Alle aantekeningen Ontwikkelingspsychologie
Aantekeningen college 1 – H1 + H2 + H3
Voorbereidende opdracht behorende bij college 1 – 7 september 2020
Beantwoord de volgende vragen naar eigen inzicht en houd jouw antwoorden in het achterhoofd bij
het bekijken van het college van 7 september:
1. Waar denk jij aan bij het begrip ontwikkelingspsychologie?
Verandering die optreden tijdens het leven en de processen die leiden tot de verandering.
2. Hoe zou jij het begrip ‘ontwikkeling’ omschrijven?
Verandering in gedrag, denkwijze, aanpak
Aanpassen naar aanleiding van een ervaring/ gebeurtenis
3. Waarom is ontwikkelingspsychologie belangrijk voor een (ortho)pedagoog en/of
onderwijskundige?
Zo kun je beter begrijpen hoe en waarom een verandering in bijv. gedrag is opgetreden. Hoe zijn
de problemen ontstaan?
Ontwikkeling is pas ontwikkeling als de verandering relatief blijvend of onomkeerbaar is en als er een
reeks van opeenvolgorde veranderingen is.
Een ontwikkeling is multi-directioneel. Het kan zowel een vooruitgang zijn, als een achteruitgang.
Ontwikkeling is een proces → opeen volgende reeks van veranderingen, door de tijd heen → een
kindje dat leert lopen
Ontwikkeling speelt zich af op verschillende terreinen zoals
- Fysiek
- Cognitief
- Sociaal
- Emotioneel
Waarbij de ontwikkelingen binnen deze verschillende terreinen met elkaar in verband staan en
elkaar beïnvloeden. Ze werken samen en spelen op elkaar in. Het werkt niet altijd 1 : 1
Je kunt ontwikkeling niet alleen begrijpen door te kijken naar biologische factoren of alleen naar
omgevingsfactoren. Er is altijd een interactie tussen de verschillende factoren.
Daarnaast heb je temporele invloeden:
- Normatief leeftijdsgebonden (motoriek, taal) (kindertijd)
Ze zijn leeftijdsgebonden en dan biologisch of sociale factoren
Ze komen dan voor bij individuen met dezelfde leeftijd in eenzelfde cultuur
Halen van een rijbewijs in een westerse cultuur rond de leeftijd van 18 jaar of het optreden
van de menstruatie in de westerse cultuur rond de leeftijd van 12 jaar.
- Normatief historische invloeden (cohort) (adolescentie)
Bijvoorbeeld een oorlog, opkomst van internet, epidemie; een bepaalde generatie heeft er
mee te maken gehad
- Niet-normatieve invloeden (persoonsgebonden)
Ongeluk, scheiding van de ouders, winnen van een loterij etc.
Invloeden op de ontwikkeling, die niet voor elk individu plaatsvinden in een bepaalde
leeftijdscategorie
1
,Normatief = veelvoorkomend
Hoe vergaren ontwikkelingspsychologen nieuwe kennis?
Dit doen ze door behulp van de wetenschappelijke methode:
1. Een hypothese ontwikkelen
2. Objectieve data verzamelen
3. De resultaten analyseren
4. De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Experimenteel onderzoek is de meeste ideale manier om data te verzamelen. Je kunt dan namelijk
goed de oorzaken en gevolgen vaststellen.
Hierbij heb je twee groepen, waarbij je bij de ene groep een verandering aanbrengt en bij de andere
groep niet. Zo kun je kijken of die verandering een bepaald gevolg oplevert. De experiment groep en
de controle groepen moeten dan wel gelijke groepen zijn (bijv. qua leeftijden, geslacht etc.)
o Voorbeeld: Er wordt onderzocht of de tijd dat een kind doorbrengt direct na de geboorte met de
moeder, invloed heeft op de moeder-kind relatie. Hierbij wordt een groep baby’s na 10 minuten
weggehaald en blijft de andere groep baby’s langer bij de moeder.
Een probleem hierbij kan zijn dat het experiment niet ethisch verantwoord is. Hierdoor wordt er vaak
overgestapt op correlationeel onderzoek. Bestaat er een verband tussen twee variabelen? Je weet
dan na zo’n onderzoek niet of het oorzaak-gevolg is, maar wel of er een verband bestaat.
o Voorbeeld: De tijd dat een pasgeboren baby doorbrengt met de moeder wordt gemeten en de
moeder-kind relatie wordt gemeten. Bestaat er een verband tussen de twee gemeten
variabelen?
Onderzoekdesigns:
Bij een longitudinaal onderzoek meet je meerdere malen bij dezelfde ‘proefpersonen’ door de tijd
heen.
Struikelblokken hierbij zijn:
- Het kost veel tijd en geld
- Er vindt altijd een soort selectie plaats; mensen willen niet meer meedoen en verhuizen waardoor
je geen contactgegevens meer hebt
- Test-wise; kinderen leren hoe de test wordt afgenomen, ze leren wat ze moeten doen
Bij cross-sectioneel onderzoek neem je bijvoorbeeld een groep 3-jarigen, 4-jarigen en 5-jarigen
2
,Je kunt dan niets zeggen over het individu, alleen over een groep. Dus de 5-jarigen doen het beter
dan de 4-jarigen. Maar je weet niet of de 5-jarigen op 4-jarige leeftijd het beter had gedaan dan de
groep 4-jarigen.
