,Waar gaat aardrijkskunde over?
Bij aardrijkskunde draait alles om twee belangrijke vragen: wat zie je? en waarom is dat zo? Je leert
dus niet alleen landschappen, steden en natuur herkennen, maar ook verklaren waarom ze juist op
die plek voorkomen.
Aardrijkskunde bestaat uit twee hoofdonderdelen. De fysische geografie bestudeert de natuurlijke
omgeving. Daarbij gaat het om landschappen, reliëf, bodem, klimaat, water, planten en dieren. De
sociale geografie richt zich juist op de mens. Hierbij onderzoek je de spreiding van de bevolking,
migratie en de verschillende bestaansmiddelen, zoals landbouw, industrie en dienstverlening.
Een belangrijk begrip binnen aardrijkskunde is dimensie. Een dimensie is het perspectief waarmee je
naar een onderwerp kijkt. Zo kun je een gebied bekijken vanuit een natuurlijke dimensie
(bijvoorbeeld klimaat of landschap), een economische dimensie (werk en inkomen), een sociaal-
culturele dimensie (bevolking en cultuur) of een politieke dimensie (grenzen en bestuur).
Ezelsbruggetje: FYSIEK = NATUUR en SOCIAAL = MENS.
De aarde en het coördinatenstelsel
Om plaatsen op aarde precies aan te wijzen, gebruiken we een netwerk van denkbeeldige lijnen.
De evenaar is de langste parallel en heeft een lengte van ongeveer 40.000 kilometer. De evenaar
verdeelt de aarde in het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond. De evenaar heeft een
breedteligging van 0°.
Alle lijnen die evenwijdig lopen aan de evenaar heten parallellen. Hiermee bepaal je de
breedteligging. Hoe dichter je bij de evenaar bent, hoe lager de breedte. Hoe dichter je bij de polen
komt, hoe hoger de breedte. De Noordpool ligt op 90° noorderbreedte (NB) en de Zuidpool op 90°
zuiderbreedte (ZB).
De nulmeridiaan loopt door Greenwich in Engeland en verdeelt de aarde in het oostelijk en
westelijk halfrond. Vanaf deze lijn tel je de lengteligging tot maximaal 180° oosterlengte (OL) of
180° westerlengte (WL).
De lijnen die van de Noordpool naar de Zuidpool lopen, heten meridianen.
Ezelsbruggetje: Breed = breedte = evenaar (horizontaal).
Lang = lengte = Londen/Greenwich (verticaal).
De bewegingen van de aarde
De aarde is ongeveer 4,6 miljard jaar oud en maakt voortdurend twee bewegingen.
De eerste beweging is de aardrotatie. Dit is de draaiing van de aarde om haar eigen as. Een volledige
draai duurt 24 uur en noemen we een etmaal. Van boven de Noordpool gezien draait de aarde tegen
de klok in. Daardoor lijkt het alsof de zon opkomt in het oosten en ondergaat in het westen.
De tweede beweging is de aardbaan. Hierbij draait de aarde om de zon. Eén volledige omloop duurt
365 dagen en 6 uur. Die extra zes uur zorgen ervoor dat er eens in de vier jaar een schrikkeljaar is
met een extra dag in februari.
Ezelsbruggetje: Rotatie = Rondje om jezelf.
Revolutie (aardbaan) = Rondje om de zon.
2
,De seizoenen
De aardas is de denkbeeldige lijn die door de Noordpool en Zuidpool loopt. Deze as staat altijd een
beetje schuin en blijft tijdens de omloop om de zon steeds dezelfde kant op wijzen. Hierdoor
ontstaan de seizoenen.
Tijdens de zomer is het noordelijk halfrond naar de zon gekeerd. Daardoor zijn de dagen langer en
vallen de zonnestralen rechter op de aarde. Hierdoor wordt het warmer.
Tijdens de winter is het noordelijk halfrond juist van de zon afgekeerd. De dagen zijn korter en de zon
staat lager aan de hemel. Daardoor vallen de zonnestralen schuiner in en is het kouder.
Op het zuidelijk halfrond zijn de seizoenen precies omgekeerd. Wanneer het in Nederland zomer is,
is het daar winter.
De lente begint op 21 maart en de herfst op 21 september. Tijdens deze overgangsmomenten zijn
dag en nacht overal op aarde ongeveer even lang.
Ezelsbruggetje: Naar de zon = zomer. Van de zon af = winter.
De maan en de getijden
De maan draait in ongeveer 27 dagen om de aarde. Opvallend is dat de maan de aarde altijd met
dezelfde kant aankijkt. Daarom zien wij vanaf de aarde steeds dezelfde zijde van de maan.
