combinaties
Overzicht ‘Onderzoek stap voor stap’
De structuur van het boek (en dus ook van het vak):
1) Fundamentele keuzes
2) Het onderzoeksvoorstel
3) Het eindrapport
4) Het onderzoekstraject in de praktijk
Deze les focust op punt 1
Vijf fundamentele keuzes
1) Positivistisch – Constructivistisch
2) Deductief – Inductief
3) Waardevrij – Normatief
4) Verklarend – Beschrijvend
5) Kwantitatieve data – Kwalitatieve data
Belangrijk:
Deze keuzes zijn geen of-of dilemma’s, maar continua
Je neemt altijd een positie in, expliciet of impliciet
1) Positivistisch – Constructivistisch
Dit is de meest fundamentele keuze
Ze verwijst naar:
Ontologie Wat bestaat er?
Epistemologie Hoe kunnen we dat kennen?
Positivisme Constructivisme
Ontologisch: Ontologisch:
Er bestaat een externe We weten niet of er een externe
werkelijkheid, onafhankelijk wereld bestaat
van ons Epistemologisch:
Epistemologisch: Wat we wel weten: mensen
De werkelijkheid kan worden construeren voortdurend
gekend via de sociale werkelijkheid
wetenschappelijke methode Bijvoorbeeld:
Men gaat op zoek naar: “Criminaliteit” is geen natuurlijk
o Wetmatigheden gegeven
o Oorzaken Het is een sociaal geconstrueerd
o Causale verbanden begrip
Ideaalbeeld: Homoseksualiteit was ooit
natuurwetenschappen (fysica) strafbaar
Voorbeeld in criminologie Wat “illegaal” is verandert
Onderzoek naar roofovervallen: Onderzoek is dus ook een
Wie pleegt ze? constructie:
Welke risicofactoren? De onderzoeker stelt vragen
Wat zijn de oorzaken? Interpreteert antwoorden
Vaak kwantitatief Geeft betekenis
Veel aandacht voor:
Taal
, Labels
Representatie
Het continuüm:
Extreem positivisme
o Sociale fenomenen ≈ natuurfenomenen
o Mensen ≈ biljartballen
o Bijna niet meer aanwezig
Gematigd positivisme (postpositivisme)
o Externe werkelijkheid bestaat
o Experiment = goudstandaard
o Veel voorkomend in criminologie
Extreem constructivisme
o Geen externe werkelijkheid
o Alles is constructie
o Wetenschap wordt onmogelijk
o Zeldzaam
Gematigd constructivisme
o Begrippen zoals “criminaliteit” zijn sociale constructies
o Ook data (bv. politiestatistieken, interviews) zijn geconstrueerd
Kritisch realisme (tussenpositie)
Ontologisch:
Er is een werkelijkheid
Epistemologisch:
Onze kennis ervan is altijd voorlopig en gekleurd
2) Deductief – Inductief
Dit gaat over de onderzoekscyclus
Deductief onderzoek Inductief onderzoek
Van algemeen specifiek Van specifiek algemeen
Stap 1: Theorie Stap 1: Dataverzameling
Stap 2: Hypothese Stap 2: Patronen ontdekken
Stap 3: Dataverzameling Stap 3: Theorie ontwikkelen
Stap 4: Testen Voorbeeld:
Voorbeeld: Interviews over houding tegenover
Hypothese: Slachtoffers van doodstraf zonder vooraf hypothese
ernstige misdrijven zijn vaker Kenmerken:
voorstander van de doodstraf Open benadering
Kenmerken: Contextgevoelig
Theoriegestuurd Theorieontwikkeling
Hypothese vooraf Vaak kwalitatief
Testen van theorie
Vaak kwantitatief
Kritiek:
Je kijkt door een “bril”
Je ziet enkel wat je vooraf
belangrijk vond
,Het continuüm:
Naïef inductivisme
o Data zonder theorie
o Onmogelijk
o Je hebt altijd vooronderstellingen
Gematigd inductief
o Je erkent dat je ideeën hebt
o Je gebruikt sensitizing concepts (Blumer)
Concepten die je gevoelig maken
MAAR geen vaste hypothese
Iteratief onderzoek
Herhaaldelijk door de onderzoekscyclus gaan:
o Eerste interviews
o Voorlopige conclusie
o Nieuwe dataverzameling
o Theorie aanpassen
Abductie
Combinatie inductie + deductie
o Je formuleert snel een plausibele verklaring
o Die blijft voorlopig
o Je test ze opnieuw
BELANGRIJK: nadruk op plausibiliteit, niet zekerheid
Gematigd deductief
Bijvoorbeeld:
o Survey uitvoeren
o Verrassend resultaat
o Extra interviews om dit te begrijpen
3) Waardevrij – Normatief
Hier gaat het over het onderscheid tussen:
Empirische uitspraken (Hume: “is”)
Normatieve uitspraken (Hume: “ought”)
Empirische uitspraken Normatieve uitspraken
Uitspraken over hoe de wereld is Uitspraken over hoe de wereld zou
Bijvoorbeeld: moeten zijn
30% van de bevolking is Bijvoorbeeld:
voorstander van de doodstraf De doodstraf is onaanvaardbaar
Beoordeling: methodologische Dit beleid is goed
kwaliteit Dit is een probleem
Ze steunen altijd ook op waarden
Waardevrij onderzoek Normatief onderzoek
, Streeft naar: Bijvoorbeeld:
Neutraliteit Feministische criminologie
Objectiviteit (Neo)marxistische criminologie
Scheiding tussen “is” en “ought” Kenmerken:
Normatieve voorkeuren = bias Expliciete normatieve
Zuiver waardevrij onderzoek: uitgangspunten
Bijna niemand gelooft nog dat Doel: wereld veranderen
dit volledig mogelijk is BELANGRIJK:
Keuze van onderwerp is al Dat is nog steeds wetenschap,
normatief omdat het transparant is
Reflexiviteit
Continu nadenken over:
Je positie
Je vooronderstellingen
Je bias
Positionaliteitsverklaring:
Onderzoeker verklaart eigen achtergrond en mogelijke invloed
Is-ought-drogredenering
= De fout dat je normatieve conclusies volledig baseert op empirische
vaststellingen
Voorbeeld:
Empirisch: bv. in wijk X is meer overlast
Normatief: bv. de politie moet daar strenger optreden
PROBLEEM:
Je verkoopt een waardeoordeel als wetenschappelijke conclusie
GEVOLGEN:
Vermomde ideologie
Misbruik van wantrouwen in wetenschap
Ondergraving geloofwaardigheid
Risico verschilt per positie op het continuüm
Linkerkant (waardevrij) Rechterkant (normatief)
Denkt neutraal te zijn Transparanter
Ziet eigen normatieve MAAR risico op tunnelvisie
aannames niet
Groot risico op impliciete
normativiteit