Hoofdstuk 1: de klas als leefmilieu
Je legt uit wat de subjectieve onderwijstheorie is en geeft
voorbeelden van aspecten die je hebt geleerd die bijdragen
aan jouw eigen subjectieve onderwijstheorie.
Subjectieve onderwijstheorie komt uit het onderwijskunde en
verwijst naar de persoonlijke ideeën, overtuigingen en aannames die
iemand heeft over het leren en lesgeven. Het is eigenlijk je eigen
theorie over onderwijs gebaseerd op je ervaringen en niet per se op
wetenschappelijk onderzoek.
Je herkent de kenmerken van Doyle in een casus en
beargumenteert je keuze.
1. Multidimensionaliteit: veel dingen gebeuren tegelijkertijd
2. Gelijktijdigheid: gebeurtenissen overlappen elkaar
3. Onmiddellijkheid: gebeurtenissen gebeuren direct en snel
4. Onvoorspelbaarheid: je weet nooit precies hoe een les zal
verlopen.
5. Openbaarheid: alles wat er in de klas gebeurt, gebeurt in het
zicht van andere mensen.
6. Geschiedenis: een klas heeft een verleden.
Je legt uit hoe je als leerkracht het leerklimaat in een klas
kan bevorderen.
Je moet het leren bewust opbouwen en onderhouden. Dus je moet
ervoor zorgen dat de leerlingen zich veilig voelen, gemotiveerd zijn
en weten wat er van hen verwacht wordt. Een goed leerklimaat is
een belangrijke voorwaarde voor effectief leren.Een paar manieren:
1. Zorg voor duidelijk structuur en regels: stel duidelijke regels en
verwachtingen, wees consequent in je aanpak.
2. Bouw een positieve relatie op: toon interesse in je leerlingen,
luister actief.
3. Creëer een veilige sfeer: reageer positief op antwoorden ook al
zijn ze fout, voorkom uitlachen of negatief gedrag.
4. Zorg voor betrokkenheid: stel vragen, wissel de werkvormen
af.
5. Zelfkennis in het beroep
Je definieert beginsituatie.
, De beginsituatie is het geheel van kenmerken die verwijzen naar
zowel de leerling, de klasgroep, de leerkracht, het leerkrachtenteam,
de school, het thuismilieu als de brede omgeving.
Je benoemt de onderdelen van de beginsituatie en geeft
voorbeelden per onderdeel.
1. Leerlingenkenmerken: individuele leerling
a. Voorkennis
b. Cognitieve vaardigheden: vaardigheden om informatie te
verwerken
c. Affectieve vaardigheden: vaardigheden om gevoelens te
verwerken
d. Metacognitieve vaardigheden: vaardigheden om eigen
denken, handelen en leren te organiseren.
2. Onderwijskenmerken: leraar en klasgroep
a. Kenmerken leraar: persoonlijkheidskenmerken
b. Kenmerken onderwijs: thematisch/ projectmatig
onderwijs.
c. Kenmerken klasgroep: groepering leerlingen,
samenstelling (heterogeen en homogeen) en klasklimaat
3. Omgevingskenmerken: omgeving
a. Alles wat invloed heeft op de beginsituatie naast de
leerlingenkenmerken en onderwijskenmerken. BV:
werken in de omgeving, actualiteit.
Je benoemt de aspecten van taalontwikkelend lesgeven.
3 pijlers
1. Context: je zorgt ervoor dat de leerstof in een herkenbare of
concrete situatie wordt geplaatst. VB: je laat een reclame zien
waar er procent op staat.
2. Interactie: de leerlingen gaan leren door met elkaar in gesprek
te gaan. VB; laat de leerlingen uitleggen hoe ze in een duo de
som hebben opgelost.
3. Taalsteun: Je helpt de leerlingen met de taal die ze nodig
hebben om te leren. VB: je zegt zinnen zoals: Ik denk dat …
omdat …
Je kan concrete voorbeelden geven van taalgroeimiddelen.
