Hoofdstuk 1 (les 1): criminologie als ‘een huis met vele kamers’.............4
1. Het materiële voorwerp van de criminologie: ‘criminaliteit’?............4
2. Het formele voorwerp van de criminologie........................................7
3. De criminologie als zelfstandige discipline?......................................7
Hoofdstuk 2 (les 2): Inleiding tot de wetenschapsfilosofie........................9
1. Assumptie over kennis.......................................................................9
2. Paradigmata in de criminologie (en andere sociale wetenschappen)
.............................................................................................................11
3. Conclusie.........................................................................................12
Hoofdstuk 3 (les 3): Gegevensbronnen voor criminologen.....................13
1. Historische achtergrond...................................................................13
2. Officiële criminaliteitscijfers.............................................................14
3. Zelfrapportages...............................................................................16
4. Slachtofferenquêtes.........................................................................17
Hoofdstuk 4 (les 4): Veelvoorkomende criminaliteit...............................20
1. Kernbegrippen en definities.............................................................20
2. Belgische cijfers en trends...............................................................21
3. Internationale en historische trends................................................24
Hoofdstuk 5 & 6 (les 5): Georganiseerde misdaad en
organisatiecriminaliteit...........................................................................25
1. Georganiseerde misdaad.................................................................26
2. Organisatiecriminaliteit...................................................................30
3. Conclusies........................................................................................31
Hoofdstuk 7 (les 6): Constructie van criminaliteit in de media...............32
Inleiding...............................................................................................32
1. Criminaliteit in de media..................................................................33
2. Oorzaken van representatie van criminaliteit in de media..............34
3. Beïnvloeding van media op ons gedrag en attitudes.......................35
4. Gevolgen van representatie van criminaliteit in de media..............36
Hoofdstuk 8 & 9 & 10 (les 7): Kwantitatief onderzoek............................37
1. Problemen bij criminologisch onderzoek.........................................37
2. Kenmerken van positivistisch onderzoek.........................................38
1
, 3 . Kwantitatief onderzoeksjargon.......................................................40
Hoofdstuk 11 (les 8): Kwalitatief onderzoek & de vergelijking tussen kwal
en kwant onderzoek................................................................................42
1. Kritiek op kwantitatief onderzoek....................................................42
2. Voorbeeld en definitie van kwalitatief onderzoek............................43
3. Kwalitatief onderzoek: types en methoden.....................................43
4. Vergelijking kwalitatief en kwantitatief onderzoek..........................46
Hoofdstuk 12 & 13 (les 9): Ontstaan van de criminologie in Europa: de
klassieke school en de eerste positivisten 5...........................................49
Inleiding...............................................................................................49
1. Het klassieke paradigma.................................................................49
2. Het ontstaan van het positivisme in de criminologie.......................50
3. Institutionalisering van de criminologie in België en in Europa.......54
4. Conclusie.........................................................................................54
Hoofdstuk 13 & 14 (les 10): Het vroege en moderne sociologische
positivisme..............................................................................................55
1. De zogenaamde ‘Franse school’ en Emil Durkheim.........................55
2. Het moderne sociologische positivisme...........................................56
3. Drie uitdagingen voor het sociologische positivisme.......................59
4. Conclusie.........................................................................................60
