiezin. Bestaat uit
dikke gemyeliniseerde vezels.
Baansysteem van vitale sensibiliteit = tractus spinothalamicus. Prikkels komen in het
ruggenmerg via neuron die meteen kruist naar de anterolaterale kant en dan verder naar de
thalamus en cortex wordt voorgeleid via anterolaterale strengen in de voorhoorn. Bestaat uit 3
neuronen; een in het ruggenmerg, een in de thalamus en een in de cortex. Het cellichaam van
het eerste neuron ligt net buiten het ruggenmerg in het spinaal ganglion. Hierdoor is er een
mogelijkheid om meteen te kunnen overschakelen naar een motorisch neuron, zoals bij
reflexen.
Baansysteem van gnostische sensibiliteit = prikkels komen in
het ruggenmerg via neuron en worden ipsilateraal voorgeleid
naar de medulla oblongata, waar de baan zich kruist naar de
anterolaterale zijde en verder naar de cortex vervoerd wordt
via de achterhoorn/achterstrengen.
Prikkels van beide baansystemen komen aan in de primaire
somatosensorische cortex. Deze ligt in de gyrus postcentralis.
De student heeft begrip van bouw en organisatie van
motoriek
Motoriek = het regelen van processen om bewegingen uit te voeren en te
coordineren. Dit wordt via de neuronen in het centrale zenuwstelsel via het
descenderende en efferente systeem voorgeleid in de voorhoorn/voorstrengen.
De prikkels verlaten het ruggenmerg via de ventrale radix. Skeletspieren worden
eigenlijk altijd geïnnerveerd door alpha-motoneuronen vanuit het ruggenmerg en
hersenstam. Deze neuron is daarom erg essentieel omdat deze specifieke neuron
veel verschillende functies heeft. Het heet daarom ook wel de final common
pathway. Er zijn een aantal soorten bewegingen:
• Automatisch
• Stereotypisch
• Willekeurig = grove of fijne motoriek
, Bewegingen = begint met een beweging willen uitvoeren, dit gebeurt in de prefrontale
cortex + M3 → M3 gaat de lus in naar de basale kernen en thalamus en plant interne
sequenties → M2a/M2b koppelt beweging aan de externe stimuli → S1/S2/S3 leveren
feedback over positie van je ledematen → M1 + M2 voor finetuning beweging → via M1
naar piramidebaan naar de spieren → beweging wordt uitgevoerd
• M1 = primaire motorische cortex, ligt voor de sulcus centralis. Stuurt direct
motorische signalen naar het ruggenmerg via de piramidebaan waardoor spieren
bewegen. Het is de uitvoerende 'motor'.
• M2a = dorsale premotorische cortex, plant beweging op basis van externe informatie.
Bijvoorbeeld een kopje zien en daarnaar rijken.
• M2b = ventrale premotorische cortex, betrokken bij hand- en
vingerbewegingen, grijpen en manipuleren. Integreert
tastinformatie via S1/S2.
• M3 = supplementaire motorische cortex, betrokken bij de
interne planning. Bijvoorbeeld besluiten om op te staan
zonder externe prikkel. Het coördineert
bewegingssequenties. Het stuurt informatie naar de basale
kernen en dan de thalamus die daar worden gecontroleerd,
waarna het teruggestuurd wordt naar M3.
• L = laterale pariëtale cortex, verbindt sensorische informatie
(S2/S3) met motorische plannen (M2/M3). Essentieel voor
ruimtelijke oriëntatie.
Basale ganglia = structuur in de hersenen die een belangrijke
regelende rol hebben in het doorgeven van prikkels van de
motorische cortex naar de piramidebaan. Het is geen deel van de
piramidebaan zelf. Het bepaalt of de bewegingen gestart kunnen
worden, remmen ongewenste bewegingen en bepalen daarnaast ook
de benodigde soepelheid en spierspanning. Daarna gaat het signaal
naar de thalamus.
Thalamus = de thalamus controleert de correcties van de basale ganglia
en geeft het uiteindelijke startsein voor de beweging. Het stuurt het
signaal terug naar de motorische cortex, vanwaar de signalen naar de
piramidebaan geleid worden.
Baansysteem van motoriek = tractus corticospinalis + tractus
corticobulbaris = piramidebaansysteem = bewuste willekeurige
bewegingen die door het zenuwstelsel worden geregeld en uitgevoerd.
Prikkels worden vanuit de motorische cortex, in de gyrus precentralis,
via het capsula interna naar de medulla oblongata voorgeleid, waar de
banen voor 85% kruisen naar de anterolaterale kant. De overige 15%
blijft wel aan ipsilaterale zijde, maar dit heeft klinisch weinig relevantie.
