§1 – inkopen
Grondstoffen: stof die je terug ziet in het eindproduct (bloempot de klei).
Hulpstoffen: zijn nodig om de productie mogelijk te maken en zie je niet terug in het
eindproduct (smeerolie).
§2 – kosten van duurzame productiemiddelen
Afschrijven: waardevermindering van duurzame productiemiddelen.
Aanschafprijs: bestaat uit de aanschafprijs zelf + bijkomende kosten
(overdrachts- installatie en – afleveringskosten).
A−R
afschrijving per periode=
n
A = aanschafprijs (+ bijkomende kosten). R = restwaarde (-sloopkosten). n =
aantal periode
Boekwaarde: de aanschafprijs verminderd met het bedrag dat tot dan toe is
afgeschreven. (balanswaarde)
Berekenen van afschrijvingen §3 – personeelskosten, arbeidsuurtarief en
factureertarief
Hoe bereken je de personeelskosten:
Bestaan uit; 1 brutoloon + salarissen 2 wettelijke sociale lasten (premies,
bijdragen verzekeringswet en vakantie geld) 3 vrijwillige sociale lasten (vervoer,
fondsen) 4 pensioenpremies.
Arbeidsuurtarief: intern tarief waarin we alle personeelskosten per productief uur
opnemen.
Factuurtarief: tarief waarin we naast de personeelskosten ook de overige
bedrijfskosten en winstopslag opnemen.
Berekenen blz. 47 §4 – overige kosten
4 soorten overige belastingen:
1. Interestkosten: voor investeringen in productiemiddelen is vermogen nodig
en dat leidt tot interestkosten.
2. Kosten van grond: bestaan vooral uit interestkosten over het geïnvesteerde
vermogen.
3. Kosten van diensten van derden (uitbesteed werk): kosten als een
onderneming bepaalde activiteiten door andere bedrijven laat uitvoeren.
4. Kosten van belastingen: belastingen die kosten voor onderneming
veroorzaken.
Hoofdstuk 23: begroot en werkelijk resultaat voor belasting §1 – verkoopprijs en
omzetbelasting
Berekenen de verkoopprijs met behulp van een winstopslag.
Berekenen consumentenprijs, BTW berekenen.
Winstopslag: verkoopprijs (exclusief omzetbelasting) = inkoopprijs + winstopslag