Hoofdstuk 15 & 16 (les 11): De labelingbenadering en de kritische
criminologie............................................................................................61
1. De labelingbenadering.....................................................................61
2. Kritische stromingen........................................................................63
3. Conclusies........................................................................................68
Hoofdstuk 17 & 19 (les 12): De neoklassieke criminologie en het
moderne en hedendaagse biologische positivisme................................69
1. Neoklassieke stromingen en theorieën............................................69
2. Moderne en hedendaagse biologisch positivisme............................73
3. Conclusie.........................................................................................75
Hoofdstuk 18 & 20 (les 13): Het psychologische positivisme en nieuwe
tendensen in de criminologie..................................................................76
1. Moderne en hedendaagse psychologische positivisme...................76
2. Nieuwe tendensen...........................................................................80
2
, 3. Besluit van deel 3............................................................................82
Hoofdstuk 21 & 23 (les 14): Van de mechanische toepassing van het
strafrecht naar het criminaliteits- en veiligheidsbeleid...........................82
1. Centrale begrippen..........................................................................82
2. Het strafrecht doorheen de tijd........................................................83
3. De doelen en effectiviteit van bestraffing........................................86
4. De uitbreiding van het criminaliteits- en veiligheidsbeleid..............89
5. Conclusie.........................................................................................92
Hoofdstuk 24 & 25 (les 15): Politie en het criminaliteitsbeleid in de
praktijk in België en elders.....................................................................93
1. Politie...............................................................................................93
2. Strafrechtsbedeling en criminaliteitsbeleid in praktijk.....................99
3. Conclusie.......................................................................................104
Hoofdstuk 26 & 27 (les 16): Criminaliteitspreventie en herstelrecht....105
1. Criminaliteitspreventie..................................................................105
2. Herstelrecht...................................................................................111
3
,Hoofdstuk 1 (les 1): criminologie als ‘een huis met vele
kamers’
Materieel voorwerp: onderwerp/studiematerie van de wetenschappelijke analyse of
wetenschapsoefening
Formeel voorwerp: wijze waarop wetenschap wordt bedreven (methode en daarmee
samenhangende theorie)
Wetenschap kan slecht discipline genoemd worden als die eigen materieel en formeel
voorwerp heeft
1. Het materiële voorwerp van de criminologie: ‘criminaliteit’?
Garland: 2 hoofdkenmerken
Empirisch gegronde, wetenschappelijke aanpak
Door de staat gedefinieerde criminaliteit (focus op criminaliteit)
Goethals: 3 hoofdthema’s
Onderzoek naar criminaliteit/daders, onveiligheid, hun oorzaken en gevolgen
o Fenomenen criminaliteit fenomenologie + sociaal-structurele en aan
individu geboneden kenmerken
Onderzoek naar de processen van de (de-)criminalisering
o Processen van benoeming criminaliteit
Onderzoek naar het criminaliteitsbeleid en maatschappelijke reacties erop
o Hoe samenleving reageert via preventie, repressie, bestraffing en nazorg
Criminologie bestudeert criminaliteit en reactie erop
1.1 Criminaliteit in wezen betwist?
Wat is criminaliteit? geen exacte definitie
Veel debat tussen criminologen en strafjuristen ‘criminologen zijn interesse in
concept ‘criminaliteit’ verloren “criminaliteit terug op criminologische agenda
plaatsen”
In wezen betwist = begrip dat niet eenduidig te definiëren is, maar juist eindeloze
debatten oproept over juiste interpretatie en toepassing, omdat de kern ervan niet
vaststaat
Gallie: termen waarover geen consensus bestaat omdat ze normatief en complex zijn
(essentially contested)
Normativiteit = norm stellen, aangeven hoe iets zou moeten zijn of gebeuren
o Hedendaagse samenleving: ‘criminaliteit’ als term gebruikt om
wantrouwen en afkeuring uit te drukken
Normativiteit van concept kan niet genegeerd worden
4
, o Bottoms: concept zelf (en type strafrechtsbedeling dat sml.
