S. Cokic – E0N46A
,H1: Ontwikkeling van het aangezicht, de mondholte, de tanden en hun ondersteunende
weefsels
Neurale kamcellen bepalen samen met somatomeren de vorm en organisatie van het vroege
hoofdgebied. De neurale buis, onderverdeeld in voor-, midden- en achterhersenen, bepaalt
de vorm van het vroege hoofdgebied, terwijl de somatomeren, het gesegmenteerde
hoofdmesoderm, de craniofaciale regio organiseren. Samen vormen neurale kamcellen en
somatomeren de bouwstenen voor cefalogenese.
Neurale kamcellen migreren vanuit hun oorsprong volgens een bepaald patroon naar het
zich ontwikkelende gelaat en het branchiale boogsysteem. Het middenbrein en
rhombomeren 1 en 2 dragen hierbij bij aan het gelaat en de eerste branchiale boog.
Een boog heeft aan de buitenzijde ectoderm en aan
de binnenzijde endoderm. Hierop bestaat een
uitzondering bij de eerste boog: deze ligt anterieur
van het buccofaryngeale membraan, waardoor het
inwendige oppervlak wordt begrensd door
ectoderm, namelijk het stomatodeum.
De kern van de boog bestaat uit mesoderm en
neurale kam, ook wel ectomesenchym genoemd.
Hieruit ontstaat het boogkraakbeen: bij de eerste
boog is dit het kraakbeen van
Meckel, bij de tweede boog
het kraakbeen van Reichert.
Het stomatodeum wordt
gescheiden van de voordarm door het buccofaryngeale membraan,
dat rond dag 28 ruptureert. De bodem van de mond wordt gevormd
uit de eerste tot en met de derde branchiale boog. Het stomatodeum
wordt begrensd door de frontale prominentie rostraal, de cardiale
zwelling caudaal en de eerste branchiale boog lateraal.
Vorming van het gelaat
Rond dag 24 vormt de eerste branchiale boog het maxillaire uitsteeksel. De vroege groei van
het gelaat wordt aangedreven door proliferatie en migratie van ectomesenchym, de
toekomstige nasale regio. Het stomatodeum wordt hierbij begrensd door de frontale
prominentie craniaal, de maxillaire uitsteeksels lateraal en de mandibulaire uitsteeksels
ventraal.
,Tussen dag 24 en 28 wordt het orale epitheel odontogeen. Door verdikking ontstaat de
primaire epitheliale band, een boogvormige, continue band in de maxilla en de mandibula,
die het startpunt vormt van de tandontwikkeling.
Rond dag 28 vormen ectodermale verdikkingen op de frontale prominentie de olfactorische,
oftewel nasale, placoden. Deze placoden invagineren tot nasale putjes, omgeven door
mediale en laterale nasale uitsteeksels. De frontonasale regio vormt vooral de neusrug,
ofwel het dorsum nasi. De mediale nasale uitsteeksels versmelten en vormen het centrale
deel van de neus, namelijk de neuspunt en de neusrugkam. De maxillaire uitsteeksels
groeien mediaal naar de mediale en laterale nasale uitsteeksels, gescheiden door de
nasolacrimale en bucco-nasale groeven.
De mediale nasale uitsteeksels versmelten in de middellijn en
vormen zo het philtrum en het intermaxillaire segment, bestaande
uit de incisiefregio en het primaire verhemelte. Het maxillaire
uitsteeksel versmelt met het mediale nasale uitsteeksel en vormt zo
de laterale bovenlip, waarbij de groeve verdwijnt. Ten slotte
versmelten de mandibulaire uitsteeksels en vormen zij de onderlip;
stoornissen in deze versmelting kunnen leiden tot een lipspleet of
gelaatsspleten.
Vorming van het verhemelte
In week 6 ontstaat het primaire verhemelte vanuit het intermaxillaire segment, afkomstig
van de mediale nasale prominenties, gelegen tussen de twee maxillaire prominenties. Het
secundaire verhemelte ontstaat in week 7 tot 8 vanuit de palatinale uitsteeksels van de
maxilla en vormt de definitieve orale-nasale scheiding.
In week 7 beginnen de palatinale uitsteeksels te groeien vanuit de maxillaire prominenties
en liggen zij verticaal aan weerszijden van de tong.
In week 8 daalt de tong, waardoor de palatinale uitsteeksels omhoog bewegen tot een
horizontale positie erboven. Op dit moment zijn ze nog niet versmolten.
In week 9 versmelten de palatinale uitsteeksels in de middellijn en hechten zij aan het
neusseptum, waarmee de vorming van het secundaire verhemelte wordt voltooid.
, Ontwikkeling van de schedel
Het schedelgewelf en het gelaat ontwikkelen zich via
membraneuze, oftewel intramembraneuze, ossificatie. De
schedelbasis daarentegen ontwikkelt zich via endochondrale
ossificatie, met een kraakbenig voorstadium.
Ontwikkeling van de mandibula en maxilla
De mandibula en de maxilla zijn beide afgeleid van de eerste branchiale boog: de mandibula
vanuit het mandibulaire uitsteeksel en de maxilla vanuit het maxillaire uitsteeksel.
¥ Mandibula
De mandibula is membraneus bot en ontstaat door
intramembraneuze ossificatie. In week 6 is het kraakbeen van
Meckel aanwezig, nauw verbonden met de nervus alveolaris
inferior, en ontstaat er een laterale mesenchymale condensatie
nabij de zenuwsplitsing. In week 7 start hier de ossificatie, wat
het eerste mandibulaire bot vormt. Het kraakbeen van Meckel
wordt grotendeels geresorbeerd, maar het posterieure deel
vormt de malleus en de incus, terwijl restanten bijdragen aan
het ligamentum sphenomandibulare.
De verdere groei van de mandibula tot aan de geboorte wordt sterk beïnvloed door het
verschijnen van drie secundaire, oftewel groei-, kraakbenen en door de ontwikkeling van
spieraanhechtingen. Het eerste secundaire kraakbeen is het condylaire kraakbeen, dat rond
ongeveer 12 weken verschijnt en snel wordt vervangen door bot, zodat tegen ongeveer 20
weken slechts een dunne laag overblijft; dit restant blijft bestaan tot in het tweede
decennium als een belangrijke groeiplaats van de mandibula. Het tweede is het coronoïde
kraakbeen, dat rond ongeveer 4 maanden verschijnt ter hoogte van het coronoïde
uitsteeksel en transiënt is, en lang
vóór de geboorte verdwijnt. Het
derde is het symfysaire kraakbeen:
twee kraakbenen die zich vormen
tussen de uiteinden van het
kraakbeen van Meckel, maar er
onafhankelijk van zijn, en die binnen
het eerste jaar na de geboorte
verdwijnen.