Mini college – ICF-model
Het ICF en ICF-CY zijn een classificatiemodellen, die zorgen voor een gemeenschappelijke en
universele taal om de gezondheid en het functioneren van kinderen en jongeren te beschrijven. Het
is ook en manier om alle factoren die van invloed zijn mee in overweging te nemen bij het opmaken
van een zorgplan.
Het functioneren wordt hierbij vanuit 3 verschillende perspectieven bekeken:
1) Vanuit het menselijk organisme door middel van anatomische eigenschappen
2) Vanuit het handelen door middel van activiteiten
3) Vanuit deelname aan maatschappelijk leven door middel van participatie
Daarnaast houdt het rekening met externe factoren en persoonlijke factoren. En is er sprake van een
neutrale formulering doordat zowel positieve als negatieve factoren vermeld kunnen worden.
http://www.prodiagnostiek.be/materiaal/ADP_ICF-CY.pdf
College 1 – Het jonge kind met beperkingen: Vroegsignalering/-diagnostiek en ontwikkeling
De term ontwikkeling wordt gebruikt met betrekking tot veranderingen in het gedrag*. Het
observeren en interpreteren van gedrag is dan ook de primaire focus van ontwikkelingsonderzoek.
De ontwikkeling kan verdeeld worden in 3 hoofddomeinen, waardoor ontwikkeling
multidimensioneel is:
1) Motorisch
- Grove motoriek
- Fijne motoriek
- Orale motoriek (kauwen, slikken, articulatie)
2) Cognitief
- Receptieve taal
- Expressieve taal
- Non-verbaal probleemoplossend/perceptueel redeneren
3) Neurologisch gedrag
- Sociaal gedrag
- Emotioneel gedrag (zelfregulatie en mentale status)
Daarnaast is ontwikkeling multidirectioneel, doordat je vaardigheden kunt verwerven, maar ook kunt
verliezen, en multigedetermineerd (verschillende factoren spelen een rol; belemmerend of
bevorderend). Tot slot is ontwikkeling een proces; het gebeurt door de tijd heen.
1
,*Gedrag = Elke bewuste of onbewuste handeling, die al dan niet waarneembaar is. Voorbeelden
hiervan zijn het bewegen van je arm, praten, maar ook innerlijke acties zoals onzichtbare emoties
en gedachtes.
Enerzijds verandert een persoon in reactie op specifieke omstandigheden en ervaringen. In die zin
heeft ieder mens een unieke ontwikkelingsgeschiedenis die nooit kan worden gerepliceerd.
Aan de andere kant ervaren individuen veranderingen in cognitie, emotie en specifieke vaardigheden
die waarschijnlijk wijzen op een gemeenschappelijke "blauwdruk" die individuele
levensgeschiedenissen of culturen overstijgt. Zo vinden algemene veranderingen en sociaal-
emotionele reacties plaats op een voorspelbare tijdlijn en op voorspelbare manieren.
Gerelateerde begrippen
Vertraagde ontwikkeling = Wanneer een kind op een bepaalde leeftijd vaardigheden laat zien die
kenmerkend zijn voor jongere kinderen/ wanneer een kind bepaalde vaardigheden nog niet onder de
knie heeft op een bepaalde leeftijd.
Ontwikkelingsachterstand (delay) = Het niet bereiken van één of meerdere ontwikkelingsmijlpalen
binnen een te verwachten leeftijdsrange.
- Specifieke ontwikkelingsachterstand > Een leeftijd inadequate prestatie op één specifiek gebied,
terwijl er op andere gebieden geen problemen.
- Globale ontwikkelingsachterstand (kinderen tussen 0-5 jaar) > Significante achterstand ten
opzichte van leeftijdsgenoten op 2 of meer ontwikkelingsdomeinen (grove/fijne motoriek,
spraak/taal, cognitie, sociaal/persoonlijk en dagelijkse activiteiten).
Aan de hand van de ontwikkelingsquotiënt (DQ) kan gekeken worden wat de achterstand is: DQ =
ontwikkelingsleeftijd (DA)/kalenderleeftijd (CA) * 100
o Een kind van 20 maanden waarvan is vastgesteld dat het grove motorische vaardigheden heeft
op het niveau dat wordt verwacht van een zich normaal ontwikkelend kind van 12 maanden,
heeft een DQ in de grove motoriek van 12/20 × 100 = 60. Van dit kind kan dus worden gezegd
dat het een vertraging van 40% heeft in de ontwikkeling van de grove motoriek of vooruitgang
boekt met 60% van de normale snelheid binnen de stroom van de grove motoriek.
