Adam Smith (absolute kostenverschillen) - >>>Elk land moet verkopen
in wat zij het best zijn, omdat zij de goederen tegen de laagste prijs
kunnen produceren.
David Ricardo (comparatieve kostenverschillen) - >>>zelfde als Smith +
bijkomend voorbeeld.
vb: 2 landen Polen en Frankrijk met beiden 100 productiefactoren
F: 5000 rekenmachines en 10 ton graan
P: 24000 rekenmachines en 12 ton graan
=>absolute waarde: Polen in beide gevallen een voordeel.
=>relatieve waarde: F moet 500 rekenmachines opofferen voor 1 ton
graan P moet 2000 rekenmachines opofferen voor 1 ton graan
-> relatieve kosten voor graanproductie in Polen is te hoog en kan men
beter specialiseren: Frankrijk in graan en Polen in rekenmachines
Heckscher en Ohlin( relatieve factorbegiftiging) - >>>Angola en
Botswana produceren beide 2 producten. Schoenen waarvoor veel
arbeid en weinig land nodig is. Aardappelen waarvoor veel land en
weinig arbeid nodig is.
Angola heeft veel land maar weinig arbeid. Botswana heeft weinig land
maar veel arbeid.
Wanneer ze handel drijven kan Angola dus aardappelen relatief
goedkoop produceren voor 2 en kan Botswana relatief goedkoop
schoenen produceren.
,Ze kunnen daardoor meer produceren dan dat ze elk hun eigen
producten moeten maken. Meer productie zorgt voor een hoger
inkomen en meer welvaart.
Giblin (exportmuliplicator) - >>>Wanneer de export stijgt in een land,
stijgt het inkomen van allen die in deze sector werken. Er is ook meer
nood aan werkkrachten. Omdat deze groep groter wordt en meer geld
heeft zullen ze ook meer uitgeven in de binnenlandse economie. (Ze
zullen natuurlijk ook een deel sparen en er zijn ook goederen die
geïmporteerd moeten worden dus bij die handeling gaat er weer geld
uit de economie).
De exportmultiplicator houdt dus in:
Geld dat geïnvesteerd kan worden = totaal inkomen van het land /
aantal miljoenen euro dat geëxporteerd werd
Michael Porter (nieuwe productiviteitstheorie) - >>>Het is belangrijk
om anders te zijn dan anders in de moderne markt, daarom moet men
zich onderscheiden van de concurrentie. 2 manieren zijn:
- Kostenleiderschap: product aan de laagste prijs aanbieden
-differentiatie: iets aanbieden wat de concurrentie niet kan, bv. een
betere service of de beste kwaliteit.
,Belangrijk is om niet "stuck in the middle" te zijn: dan stel je niets voor
omdat je op geen enkele manier beter bent dan de concurrentie Bv.
Mexx die niet duidelijk stelden of ze in het luxesegment stonden of
wilden concurreren met H&m enz.
Het wordt bepaald a.d.h.v. 4 determinanten:
- positie verschillende productiefactoren in een land
- vraag naar het product op de thuismarkt
- verbonden ondernemingen in het thuisland?
- organisatie en leiding tegenover concurrentie
Daarnaast zijn er nog 2 factoren:
- overheid
- toeval (geluk of pech)
De hoeveelheid productiefactoren maakt niet uit maar wel de manier
waarop ze gebruikt worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 5
factoren:
- HR
- physical
- knowlegde
- capital
- infrastructure
, Onderscheid tussen interindustriële handel en intra-industriële handel
- >>>Interindustriële handel: Frankrijk die wijn exporteert naar
Duitsland, Duitsland die Computers exporteert naar Frankrijk.
Intra-industriële handel: Frankrijk die Citroen-auto's exporteerd naar
Duitsland, Duitsland die Audi's exporteert naar Frankrijk.
Invoerquote (m), uitvoerquote (x) en dekkingscoëfficiënt -
>>>Invoerquote (m): de verhouding tussen de waarde van import en
het BBP
invoerquote = uitvoer / BBP
Uitvoerquote (x): de verhouding tussen de waarde van export en het
BBP
uitvoerquote = uitvoer / BBP
Dekkingscoëfficiënt: verhouding tussen import en export
Dekkingscoëfficiënt = invoer / uitvoer
is de verhouding groter dan 1 betekend dat de export groter is dan de
import en dat is goed voor de economische groei.
Openheidsgraad - >>>Openheidsgraad is een juistere ratio dan vorige
ratio's. Hier houdt men enkel rekening met de toegevoegde waarde
van export. Dat toont zich in volgende formule: