Pedagogiek als wetenschap
Komt uit: oude Griekenland -> pedagogie = kinderleiding
Nu wetenschappelijke studie of theorie v. opvoeding
Pedagogisch handelen = opvoedkundig handelen -> leerkracht, ouders, grootouders =
iedereen die bezig is met opvoeding
Opvoeden = complex gebeurt met waarden & normen ( = bij iedereen anders )
DUS: vereenvoudigd naar model -> pedagogisch model REDEN? Meer begrip krijgen
complexe werkelijkheid
WANT: vaak onvoorziene situaties: kind rent de klas uit, duwt ander kind omver, … -> als
leerkracht gepast op kunnen reageren
3 principes ( als je gaat opvoeden of in klas staat ):
1) Onmiddellijk ageren = onmiddellijk reageren -> bv. Kind trekt potlood uit ander kind
zijn hand = direct reageren op situatie WANT: kan niet bevriezen en eerst
mogelijkheden bedenken
2) Je kan niet ‘niet ageren’
Psychologische basisbehoeften (3):
- Verbondenheid
- Competentie ( iets kunnen )
- Autonomie ( zelfstandig )
Vanuit basisbehoeften: een vraag stellen
- Voorbeeld Salim:
1
,Optie 1 handelen: bv. Salim is zich aan het inzetten, dus leerkracht loopt langs bank en gaat
handelen ( zegt ‘goed bezig Salim ) -> door positieve reactie: gemotiveerd verder doen +
gaat dit vaker doen
Optie 2 niet handelen: bv. Hij zet zich in, maar leerkracht reageert niet omdat: klas rustig wil
houden, dit kan voor hem betekenen ‘de juf is niet geïnteresseerd in wat ik doe’
Conclusie: Je geeft bij beiden situaties een reactie zowel als je WEL & NIET reageert,
je kan dus niet ‘niet’ reageren
- Voorbeeld meningsverschil:
Optie 1: je gaat gaan handelen en gaat het samen met hun praten
Maar: kan ook bewust niet handelen ( optie 2 )
Optie 2: Je laat hun het meningsverschil zelf laten uitklaren -> je gelooft/vertrouwt in hun
competenties
3) Aangepast aan DAT kind op DAT moment ---------------------------
Elk kind is uniek & moet op andere manier aangepakt worden
Bv. Als kind naar buiten kijkt = niet meteen boos worden Je weet niet wat er afspeelt bv. ’s
Ochtends iets gebeurd ( in de war )
Wat de ene dag voor het kind werkt, werkt de andere dag misschien niet
DUS: flexibel zijn & nadenken wat het kind voelt op dat moment -> daarop inspelen =
gemotiveerd blijven
Pedagogisch/opvoedkundig handelen = handelen rekening houdend met inzichten uit
opvoedkunde pedagogiek
Model zorgt: dat we complexe realiteit gaan vereenvoudigen -> dit door het model
Hierdoor: meer begrip en bewuster gaan handelen = hoe goed reageren op kinderen
VANBUITEN KENNEN! : woorden kennen waar ze staan + waarom
COMPONENTEN V/H PEDAGOGISCH HANDELEN:
2
, Centraal: het kind
Rode cirkel: ( psychologische
basisbehoeften) autonomie,
competentie, verbondenheid
Blauwe cirkel ( leerkracht ): waarderen,
vertrouwen, uitdagen, ondersteunen
Gele cirkel: ( actoren ): thuiscontext,
leerkracht, school, buurt, peergroup
Witte cirkel: maatschappij – en
mensbeeld
EXTRA uitleg model:
- Kind stelt vraag vanuit 3 psychologische behoeften -> leerkracht reageren op basis
van 4 begrippen blauwe begrippen
- Pijltjes in verschillende richtingen betekenis: als het kind beweegt, begint de rest te
bewegen -> zijn verbonden met elkaar ( hangen samen ) : als het ene beweegt,
beweegt het andere
Ook: pedagogisch model = ontwikkelingsproces -> kind stuk voor stuk uitbloeien
1.1 HET KIND EN ZIJN PSYCHOLOGISCHE BASISBEHOEFTEN
door model: veilige onderwijsleersituatie voor kind -> ontwikkelingsmogelijkheden ( cognitief,
motorisch, sociaal, … ) = tot uiting komen -> elk kind is uniek
Elk kind heeft 3 psychologische basisbehoeften
Deze:
- Niet hiërarchisch geordend -> staan allemaal naast elkaar
De 3 behoeften:
1. Verbondenheid = ik hoor erbij
Behoefte aan warme/hechte band met
leerkracht/klasgenoten
2. Competentie = ik kan het
op zoek naar iets dat hij/zij goed kan/ iets leren ( wil iets
goed kunnen )
dus als leerkracht: zelfvertrouwen stimuleren = meer hun
best doen
3. Autonomie = ik kan het zelf
wil zoveel mogelijk zelf doen, niet altijd gestuurd worden
door iemand anders
3
, dus als leerkracht: opdrachten geven waar kind: zelf keuzes kan maken
1.2. EEN PEDAGOGISCH ANTWOORD: DE BASISHOUDINGEN V/D
LEERKRACHT
= antwoorden die jij geef als leerkracht, op ‘vragen’ die leerling stelt
Vanuit:
a) Waarderen ( onvoorwaardelijk accepteren )
Waarderen = op waarde schatten -> kind serieus nemen, kwaliteiten
erkennen
Het kind accepteren met al zijn kenmerken: wat het kan en doet (
niet hetzelfde als: slecht gedrag accepteren )
Bv. Verbondenheid: leerling zoekt naar verbondenheid, leerkracht
reageren door waarderen -> duim opsteken, tonen dat kind welkom
is
b) Ondersteunen
Een helpende hand, wereld rondom met vertrouwen verkennen
DOOR: bevestiging = vertrouwen in zichzelf krijgen
Bv. Wil een oefening kunnen, maar ook iets bijleren. Leerkracht gaat kind ondersteunen
c) Vertrouwen
Kind laten ervaren: dat je in hem gelooft -> niet voortdurend controleren MAAR loslaten =
ontdekkingsproces vrije loop
Bv. Fouten maken mag
d) Uitdagen
Houdt in:
- Kind activeren
- Op verkenning laten gaan
- Laten ervaren & ontdekken
Hierdoor: kind geleidelijk weten wat hun talenten zijn
Bv. Wil een oefening kunnen, maar ook iets bijleren. Leerkracht gaat kind uitdagen,
oefeningen binnen eigen zone ( moeilijkheidsgraad ) geven.
4