voortbrengt) moet noodzakelijkerwijs voortvloeien uit politieke en
morele keuzes
Complexe karakter:
o Juridische, criminologische, politieke en andere maatschappelijke
opvattingen
o Morele perspectieven, media-beeld van criminaliteit
o allemaal andere voorstellingen
1.2 De legalistische definities van criminaliteit, de beperkingen ervan en
de constructivistische reacties erop
Legalistische definities: ‘anker’ op mechanische wijze
Criminaliteit = inbreuk op de strafwet(ten)
Gedrag dat door strafwetboek en andere strafwetten strafbaar wordt gesteld
Verschillende definities:
Oxford Dictionary: een daad of nalatigheid die wordt beschouwd als een misdrijf
dat wordt bestraft via het strafrecht
Tappans: opzettelijke daad of omissie die in strijd is met de strafwet en werd
gepleegd zonder dat er sprake is van zelfverdediging of andere
verschoningsgronden
Voordeel van helderheid, MAAR voldoen niet
Gaan niet dieper in op ware aard van crim, geeft enkel aan dat misdrijf een
misdrijf is omdat strafrecht dit zo vooropstelt = formaliteit, formele definities
Dynamisch karakter: verschillen over tijd en ruimte
o Gedragingen kunnen gecriminaliseerd en gedecriminaliseerd worden
o Elk land heeft eigen definities (vb.: cannabis)
Niet steeds duidelijk
o Dezelfde feiten kunnen zowel via strafrechtelijke als burgerrechtelijke
procedure behandeld worden
o Gedrag kan tegelijkertijd crimineel zijn en in strijd met burgerlijk recht
Neiging om schadelijke activiteiten van ‘machtigen’ te verwaarlozen of negeren
Bestraft soms gedragingen die voordelig kunnen zijn voor sociale vooruitgang (vb.:
Martin Luther King)
TOCH vertrekken vele criminologische theorieën en analyses vaak vanuit legalistische
definities
Constructivistische opvattingen:
Hulsman: criminaliteit kent geen ontologische realiteit
o Crim ligt niet aan basis van strafrechtelijk beleid maar is er product van
Legalistische definities als variabel product van historisch constructieproces
Sutherland’s definitie: the study of the process of law-making, law-breaking and
law-enforcing (wetgeving, wetsovertreding en wetshandhaving)
o Te breed: geen onderscheid tussen strafrecht en andere rechtstakken
o Te smal: geen aandacht voor informele/privé maatschappelijke reacties
Constructivisme bevat kern van waarheid: het is onmogelijk om natuurlijke of
sociale wereld te bestuderen zonder concepten of theorie te gebruiken
5
,Postmodernisten: extreme constructivisten die risico lopen om in relativisme &
nihilisme te vervallen
Nadruk op discursieve creatie van crim
Geen grote, ‘universele’ waarheden, maar enkel ‘kleine’, ‘persoonlijke’ waarheden
= percepties gevormd door iemands culturele en sociale achtergrond
Foucault: bestraffing als symbolische uiting van machtsregels waarbij sommige
gedragingen wel en andere niet als ‘crimineel’ zijn bestempeld
‘concept crim is gebaseerd op meningen’ niet toetsbaar, niet meer
wetenschappelijk
Zelfs in herziene, constructivistische gedaante biedt de legalistische benadering te weinig
houvast:
Snelle tempo waarin jurisdicties nieuwe strafbaarstellingen uitvaardigen
onduidelijkheden
Stuntz: strafrecht bevat 2 wezenlijke verschillen
o Klein aantal ‘kernmisdrijven’ (vb.: diefstal, fraude, moord, …)
o Al de rest (per jaar worden heel veel nieuwe misdrijven toegevoegd, waar
burgers en experten niet altijd van op de hoogte zijn)
Hedendaagse academici: onmogelijk om ‘het strafrecht’ op substantieve wijze
concreet te definiëren
o Asch: strafrecht is verloren zaak gezien vanuit principieel oogpunt
Deviant gedrag = afwijkend gedrag (niet illegaal, maar wekt onveiligheidsgevoelens op)
Wat wij in bepaalde periodes beschouwen als ‘criminaliteit’ gevolg van
maatschappelijk constructieproces
Proces is gevolg van interactie (tss burgers, overheidsinstanties, …)
Proces leidt tot formele definities en bepaling of definitie wordt toegepast of niet
Ontstaan van kloof tss formele en daadwerkelijke criminalisering
Lacey: veel feiten staan in strafwetboek maar niet alle feiten worden
daadwerkelijk vervolgd
1.3 Alternatieve definities en concepten
Sellin, 1938: crim als gevolg van conflicterende gedragsregels
Schwendigers, 1970: misdrijven beschouwen als schendingen van de
mensenrechten
Mainstream positivistische criminologen: formele definities genegeerd omdat ze
‘recht hebben’ om specifieke aard van misdrijf te bepalen onafhankelijk van