Asynchrone ontwikkeling (dissociation) = De ontwikkeling loopt op verschillende gebieden niet gelijk
aan elkaar. Een DQ- of snelheidsverschil van meer dan 15% tussen twee belangrijke
ontwikkelingsgebieden wordt doorgaans beschouwd als dissociatie bij zuigelingen of jonge kinderen.
o De motorische mijlpalen worden behaald met een kleine achterstand, maar met een grote
achterstand op het gebied van taal.
2
,Afwijkende ontwikkeling (deviance) = Wanneer een kind gedrag laat zien dat niet in een bepaalde
ontwikkelingsfase thuishoort en dat geen samenhangend beeld vormt.
Regressie in de ontwikkeling = Terugval in normaal ontwikkelingsverloop. Mijlpalen die behaald
waren, zijn nu verdwenen. Dit is altijd een reden om aan de bel te trekken.
Een kind met ontwikkelingsproblematiek wordt dus beschreven aan de hand van ‘atypisch(e)
gedrag/ontwikkeling’. Maar wat is dan normaal? Je moet je hierbij afvragen: wat is opvallend, wat
past bij de leeftijd en wat is het karakter? Bepaald gedrag dat lijkt op ontwikkelingsproblematiek
hoeft niet perse een signaal te zijn voor een afwijkende ontwikkeling, maar kan onderdeel zijn van
het doorlopen van een ontwikkelingstaak of het gevolg zijn van andere factoren die dat gedrag
veroorzaken.
Onderzoek naar ontwikkelingsproblematiek
Als er sprake is of lijkt te zijn van ontwikkelingsproblematiek moet er onderzoek gedaan worden om
te kijken naar wat er aan de hand is en welke oorzaken ten grondslag liggen.
Bij vroegsignalering/-herkenning is het doel om vroege signalen te herkennen die kunnen duiden op
ontwikkelingsproblematiek. Als deze signalen er zijn kun je over gaan op screening. Dit is het
systematisch uitvragen van kenmerken van ontwikkeling en het gedrag die passen bij een bepaald
klinisch beeld. Als er dan sprake is van ontwikkelingsproblematiek, kan er doorverwezen worden naar
een gespecialiseerd team die de diagnostiek gaat doen. Bij de diagnostiek breng je de sterkere en
zwakkere kanten van het functioneren zo goed mogelijk in kaart om zicht te krijgen op de
achtergrond van de problemen en om een behandelplan op maat te kunnen maken.
Vroegsignalering/-diagnostiek is belangrijk doordat er bij het jonge kind vaak meerdere
mogelijkheden zijn om de achterstand in te halen of te verkleinen, dan bij een ouder kind. Het is ook
belangrijk om duidelijkheid te krijgen over of het een achterstand is of een ontwikkelingsstoornis.
Het tijdig opsporen van stoornissen zorgt ervoor dat behandeling/begeleiding vroeg opgestart kan
worden. Vroegdiagnostiek is dus een startpunt om de ontwikkelingskansen optimaal te benutten.
Ook kunnen ouders dan zo vroeg mogelijk gesteund worden in het opvoedingsproces. Het dient als
geruststelling van de ouders en het verhogen van kennis en vaardigheden. De onzekerheid van
ouders wordt vervangen door houvast, ze kunnen hun eisen bijstellen en meer begrip tonen. Voor
het kind zorgt een diagnose ook voor meer begrip van de omgeving en een betere relatie met zijn
ouders.
Maar de vraag is of bepaalde diagnoses op jonge leeftijd al gesteld kunnen worden. Er zijn grote
verschillen in het verloop van de ontwikkeling; zowel tussen kinderen als binnen het kind. Ook zijn
ontwikkelingsdomeinen heel erg met elkaar verweven, waardoor problematiek lastig toe te wijzen is
aan een bepaald domein. Daarnaast is er het gevaar voor overdiagnostisering. En het geven van een
label is niet altijd iets positiefs (> kan op stigmatisering).
Jeugdgezondheidszorg (JGZ)
Vroegsignalering is het domein van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en één van hun kerntaken. Hierbij
wordt er gebruikgemaakt van richtlijnen. Een richtlijn is een document met aanbevelingen, die
gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van zorg. Het berust op systematische samenvattingen
van wetenschappelijk onderzoek en afwegingen van de voor- en nadelen van de verschillende
zorgopties, aangevuld met expertise en ervaringen van zorgprofessionals en zorggebruikers.
Een consultatiebureau verzorgt als onderdeel van de JGZ medische basiszorg en preventie bij alle
kinderen van 0 tot 4 jaar. De consultatie wordt uitgevoerd door een arts en een verpleegkundige. Een
van de taken is het vaccineren van baby's en peuters/kleuters. Verder algemene controle van
bijvoorbeeld heupen, indalen van testikels, ogen (scheelzien) en groei (lengte en gewicht). Daarnaast
wordt de ontwikkeling (kruipen, zitten, staan en lopen) gevolgd onder andere via het Van
Wiechenschema. De wijkverpleegkundige bespreekt daarnaast zaken als opvoeding.