Extrapiramidale baan = alle motorische banen die niet via de piramidebaan lopen, het bestaat uit een aantal
banen maar ook de basale kernen en het cerebellum. Aandoeningen aan dit systeem geeft rigiditeit, tremoren,
bradykinesie, maskergelaat en parkinsonisme. Aandoeningen hebben met name effect op bewegingskwaliteit,
niet op kracht.
De student kan de verschillende functionele niveaus onderscheiden die van belang zijn voor de willekeurige
motoriek (commando-, coördinatie- en uitvoeringsniveau)
Drie organisatieniveaus motoriek
1. Commandoniveau = in de cortex, bestaat uit 3 verschillende onderdelen:
- Primaire motorische schors (MI) = fijne motoriek
Thema 1. Functionele neuroanatomie: sensibiliteit, motoriek en bewegingsstoornissen
Bouw en functie van het zenuwstelsel
De student heeft begrip van de belangrijke anatomische en functionele indeling van het zenuwstelsel.
Anatomische indeling
• Centraal zenuwstelsel (CZS) = cerebrum, cerebellum, hersenstam en ruggenmerg. De functie is om
informatie te verwerken, integreren en het lichaam aan te sturen.
• Perifeer zenuwstelsel (PZS) = alles buiten het CZS, dus zenuwen, plexussen en ganglia. De functie is om het
lichaam te verbinden met het CZS.
Functionele indeling
• Somatisch/somatomotorisch zenuwstelsel = stuurt bewuste functies
aan, is dus willekeurig.
• Autonoom/visceromotorisch zenuwstelsel = onwillekeurig, met
name automatische functies van organen. Bestaat uit:
- Sympatisch = fight or flight, verhoogd hartslag etc. ligt in de
grensstrengen langs het ruggenmerg, er dus niet in.
- Parasympatisch = rest and digest, hartslag omlaag etc. ligt in
bepaalde ganglia verspreidt door het lichaam.
Embryonale ontwikkeling = het
zenuwstelsel ontwikkelt zich uit het
ectoderm, waaruit ook de huid wordt
gevormd. Allereerst vormt het
ectoderm een neurale plaat die naar
binnen vouwt. Daarna wordt de
neurale groeve en plooien gevormd.
Als de vouw compleet is heet dit de
neurale buis. Hieruit vormen later de
hersenen, ruggenmerg en de holte die
overblijft worden de ventrikels en
centrale kanaal. Het voorste deel van
de neurale buis vormen 3
hersenbaasjes; het prosencephalon (voorbrein), mesencephalon (middenbrein), rhombencephalon
(achtebrein). Hierna worden 5 blaasjes gevormd, het telencephalon, diencephalon, mesencephalon,
metencephalon en myelenecephalon.
De student kan de verschillende type neuronen benoemen en de bouw en functie van het neuron als
bouwstenen van het zenuwstelsel beschrijven
Neuron = cellen in het zenuwstelsel die prikkels kunnen
ontvangen en doorgeven. Meerdere neuronen samen zijn een
zenuw. Er bestaan motorische neuronen, die prikkels naar
spieren geleiden en sensorische neuronen, die prikkels van de
buitenwereld naar het centraal zenuwstelsel geleiden. Ze
hebben 4 functies:
• Receptie = elektrisch/chemisch signaal uit zintuig/ander
zenuwcel wordt ontvangen door de dendrieten
• Integratie = alle signalen komen binnen in het cellichaam
(perikaryon), waar een waarde aangehangen wordt
waardoor er een besluit op een reactie komt of niet
• Conductie = doorgeleiden van een signaal, door het axon
• Transmissie = signaal wordt via een synaps doorgegeven
door het elektrische signaal om te zetten naar een
, chemisch signaal (neurotransmitters) waardoor het doorgegeven kan worden naar een andere effector
(zenuw, spier, klier etc.)
Gliacellen = cellen die geen prikkels voorgeleiden maar een ondersteunende functie hebben.
• Centraal zenuwstelsel
- Astrocyten/astrogliacellen = zorgt voor vorm en steun aan zenuwcellen, bloed- en lymfevaten.
Belangrijke metabole functie.
- Ependymcellen = kleine trilhaarcellen, met name in de bloed-hersenbarrière.
- Microgliacellen = gespecialiseerde immuuncellen
- Oligodendrocyten = vormen isolatielaag van myeline rondom axonen
• Perifeer zenuwstelsel
- Cel van Schwann = vormt net zoals oligodendrocyt een myelineschede rondom axon
- Sattelietcellen = vergelijkbaar met astrogliacellen
De student kan de verschillende onderdelen van de synaps benoemen en uitleggen hoe de impulsoverdracht in
een synaps plaatsvindt
Synaps = de plaats waar de actiepotentiaal wordt doorgegeven aan de
andere cel. Het bestaat uit:
• Presynaptisch neuron = hier komt de actiepotentiaal aan, door
depolarisatie gaan calciumkanalen open waardoor calcium de cel
instroomt. Hierdoor bewegen synaptische blaasjes gevuld met
neurotransmitters zich naar het membraan, waar ze versmelten en
vrijgelaten worden in de synapsspleet.