politieke besluitvorming
Hirschi & Gottfredson, 1990: daden van geweld of fraude die worden ondernomen
uit eigenbelang
(namen niet kennen)
6
,Andere wetenschappers: andere woorden gebruiken ipv criminaliteit (deviantie)
Komaf maken met term ‘criminaliteit’ kritische criminologie
Christie, 1977: geschil tss aanwijsbare partijen
Gottfredson, 2011: crime-free-criminologie (als criminoloog niet afh. zijn van
officiële definities van crim)
Tombs, 2000: ‘criminaliteit’ vervangen door ‘sociale schade’
o Beleid meer toepassen op schadebeperking (ontstaan van ‘zemiologie’)
Greenfield & Paoli, 2018-2022:
Een middenweg: strafrechtelijke definities + erkenning centraliteit schade +
pleidooi voor beleidsevaluatie
Concept niet inwisselen maar akkoord met dat pas van criminalisering en
vervolging slechts 1 van de mogelijke strategieën is om met schadelijke
activiteiten om te gaan
Nauwe link tss crim en schade
Schade ook belangrijke rol in andere ‘stadia’ van binnenlandse en Europese
criminaliteitsbeleid
Schadebeperking = gemeenschappelijk basisdoel van zowel
criminaliteits- als veiligheidsbeleid
Definitie: de studie van gedragingen en activiteiten die gecriminaliseerd zijn en/of
als schadelijk/deviant worden ervaren, de (de-)criminalisering, controle en
preventie ervan en de andere maatschappelijke reacties erop
o Systematische en empirische inschatting van verschillende soorten schade
o Doel: schadebeperking in brede zin (voor slachtoffers, daders en
maatschappij)
Criminologie ~ morele waarden en normen
2. Het formele voorwerp van de criminologie
Onderzoeksaanpak:
Kwantitatief: gestandaardiseerde instrumenten om data te verzamelen en nadien
statistisch te verwerken
Kwalitatief: diepgaand begrijpen van menselijk gedrag, ervaringen, motivaties en
gedachten
o Hard objectiverend onderzoek ‘ontmenselijk’ de menselijke proefpersoon
Waardenschema of perspectief van de onderzoeker:
Uitgangspunten van onderzoeker bepalen zowel keuze van object van de studie
als wijze waarop object zal worden bestudeerd
Omgeving bekijken vanuit aantal basisprincipes en interpretatieschema’s
(zie verder Hoofdstuk 2)
3. De criminologie als zelfstandige discipline?
Sellin: ‘bastard science’
7
, Criminologie heeft geen eenduidig materieel en formeel voorwerp discipline?
Garland: samenkomst van 2 projecten heeft criminologie doen ontstaan
Lombrosiaanse project: grote, theoretische vragen beantwoorden
o Oorzaken van criminaliteit
Gouvernementele project: beleidsmakers helpen met concrete oplossingen
o Beheersbaarheid van crim en criminelen (gesubsidieerd en uitgevoerd door
de staat)
Garland: “bijna een toeval dat de criminologie als eigen wetenschap is ontstaan”
Lombroso’s benadering eerst uitgebreid en aangepast vooraleer het van nut kon
zijn voor beleidsmakers en nationale overheden
Bestaan van ‘een crimineel type’ dat identificeerbare antropologische entiteit had
Etiologisch denkkader: crim als evidente, onproblematische en empirisch vaststelbare
realiteit
Geen eensgezindheid over materieel en formeel voorwerp
o Materieel: ‘de criminaliteit’ ?
o Formeel: vaak methoden, theorieën en denkkaders vanuit andere sociale
wetenschappen
Synthesewetenschap = geen unieke, specifieke criminologische invalshoek +
criminologen moeten gebruik maken van inzichten en methoden uit diverse
wetenschappen
Multidisciplinair = gebruik van meerdere andere basisdisciplines (sociologie,
pscyhologie)
Inzichten en methoden uit diverse wetenschappen
Criminoloog als superwetenschapper: draagt integratie van verschillende
invalshoeken, beschikt over theoretische en methodologische achtergrond vanuit
meerdere disciplines om deze toe te passen
Interdisciplinair: diversiteit aan wetenschappelijke disciplines te beheersen en deze
weet te ‘bemeesteren’ in een soort van ‘globale synthese’
Volledige integratie van diverse disciplines
Criminologen zelf nooit toe gekomen om aan te geven ‘hoe’ de verschillende WE
disciplines zouden gecoördineerd of gesynthiseerd moeten worden
CONCLUSIE: we kunnen niet van een specifieke, zelfstandige discipline spreken
8
,Hoofdstuk 2 (les 2): Inleiding tot de
wetenschapsfilosofie
Wetenschapsleer / wetenschapsfilosofie = bestudeert alle aspecten van ‘wetenschap’,
zowel beschrijvend als normatief en probeert een antwoord te verschaffen op vragen als:
‘Wat is wetenschap?’