Bij cross-sequentieel onderzoek combineer je longitudinaal onderzoek met cross-sectioneel
onderzoek. Hierbij gebruik je verschillende leeftijdsgroepen, maar elke groep wordt ook weer op een
later tijdstip getest. Bijvoorbeeld de groep 3-jarigen worden ook getest als ze 3,5 jaar zijn. Maar je
laat ook een nieuwe 3,5 jarige instromen. Hierdoor kan je de test-wise eruit halen.
3
, Aantekeningen college 2 – H5 blz. 95-115
Het ontstaan van deze geslachtcellen gebeurt door meiose. Gedurende de meiose vindt crossing
over plaats. Hierbij worden vergelijkbare stukken chromosoom van plaats gewisseld. Dit zorgt voor
een grote diversiteit aan DNA dat een kindje kan krijgen.
1. De chromosomen worden verdubbeld.
2. Er vindt crossing over plaats.
3. De chromosomen worden uit elkaar getrokken; de dubbele gaan elk naar een andere kant. Ze
vormen 2 cellen met 46 chromosomen
4. De chromosomen worden nog een keer uit elkaar getrokken. Hierdoor houd je 4 cellen met 23
chromosomen over. Bij de vrouw houd je dan 1 eicel over en bij de man worden alle 4 de cellen
en spermacel.
Het leven begint bij de versmelting van een eicel (ovum) en een spermacel (gameten =
geslachtscellen). Beide cellen bevatten 23 chromosomen. Tijdens de sexual reproduction komen de
eicel en de spermacel samen, zodat ze samen weer een complete set van 46 chromosomen vormen
(deze cel heet een zygote). De zygote gaat zich vermeerderen door het proces van mitose en groeit
zo uit tot een baby.
1. De chromosomen worden verdubbeld
2. De chromosomen worden uit elkaar getrokken; de dubbele gaan elk naar een andere kant.
3. De cel deelt in tweeën en beide cellen hebben nu weer 46 chromosomen.
De zygote verplaatst zich vanuit de eileider naar de baarmoeder, waar het zich gaat hechten.
Eeneiige tweelingen zijn genetisch 100% gelijk. Zij zijn monozygoot, ze zijn ontstaan uit één
bevruchte eicel.
4
Aantekeningen college 1 – H1 + H2 + H3
Voorbereidende opdracht behorende bij college 1 – 7 september 2020
Beantwoord de volgende vragen naar eigen inzicht en houd jouw antwoorden in het achterhoofd bij
het bekijken van het college van 7 september:
1. Waar denk jij aan bij het begrip ontwikkelingspsychologie?
Verandering die optreden tijdens het leven en de processen die leiden tot de verandering.
2. Hoe zou jij het begrip ‘ontwikkeling’ omschrijven?
Verandering in gedrag, denkwijze, aanpak
Aanpassen naar aanleiding van een ervaring/ gebeurtenis
3. Waarom is ontwikkelingspsychologie belangrijk voor een (ortho)pedagoog en/of
onderwijskundige?
Zo kun je beter begrijpen hoe en waarom een verandering in bijv. gedrag is opgetreden. Hoe zijn
de problemen ontstaan?
Ontwikkeling is pas ontwikkeling als de verandering relatief blijvend of onomkeerbaar is en als er een
reeks van opeenvolgorde veranderingen is.
Een ontwikkeling is multi-directioneel. Het kan zowel een vooruitgang zijn, als een achteruitgang.
Ontwikkeling is een proces → opeen volgende reeks van veranderingen, door de tijd heen → een
kindje dat leert lopen
Ontwikkeling speelt zich af op verschillende terreinen zoals
- Fysiek
- Cognitief
- Sociaal
- Emotioneel
Waarbij de ontwikkelingen binnen deze verschillende terreinen met elkaar in verband staan en
elkaar beïnvloeden. Ze werken samen en spelen op elkaar in. Het werkt niet altijd 1 : 1
Je kunt ontwikkeling niet alleen begrijpen door te kijken naar biologische factoren of alleen naar
omgevingsfactoren. Er is altijd een interactie tussen de verschillende factoren.
Daarnaast heb je temporele invloeden:
- Normatief leeftijdsgebonden (motoriek, taal) (kindertijd)
Ze zijn leeftijdsgebonden en dan biologisch of sociale factoren
Ze komen dan voor bij individuen met dezelfde leeftijd in eenzelfde cultuur
Halen van een rijbewijs in een westerse cultuur rond de leeftijd van 18 jaar of het optreden
van de menstruatie in de westerse cultuur rond de leeftijd van 12 jaar.