• Synapsspleet = zit tussen het presynaptisch neuron en het
postsynaptisch neuron, hierin worden de blaasjes neurotransmitters
vrijgegeven.
• Postsynaptisch neuron = de vrijgegeven neurotransmitters binden zich
aan de receptoren van het ontvangende neuron, waardoor er
ionkanalen worden geactiveerd. Afhankelijk van de neurotransmitter
kan er excitatie (instroom natrium en depolarisatie) of inhibitie (chloride instroom of kalium uitstroom,
hyperpolarisatie) plaatsvinden. Als de drempelwaarde overschreden wordt dan ontstaat er opnieuw een
actiepotentiaal die zo verder gegeven wordt.
Neurotransmitters
• Acetylcholine (ACh) = zorgt voor spiercontractie, nodig voor parasympatische signalen. Een tekort wordt
gezien bij bijvoorbeeld Alzheimer.
• Dopamine = belangrijk voor beweging in de basale ganglia, motivatie en beloningssysteem, stemming en
hormoonafgifte in de hypothalamus. Een tekort wordt gezien bij parkinson en teveel juist bij psychoses.
• Serotonine = belangrijk voor stemming, emoties, slaap/waakritme en eetlust. Aandoeningen hieraan kan
leiden tot depressies of angststoornissen.
• Noradrenaline/norepinefrine = belangrijk voor stressrespons (fight or flight)
• Glutamaat = belangrijkste excitatoire neurotransmitter in hersenen, essentieel voor geheugen en leren.
Overactiviteit kan leiden tot epilepsie.
• GABA = belangrijkste inhibitoire neurotransmitter, remt overmatige activiteit in het brein en is dus
rustgevend.
De student kan aangeven hoe prikkels uit de buitenwereld worden omgezet in
zenuwimpulsen en kan hierin functionele niveaus onderscheiden
Sensorcellen ontvangen informatie in de vorm van actiepotentialen. Als de
drempelwaarde hiervan gehaald wordt, komt de actiepotentiaal op gang en zal deze
voorgeleid worden over de axon van het neuron. Het axon is omgeven door een
myelineschede waardoor het actiepotentiaal saltatoir (sprongsgewijs) doorgegeven
wordt, wat erg snel gaat. Aan het einde van de axon zitten een of meerdere
synapsen, waarin de elektrische actiepotentiaal wordt omgezet in chemische
neurotransmitter. Deze wordt dan doorgegeven aan synapsen van andere neuronen
om zo de prikkel verder te geleiden.
,Functionele niveaus
1. Perifeer ingangsniveau = perifeer, met name sensorisch door
exteroreceptoren (ontvangen prikkels van de buitenwereld),
interoreceptoren (ontvangt prikkels van inwendige organen) en
proprioreceptoren
2. Centraal verwerkingsniveau = ruggenmerg, hersenstam en thalamus, hier
komen de signalen binnen
3. Bewustwordingsniveau = cortex van de grote hersenen, hier word je je
bewust van de signalen
Interneuronen kunnen de impuls moduleren, dit is over het algemeen vooral
dempend. Hierdoor worden niet alle prikkels die waargenomen worden
doorgegeven aan het centraal zenuwstelsel. Schade aan interneuronen geeft
dus verlies van de demping, bijvoorbeeld dat na een CVA hyperreflexie
optreedt.
De student heeft begrip van bouw en organisatie van sensibiliteit
Sensibiliteit = gevoelswaarneming van het lichaam. Dit wordt via perifere neuronen
doorgeven naar het centrale zenuwstelsel via het ascenderende en afferente systeem. Het
komt via de dorsale radix in het ruggenmerg binnen. Er zijn 2 soorten:
• Vitaal = pijn, temperatuur en grove tast. Bestaat uit dunne gemyeliniseerde en
ongemyeliniseerde vezels.
• Gnostisch = aanrakingszin (fijne tast), bewegingszin, positiezin en vibratiezin. Bestaat uit
dikke gemyeliniseerde vezels.
Baansysteem van vitale sensibiliteit = tractus spinothalamicus. Prikkels komen in het
ruggenmerg via neuron die meteen kruist naar de anterolaterale kant en dan verder naar de
thalamus en cortex wordt voorgeleid via anterolaterale strengen in de voorhoorn. Bestaat uit 3
neuronen; een in het ruggenmerg, een in de thalamus en een in de cortex. Het cellichaam van
het eerste neuron ligt net buiten het ruggenmerg in het spinaal ganglion. Hierdoor is er een
mogelijkheid om meteen te kunnen overschakelen naar een motorisch neuron, zoals bij
reflexen.