‘Welke eisen mogen we stellen aan wetenschap?’
Studieobject = de wetenschap zelf
Paradigma = interpretatieschema, waarin onze opvattingen over de werkelijkheid, de
‘wereld’, de mens, en de relatie mens-wereld ingebed liggen
(formeel voorwerp)
1. Assumptie over kennis
Centraal thema = kennis
1.1 Ontologie
= richt zich op ‘vaststellen van de waarheid’ en wat geacht wordt ‘waar’ te zijn
Wereldbeeld = veronderstellingen die iemand heeft over de vorm en aarde van
‘de werkelijkheid’, of en hoe we deze werkelijkheid kunnen ‘kennen’ externe
realiteitsgehalte van deze wereld
o Objectivisme / positivisme = 1 realiteit/waarheid, niet beïnvloedt door
individuen (objectief waarneembaar)
o Constructivisme = meerdere realiteiten/waarheden, sociale actoren hebben
rol in vormgeving van sociale werkelijkheid (subjectief)
Bij extremisme: geen wetenschap meer mogelijk
Mensopvatting = visie op de mens
o Positivisme = delinquent is ‘rationeel, vrij handelend wezen’, volledig
verantwoordelijk voor eigen handelen, gestraft worden voor wandaden
Klassieke school, neoklassieke criminologische theorieën,
economische modellen
9
, o Constructivisme = menselijk gedrag is gevolg van erfelijke en
omgevingsinvloeden, stellen gedrag niet omdat ze er vrij voor kiezen (door
psychologische outfit of sociale omgeving)
Psychologische en (klassieke) sociologische modellen
Determinisme / probabilisme
Visie op de samenleving/maatschappij
o Consensusmodel = samenleving heeft relatief blijvende, stabiele structuur
Samenleving: waardenconsensus, mensen hebben zelfde waarden
en normen
Wet: collectief akkoord
Gevolgen:
Individuen/groepen kunnen niet benadeeld of
bevooroordeeld worden
Wetsovertreders zijn buitenstaanders
o Pluralistisch model = complexere visie op samenleving
Samenleving: bestaat uit verschillende sociale groepen, met
verschillende visie op waarden (kan leiden tot conflicten)
Wet: als middel tot conflictoplossing
o Conflictmodel = samenleving verandert voortdurend (op elk moment
sprake van conflict en dissensus)
Samenleving: voortdurend dwang, druk van bepaalde leden of
groepen
Wet: repressief dwangsysteem, niet om onderlinge conflicten op te
lossen maar om belangen van politieke machthebbers te
beschermen
1.2 Epistemologie
= bepaald hoe we moeten weten wat we weten, hoe we ‘ware’ of ‘geldige kennis’ over de
werkelijkheid kunnen verkrijgen
Positivisme / objectivisme = werkelijkheid bestaat onafhankelijk van bewustzijn,
bestaan van objectieve werkelijkheid ‘daarbuiten’
o Manier om kennis te verkrijgen: realiteit objectief in kaart brengen adhv
betrouwbare designs en tools (kwantitatief)
o Relatie tss onderzoeker en onderzochte: eigen gevoelens, waarden niet
meenemen, onderzoek mag realiteit niet beïnvloeden
Onderzoek = doorkijkspiegeloperatie
Constructivisme = waarheid en betekenis worden gecreëerd door interacties van
subject met de wereld, subjecten construeren hun eigen betekenis op
verschillende manieren
o Manier om kennis te verkrijgen: niet-objectiverende onderzoeksmethodes,
methodes die leiden tot beschrijving van het particuliere ipv
wetmatigheden (kwalitatief)
o Relatie tss onderzoeker en onderzochte: onderzoeker is participant die
deelneemt aan leven van subject en betrokken moet zijn
10