3
, https://www.ncj.nl/van-wiechen/kenmerken/
Als er bij het consultatiebureau het vermoeden is dat er sprake is van ontwikkelingsproblematiek,
vindt er doorverwijzing plaats. Hierdoor is er samenwerking met verschillende instanties.
Multidisciplinaire teams zorgen voor goede schakels tussen vroegsignalering, integrale diagnostiek,
gezinsondersteuning en de afstemming van onderwijs en zorg. Deze multidisciplinaire teams zijn
belangrijk, doordat verschillende ontwikkelingsdomeinen met elkaar samenhangen. Zij kijken met
hun eigen bril en samen naar de casus. Hierdoor kan sneller de juiste weg naar de juiste diagnostiek
en interventie worden ingeslagen.
Dilemma’s in de praktijk
Het onderscheiden van ontwikkelingsstoornissen in de praktijk is niet zo eenvoudig. Stoornissen
kennen vaak een breed spectrum aan problemen en ontwikkelingsniveau. Daarnaast komen
stoornissen vaak samen met andere stoornissen voor (comorbiditeit). Ook spelen veranderingen van
het klinisch beeld in de ontwikkeling een rol. Tot slot zijn niet alle stoornissen even bekend.
Taalontwikkelingsstoornis (TOS)
TOS is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis van genetische oorsprong die gekenmerkt wordt
door een taalontwikkeling die beduidend achterblijft bij die van leeftijdgenoten, met inbegrip van de
normale interindividuele variaties daarin, binnen de regionale en sociale variëteit van de taal die het
kind aan het verwerven is. TOS kan voorkomen in zowel het taalbegrip als de taalproductie en in alle
aspecten en modaliteiten van taalvaardigheid. Een specifieke TOS staat op zichzelf; er is geen
duidelijke verklaring voor
Multidisciplinaire diagnostiek is noodzakelijk om de aard en ernst van de taalproblemen te kunnen
vaststellen en de juiste diagnose te kunnen stellen en de juiste behandeling in te kunnen zetten. Er is
minimaal één oordeel nodig over de taalvaardigheid, het gehoor en het algemeen functioneren van
het kind. Om de diagnose TOS te kunnen stellen, dienen andere oorzaken voor de taalproblemen van
het kind uitgesloten te worden (exclusiecriteria). Andere oorzaken kunnen zijn: gehoorverlies, lage
niet-verbale intelligentie, afwijkingen aan de spraakorganen, duidelijk aanwijsbare neurologische
afwijkingen, contactstoornis, extreme deprivatie of andere ongunstige taalaanbodsituatie
Kinderen met TOS worden ook wel gezien als domme kinderen en kinderen die gek praten, terwijl ze
een normale intelligentie hebben. Andere kinderen kunnen hen niet begrijpen of willen niet samen
spelen. Hierdoor heeft TOS ook gevolgen voor het sociaal-emotioneel functioneren.
Het is hierdoor van belang om TOS vroegtijdig te ontdekken, zodat er ook erkenning wordt voor de
taalproblemen. Zo kunnen bijkomende problemen zoveel mogelijk voorkomen worden en kan er
ingegrepen worden op de taalproblemen. Echter is het lastig om TOS te diagnosticeren op jonge
leeftijd. Veel symptomen passen ook bij andere stoornissen, zoals ASS.
De diagnose TOS kan worden gesteld bij kinderen vanaf 3 jaar. Tot de leeftijd van 3 jaar, of wanneer
er andere redenen zijn om terughoudend te zijn met de diagnose, spreken we van vermoedelijke
TOS.
Als een kind ouder is dan 4 jaar en er zijn geen ernstige problemen op andere gebieden, dan wordt
monodisciplinaire diagnostiek ingezet en eerst doorverwezen naar een logopedist. Problemen met
taalbegrip wijzen vaak op cognitieve achterstand, waardoor er dan wel multidisciplinaire diagnostiek
wordt ingezet.
Uitdagingen bij diagnostiek bij het jonge kind
Je bent altijd afhankelijk van de coöperatie. Soms heeft een kind geen zin om verder mee te werken,
waardoor je soms maar een halve test kunt afnemen. Je moet het kind bij de les weten te houden.
De motivatie van het kind speelt hierbij ook een rol. Ook neemt de energie van een kind snel af,
waardoor testen aan het eind van de dag vertekend kunnen zijn.
Sommige kinderen zijn bepaalde dingen niet gewend, zoals taakjes afnemen of contacten met
mensen. Ze hebben de ervaringen niet om te weten wat ze moeten doen.
4