Baansysteem van gnostische sensibiliteit = prikkels komen in
het ruggenmerg via neuron en worden ipsilateraal voorgeleid
naar de medulla oblongata, waar de baan zich kruist naar de
anterolaterale zijde en verder naar de cortex vervoerd wordt
via de achterhoorn/achterstrengen.
Prikkels van beide baansystemen komen aan in de primaire
somatosensorische cortex. Deze ligt in de gyrus postcentralis.
De student heeft begrip van bouw en organisatie van
motoriek
Motoriek = het regelen van processen om bewegingen uit te voeren en te
coordineren. Dit wordt via de neuronen in het centrale zenuwstelsel via het
descenderende en efferente systeem voorgeleid in de voorhoorn/voorstrengen.
De prikkels verlaten het ruggenmerg via de ventrale radix. Skeletspieren worden
eigenlijk altijd geïnnerveerd door alpha-motoneuronen vanuit het ruggenmerg en
hersenstam. Deze neuron is daarom erg essentieel omdat deze specifieke neuron
veel verschillende functies heeft. Het heet daarom ook wel de final common
pathway. Er zijn een aantal soorten bewegingen:
• Automatisch
• Stereotypisch
• Willekeurig = grove of fijne motoriek
, Bewegingen = begint met een beweging willen uitvoeren, dit gebeurt in de prefrontale
cortex + M3 → M3 gaat de lus in naar de basale kernen en thalamus en plant interne
sequenties → M2a/M2b koppelt beweging aan de externe stimuli → S1/S2/S3 leveren
feedback over positie van je ledematen → M1 + M2 voor finetuning beweging → via M1
naar piramidebaan naar de spieren → beweging wordt uitgevoerd
• M1 = primaire motorische cortex, ligt voor de sulcus centralis. Stuurt direct
motorische signalen naar het ruggenmerg via de piramidebaan waardoor spieren
bewegen. Het is de uitvoerende 'motor'.
• M2a = dorsale premotorische cortex, plant beweging op basis van externe informatie.
Bijvoorbeeld een kopje zien en daarnaar rijken.
• M2b = ventrale premotorische cortex, betrokken bij hand- en
vingerbewegingen, grijpen en manipuleren. Integreert
tastinformatie via S1/S2.
• M3 = supplementaire motorische cortex, betrokken bij de
interne planning. Bijvoorbeeld besluiten om op te staan
zonder externe prikkel. Het coördineert
bewegingssequenties. Het stuurt informatie naar de basale
kernen en dan de thalamus die daar worden gecontroleerd,
waarna het teruggestuurd wordt naar M3.
• L = laterale pariëtale cortex, verbindt sensorische informatie
(S2/S3) met motorische plannen (M2/M3). Essentieel voor
ruimtelijke oriëntatie.
Basale ganglia = structuur in de hersenen die een belangrijke
regelende rol hebben in het doorgeven van prikkels van de
motorische cortex naar de piramidebaan. Het is geen deel van de
piramidebaan zelf. Het bepaalt of de bewegingen gestart kunnen
worden, remmen ongewenste bewegingen en bepalen daarnaast ook
de benodigde soepelheid en spierspanning. Daarna gaat het signaal
naar de thalamus.
Thalamus = de thalamus controleert de correcties van de basale ganglia
en geeft het uiteindelijke startsein voor de beweging. Het stuurt het
signaal terug naar de motorische cortex, vanwaar de signalen naar de
piramidebaan geleid worden.
Baansysteem van motoriek = tractus corticospinalis + tractus
corticobulbaris = piramidebaansysteem = bewuste willekeurige
bewegingen die door het zenuwstelsel worden geregeld en uitgevoerd.
Prikkels worden vanuit de motorische cortex, in de gyrus precentralis,
via het capsula interna naar de medulla oblongata voorgeleid, waar de
banen voor 85% kruisen naar de anterolaterale kant. De overige 15%
blijft wel aan ipsilaterale zijde, maar dit heeft klinisch weinig relevantie.
Extrapiramidale baan = alle motorische banen die niet via de piramidebaan lopen, het bestaat uit een aantal
banen maar ook de basale kernen en het cerebellum. Aandoeningen aan dit systeem geeft rigiditeit, tremoren,
bradykinesie, maskergelaat en parkinsonisme. Aandoeningen hebben met name effect op bewegingskwaliteit,
niet op kracht.
De student kan de verschillende functionele niveaus onderscheiden die van belang zijn voor de willekeurige
motoriek (commando-, coördinatie- en uitvoeringsniveau)
Drie organisatieniveaus motoriek
1. Commandoniveau = in de cortex, bestaat uit 3 verschillende onderdelen:
- Primaire motorische schors (MI) = fijne motoriek