De aantrekkingskracht van de maan heeft invloed op het water op aarde. Samen met de
zwaartekracht van de zon en de draaiing van de aarde veroorzaakt dit de getijden.
Wanneer het water hoog staat, spreken we van vloed. Wanneer het water laag staat, noemen we dit
eb. Op elk moment zijn er twee plaatsen op aarde waar het vloed is en twee plaatsen waar het eb is.
Doordat de aarde blijft draaien, krijgt iedere plaats ongeveer twee keer per dag eb en twee keer per
dag vloed.
Van uiterst eb naar uiterst vloed duurt ongeveer 6 uur. Dit noemen we één getijde.
Ezelsbruggetje: EB = Eerst Beneden. VLOED = Veel water.
Endogene krachten
Het landschap op aarde verandert voortdurend. Dat gebeurt door twee soorten krachten. De eerste
soort zijn de endogene krachten. Dit zijn krachten die vanuit het binnenste van de aarde werken. Zij
zorgen ervoor dat gebergten ontstaan, aardbevingen plaatsvinden en vulkanen uitbarsten.
Ezelsbruggetje: ENDO = van BINNEN. (Net als een endoscopie: van binnen kijken.)
De opbouw van de aarde
De aarde bestaat uit verschillende lagen. De buitenste laag is de aardkorst. Hierop leven mensen,
groeien planten en bevinden zich de oceanen. Onder de aardkorst ligt de aardmantel, die bestaat uit
zeer heet, taai vloeibaar gesteente. Nog dieper liggen de buitenkern, die vloeibaar is, en de
binnenkern, die ondanks de hoge temperatuur vast is door de enorme druk.
De bovenste laag van de aardkorst noemen we de bodem. Dit is slechts een dun laagje waarin
planten kunnen groeien. De aardkorst zelf is veel dikker: op de continenten gemiddeld 25 tot 30
kilometer, terwijl de oceaanbodem slechts 5 tot 10 kilometer dik is.
3
, De aardkorst en tektonische platen
De aardkorst bestaat uit grote en kleine tektonische platen (ook wel schollen genoemd). Deze platen
drijven langzaam op de taaie aardmantel en bewegen voortdurend. Dit proces noemen we
plaattektoniek.
Er zijn twee soorten platen. Continentale platen bestaan vooral uit het lichte gesteente graniet en
vormen de werelddelen. Oceanische platen bestaan voornamelijk uit het zwaardere gesteente
basalt en vormen de oceaanbodem.
De beweging van de platen wordt veroorzaakt door convectiestromingen. Warm materiaal uit de
mantel stijgt op, koelt af en zakt daarna weer naar beneden. Hierdoor worden de platen langzaam
meegevoerd.
Ezelsbruggetje: Convectie = koken in een pan. Warm stijgt op, koud zakt naar beneden.
Drie bewegingen van aardplaten
Tektonische platen kunnen op drie manieren bewegen.
Bij convergentie bewegen platen naar elkaar toe.
Bij divergentie bewegen platen van elkaar af.
Bij een transforme beweging schuiven platen langs elkaar.
Juist langs de grenzen van deze platen ontstaan de meeste aardbevingen en vulkanen.
Ezelsbruggetje: CON = samen. DI = uit elkaar. TRANS = langs elkaar.
Aardbevingen
Doordat platen voortdurend bewegen, bouwen spanningen zich op langs de breuklijnen. Wanneer
deze spanning plotseling vrijkomt, ontstaat een aardbeving.
Hoewel de meeste aardbevingen zo klein zijn dat mensen ze niet voelen, vinden er dagelijks
ongeveer 25.000 aardbevingen plaats.
Plooiing, breuken en reliëf
Wanneer twee continentale platen tegen elkaar botsen, wordt de aardkorst samengedrukt. Hierdoor
ontstaan plooien in de aardkorst. Dit proces noemen we plooiing. Zo is bijvoorbeeld het
Himalayagebergte ontstaan door de botsing van de Indische plaat met de Euraziatische plaat.
Soms scheurt de aardkorst juist open. Zo'n scheur noemen we een breuk. Hierbij kunnen delen van
de aardkorst omhoog of omlaag bewegen.
Een omhooggeschoven deel heet een horst.
Een omlaaggezakt deel heet een slenk.
Deze breuken ontstaan doordat opstijgend magma de aardkorst omhoog duwt totdat deze scheurt.
Ezelsbruggetje: HORST = Hoog. SLENK = Zakt Laag.
Subductie en troggen
Wanneer een zware oceanische plaat tegen een lichtere plaat botst, schuift de oceanische plaat
onder de andere plaat. Dit proces heet subductie.
Door deze beweging ontstaan diepe geulen in de oceaanbodem, die troggen worden genoemd. Een
bekend voorbeeld is de Marianentrog, de diepste plek op aarde.
4