Leerkrachten vaardigheden:
1. Taalaanbod: dit is de taal die jij aanbied als leraar. VB: tijdens
een les zeg je niet alleen dit is een plant maar deze plant
, neemt water op via de wortels en zet dat om in
voedingstoffen.
2. Taalruimte: leerlingen moeten zelf spreken en schrijven. VB: je
laat de leerlingen in groepjes uitleggen hoe de waterkringloop
werkt en je zorgt ervoor dat iedereen iets zegt.
3. Feedback: je reageert op wat de leerlingen zeggen of
schrijven, en helpt hen verbeteren. VB: de plant drinkt water
en je zegt goed hoor hoe je het zegt maar probeer de
volgende keer te zeggen de plant neemt water op.
Je past taalontwikkelend lesgeven toe (opdracht).
Hoofdstuk 2: visies op leren en instructie
Algemene Leerdoelen
De student kan de kernprincipes van behaviorisme,
cognitivisme en constructivisme beschrijven en toepassen op
een onderwijssituatie.
Basisprincipes behaviorisme:
a. Leren= verandering gedrag door stimulatie- respons
associaties
b. Gedrag gevormd door beloning en straf
c. De interne gedachten van de leerling spelen geen rol
d. Herhaling en oefening zijn essentieel
Basisprincipes cognitivisme:
a. Leren: verwerken en opslaan van informatie
b. De hersenen werken als een soort informatie-verwerkend systeem
c. Aandacht, geheugen en voorkennis zijn cruciaal
d. Instructie, moet gestructureerd en duidelijk zijn
Basisprincipes constructivisme:
a. Leren: actief construeren van kennis op basis van ervaringen
b. Voorkennis speelt een grote rol bij het begrijpen van nieuwe info
c. Leren is vaak sociaal en contextgebonden
d. De leraar is een begeleider, geen kennisoverdrager.
De student kan de impact van verschillende leertheorieën
analyseren op het ontwerpen van didactische strategieën.
, Strategie behaviorisme:
a. Oefenreeksen doen (bv: tafels inoefenen)
b. Multiple-choice toetsen
c. Belongingssystemen (punten, stickers)
Strategie cognitivisme:
d. Mindmaps en conceptschema’s
e. Hardop denken ( mondeling door de leerkracht)
f. Geleid oefenen met feedback
Strategie constructivisme:
g. Projectonderwijs
h. Probleemgestuurd leren
i. Groepswerk en discussies
De student kan reflecteren op zijn eigen onderwijspraktijk en
onderbouwen welke leertheorieën hierin zichtbaar zijn.
Behaviorisme
De student kan uitleggen hoe klassieke en operante
conditionering werken en hiervan voorbeelden geven uit de
onderwijspraktijk.
Klassieke conditionering bestaat uit:
a. Ongeconditioneerde stimulus: In het begin was de
ongeconditioneerde stimulus het voedsel, dat automatisch een
natuurlijke reactie bij de hond opwekte.
b. Ongeconditioneerde respons: De natuurlijke selectie van de
hond, het kwijlen, was een ongeconditioneerde respons op het
zien en ruiken van het voedsel.
c. Neutrale stimulus: dit was een geluid, zoals een bel, dat op
zichzelf geen natuurlijke reactie van speekselproductie
veroorzaakte bij de hond.
d. Conditioneringsproces: Gedurende een aantal sessies had de
bel geen effect op de speekselproductie ma na herhaling en
koppelen van het voedsel begon de hond te kwijlen bij het
horen van de bel zelf zonder voedsel.
e. Geconditioneerde stimulus: Uiteindelijk werd het geluid van de
bel geconditioneerde stimulus, omdat het betrouwbaar de
speekselproductie opwekte.
f. Geconditioneerde respons: De reactie van de hond op de bel,
het kwijlen, werd nu een geconditioneerde respons. Deze