Docenten: Jana Knot-Dickscheit
Anne-Marie Huyghen
Lidian Korenberg
Anouk van Es
C1 + C2 – Cognitieve gedragstherapie (CGT)
Kinderen, adolescenten en jongvolwassenen met een licht verstandelijke beperking (LVB) hebben
een grotere kans op achterstand en scheefgroei in hun ontwikkeling dan normaalbegaafde
leeftijdgenoten. Dit kan tot uiting komen in ernstige problemen met zichzelf en anderen, die zich
ontwikkelen tot ernstige gedragsproblemen en psychische aandoening, merkbaar in verschillende
leefmilieus:
1. Het eerste leefmilieu > Thuis
2. Het tweede leefmilieu > School, stage en werk
3. Het derde leefmilieu > Vrienden en vrije tijd
Er zijn steeds meer aanwijzingen dat jeugdigen met een LVB van cognitieve gedragstherapie (CGT)
kunnen profiteren als deze aan hen aangepast is. De kerngedachten achter cognitieve
gedragstherapie zijn dat psychische klachten ontstaan en/of in stand gehouden worden door
disfunctionele gedachten en dat er een wisselwerking is tussen cognities, gevoelens en gedrag.
Voornamelijk door denk- en doe-oefeningen wordt men geleerd om anders tegen problematische
situaties aan te kijken, anders te voelen en om daar anders mee om te gaan. Het is een interventie
dat bij veel verschillende problemen ingezet kan worden.
Grondbeginselen en theorieën
De cognitieve gedragstherapie heeft zich over de jaren heen ontwikkeld. De onderliggende theorie is
de leertheorie, bestaande uit klassieke conditionering en operante conditionering:
- Klassieke conditionering > Je geeft een betekenis aan een gebeurtenis (belletje > eten, hond kwijlt
(Pavlov))
o Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt bij angsttherapie. Mensen worden daarbij blootgesteld aan
hun angst, om de connectie met hun verwachting/betekenis te verbreken
- Operante conditionering > Je leert van de consequenties die jou gedrag hebben. Door beloningen
wordt goed gedrag gestimuleerd en door straffen wordt slecht gedrag afgeleerd.
Ook speelt de sociale leertheorie en de cognitieve appraisal theorie een rol bij de ontwikkeling van
cognitieve gedragstheorie.
Filmpje
Interventies Algemene kenmerken
Psycho-educatie > Uitleggen welke Goede werkrelatie > Dit zorgt ervoor dat de
angsten/gedachten er zijn, wat de persoon dan cliënt open en eerlijk durft te zijn over zijn
voelt en vervolgens wat de persoon doet problemen
Exposure therapie/ oefenen > Blootstellen aan Richt zicht op het hier en nu
de angst
Angsttrap > Angstige situaties hiërarchisch Meestal kortdurend
weergeven, wat gebruikt kan worden voor de
exposure therapie
Negatieve spiraal doorbreken/ activeren > Wat Gelijkwaardige relatie tussen therapeut en
vond je vroeger leuk? Dit wordt gedaan om de cliënt
persoon terug te brengen naar het fijne gevoel
van toen en om de persoon weer te activeren
5 G-schema > Gebeurtenis, gevoel, gedachten, Eerst aangewezen psychologische behandeling
1
, gedrag en gevolgen bij: angststoornissen, depressies,
eetstoornissen, verslaving, psychoses,
persoonlijkheidsstoornissen, chronische pijn
Schaalvraag > Hoe sterkt was dat gevoel van …
een schaal van 1-100? Dit geeft inzicht
Cognitieve uitdaging > Wat zou een ander doen
in die situatie?
Pijl-omlaag-techniek > Als je dit niet doet, wat Huiswerkopdrachten
gebeurt er dan? Ik ben bang dat er brand
uitbreekt? En wat is dan het ergste dat kan
gebeuren? … enzovoort
Samenvatten > Dus als je de stekker er niet uit
haalt, ben je bang dat de buren overlijden door
jou
Medicatie > Als je niet kan zwemmen en je valt
in een zwembad. Dan ga je spartelen om boven
te blijven. Je bent dan niet in staat om van een
behandeling te profiteren, omdat je probeert te
overleven. Medicatie kan dan dienen als een
zwembandje.
Meditatie/ ontspanning > Angst zorgt ook voor
lichamelijke spanning (bijv. hoofdpijn)
Je overlegt heel veel en geeft altijd huiswerkopdrachten
Het cognitief gedragstherapeutisch proces
1. Aanmelding en kennismaking
Met wie voer je het gesprek en waarom? Wat wil je weten/ welke informatie heb je nodig? Wie
heeft verwachtingen/ vragen/ doelen en wat zijn deze? Waaraan zien Kai/ de ouder/ het
netwerk verandering? Waarom is er nu een aanmelding? Je vertelt ook over de instelling en hoe
de instelling werkt. je werkt aan het opbouwen van een werkrelatie en vormt hypothesen.
o Je wilt Kai en de ouders los van elkaar spreken, zodat ze de ruimte hebben om te zeggen
wat ze willen, maar je wilt ze ook gezamenlijk spreken. Je hebt toestemming nodig van Kai
om de ouders erbij te betrekken, aangezien hij 18 is.
2. Informatieverzameling en opbouw werkrelatie
Welke informatie heb je nodig en wil je nog verzamelen? Hoe werk je aan opbouw van een
werkrelatie? Wees congruent, transparant, eerlijke en begripvol. Wat heb je daarvoor nodig?
Onderzoek wat de problemen in stand houdt, wat beschermende en risicofactoren zijn. Kijk ook
naar de momenten wanneer het goed ging.
o Wat is de aanleiding voor het blowen? Wanneer doet hij het? Wat zijn beschermende en
risicofactoren? Wat zijn de oorzaken van het slecht slapen? Wat gaat goed? Hoe was de
scheiding van zijn ouders? Hoe is de band met de ouders? Waar lopen de ouders tegenaan?
Welke verbanden zijn er tussen de problemen?
3. Probleemsamenhang (holistische theorie)
Je stelt een theorie op over hoe de problemen samenhangen met elkaar en zo verklaart kunnen
worden. Het is een empirisch proces; je kijkt continu terug of je het goed zag. Je wil als
therapeut hierbij op één lijn zitten met de cliënt.
Maar hier is ook kritiek op. De focus ligt uitsluitend op de problemen. Er zijn alternatieve
modellen: verklarende analyse. Hierbij wordt wel gekeken naar wat al goed gaat (meer
oplossingsgericht)
2