- Normatief historische invloeden (cohort) (adolescentie)
Bijvoorbeeld een oorlog, opkomst van internet, epidemie; een bepaalde generatie heeft er
mee te maken gehad
- Niet-normatieve invloeden (persoonsgebonden)
Ongeluk, scheiding van de ouders, winnen van een loterij etc.
Invloeden op de ontwikkeling, die niet voor elk individu plaatsvinden in een bepaalde
leeftijdscategorie
1
,Normatief = veelvoorkomend
Hoe vergaren ontwikkelingspsychologen nieuwe kennis?
Dit doen ze door behulp van de wetenschappelijke methode:
1. Een hypothese ontwikkelen
2. Objectieve data verzamelen
3. De resultaten analyseren
4. De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Experimenteel onderzoek is de meeste ideale manier om data te verzamelen. Je kunt dan namelijk
goed de oorzaken en gevolgen vaststellen.
Hierbij heb je twee groepen, waarbij je bij de ene groep een verandering aanbrengt en bij de andere
groep niet. Zo kun je kijken of die verandering een bepaald gevolg oplevert. De experiment groep en
de controle groepen moeten dan wel gelijke groepen zijn (bijv. qua leeftijden, geslacht etc.)
o Voorbeeld: Er wordt onderzocht of de tijd dat een kind doorbrengt direct na de geboorte met de
moeder, invloed heeft op de moeder-kind relatie. Hierbij wordt een groep baby’s na 10 minuten
weggehaald en blijft de andere groep baby’s langer bij de moeder.
Een probleem hierbij kan zijn dat het experiment niet ethisch verantwoord is. Hierdoor wordt er vaak
overgestapt op correlationeel onderzoek. Bestaat er een verband tussen twee variabelen? Je weet
dan na zo’n onderzoek niet of het oorzaak-gevolg is, maar wel of er een verband bestaat.
o Voorbeeld: De tijd dat een pasgeboren baby doorbrengt met de moeder wordt gemeten en de
moeder-kind relatie wordt gemeten. Bestaat er een verband tussen de twee gemeten
variabelen?
Onderzoekdesigns:
Bij een longitudinaal onderzoek meet je meerdere malen bij dezelfde ‘proefpersonen’ door de tijd
heen.
Struikelblokken hierbij zijn:
- Het kost veel tijd en geld
- Er vindt altijd een soort selectie plaats; mensen willen niet meer meedoen en verhuizen waardoor
je geen contactgegevens meer hebt
- Test-wise; kinderen leren hoe de test wordt afgenomen, ze leren wat ze moeten doen
Bij cross-sectioneel onderzoek neem je bijvoorbeeld een groep 3-jarigen, 4-jarigen en 5-jarigen
2
,Je kunt dan niets zeggen over het individu, alleen over een groep. Dus de 5-jarigen doen het beter
dan de 4-jarigen. Maar je weet niet of de 5-jarigen op 4-jarige leeftijd het beter had gedaan dan de
groep 4-jarigen.
Bij cross-sequentieel onderzoek combineer je longitudinaal onderzoek met cross-sectioneel
onderzoek. Hierbij gebruik je verschillende leeftijdsgroepen, maar elke groep wordt ook weer op een
later tijdstip getest. Bijvoorbeeld de groep 3-jarigen worden ook getest als ze 3,5 jaar zijn. Maar je
laat ook een nieuwe 3,5 jarige instromen. Hierdoor kan je de test-wise eruit halen.
3
, Aantekeningen college 2 – H5 blz. 95-115
Het ontstaan van deze geslachtcellen gebeurt door meiose. Gedurende de meiose vindt crossing
over plaats. Hierbij worden vergelijkbare stukken chromosoom van plaats gewisseld. Dit zorgt voor
een grote diversiteit aan DNA dat een kindje kan krijgen.
1. De chromosomen worden verdubbeld.
2. Er vindt crossing over plaats.
3. De chromosomen worden uit elkaar getrokken; de dubbele gaan elk naar een andere kant. Ze
vormen 2 cellen met 46 chromosomen
4. De chromosomen worden nog een keer uit elkaar getrokken. Hierdoor houd je 4 cellen met 23
chromosomen over. Bij de vrouw houd je dan 1 eicel over en bij de man worden alle 4 de cellen
en spermacel.
Het leven begint bij de versmelting van een eicel (ovum) en een spermacel (gameten =
geslachtscellen). Beide cellen bevatten 23 chromosomen. Tijdens de sexual reproduction komen de
eicel en de spermacel samen, zodat ze samen weer een complete set van 46 chromosomen vormen
(deze cel heet een zygote). De zygote gaat zich vermeerderen door het proces van mitose en groeit
zo uit tot een baby.
1. De chromosomen worden verdubbeld
2. De chromosomen worden uit elkaar getrokken; de dubbele gaan elk naar een andere kant.
3. De cel deelt in tweeën en beide cellen hebben nu weer 46 chromosomen.
De zygote verplaatst zich vanuit de eileider naar de baarmoeder, waar het zich gaat hechten.
Eeneiige tweelingen zijn genetisch 100% gelijk. Zij zijn monozygoot, ze zijn ontstaan uit één
bevruchte eicel.
4