De mediamachine:
1. Intro:
Virtual influencers:
o Nieuwe opkomende trend door de introductie van AI.
o Het zijn artificiële mensen die je kan volgen online.
Evolutie consumptie media:
o Steeds meer digitale media en consumptie van media online.
o Vermindering materiële kranten, magazines.
Polarisering media:
o Je feed wordt aangepast aan wat jij leuk zou vinden, welke mening jij zelf deelt.
o Je krijgt vaak geen neutrale media meer te zien, maar juist wat jij zelf wil horen.
Polycrisis in de media:
o Media kampen constant met verschillende crisissen.
o Verschillende negatieve ontwikkelingen versterken elkaar.
o Crisis van kosten, van businessmodellen, geopolitieke crisissen, …
Future shock:
o Begrip van Alvin Toffler.
o = de psychologische stress en desoriëntatie die mensen ervaren wanneer veranderingen in
de samenleving te snel gaan.
Streaming:
o = een distributietechnologie om mediacontent via het internet te verdelen.
o Dit is geen nieuw medium, maar biedt producenten van televisie, en andere audiovisuele
content een alternatief om deze content te verdelen.
Televisie:
o Verwijst doorgaans naar televisiecontent zoals series, films, sportuitzendingen,
nieuwsprogramma’s of andere audiovisuele genres en formats.
Televisie dood door opkomst streaming?
o Nee, men dacht al vaker dat televisie weg ging vallen, maar uiteindelijk evolueert het altijd
mee en blijft het bestaan.
o Het is niet omdat men nu vaak aan streamen doet dat men geen tv meer kijkt, dit kan naast
elkaar bestaan.
Reclamemedium bij uitstek?
o Dit is nog altijd televisie!
Verschuiving bij streamingsplatformen terug meer richting het televisiemodel?
o Hoewel streamingsdiensten zich initieel afzonderden van tv, beginnen ze nu ook steeds meer
dingen uit de tv-industrie terug te implementeren.
o Bv: Niet meer direct alle afleveringen van een serie uitbrengen maar gebruik maken van
release windows.
1
,Mediamorphosis:
o Begrip van Roger Fidler.
o = een proces waarbij oude en nieuwe mediatechnologie eerst naast elkaar bestaan en
langzamerhand met elkaar verweven raken, eerder dan vervangen.
o Nieuwe technologie dient zich eerst in de samenleving te wortelen vooraleer aan de
oppervlakte te komen.
2
, Media-economie en mediastructuren:
Hoofdstuk 1: No business like the media business:
Mediasector voor 1970:
o Vertoonde nauwelijks commerciële kenmerken.
o Mediabedrijven waren relatief kleinschalig en voerden onderling weinig concurrentie.
Mediasector vanaf de jaren 1980:
o Toen ging de mediasector door een wereldwijd liberaliseringsgolf en een snelle
commercialisering.
o Zo werden in Europa de monopolies van de publieke omroepen opengebroken, braken
commerciële tv en radio door en raakte het marketing denken ingeburgerd.
Wat is media-economie?
o Het past economische theorieën, concepten en principes toe om de werking en structuur van
mediabedrijven en industrieën te verklaren.
o Gaat niet gewoon over media maar de achterliggende economische structuren achter
mediabedrijven.
o Niet gwn Netflix, maar kijken naar de economische organisatie van het bedrijf.
Economie:
o =wetenschap van de schaarste.
o Mediabedrijven moeten schaarse middelen op efficiënte wijze inzetten om aan de vraag naar
mediaproducten tegemoetkomen.
Mediacontent:
o = het product van een aandachteconomie gericht op het grijpen en behouden van de
aandacht van de mediaconsument.
De mediamachine?
o = de aandachteconomie als een gigantische mediamachine die elke dag opnieuw haast
oneindige stroom van nieuws, informatie en entertainment produceert om onze honger naar
mediacontent te stillen.
o De mediamachine wordt aangedreven door een zucht naar views, clicks, bereik en
engagement en heeft als opperste doel de aandacht van mediaconsumenten te winnen.
Waaraan besteden media-economen aandacht?
o Ze besteden bijzondere aandacht aan eigendoms- en marktstructuren, bedrijfsmodellen,
inkomsten en kostenstructuren en adverteerders, en de impact van regelgeving en nieuwe
technologieën op al deze onderwerpen.
Robert Picard:
o = een van de grondleggers van de media-economie.
o Volgens hem bestuderen media-economen hoe mediabedrijven met de beschikbare
middelen de informatie- en entertainmentbehoeften van publiek, adverteerders en
samenleving vervullen.
3
,Productiefactoren:
o = schaarse middelen die bedrijven gebruiken om hun doelen te realiseren.
Arbeid: creatief en zakelijk talent (‘people business’)
Grondstoffen: materieel of immaterieel
Kapitaal: via eigenaars, investeerders of beursgang
Productiefactoren:
Arbeid:
o De media-industrie is een people business.
o Het aantrekken van creatief talent is noodzakelijk om tot een succesvol mediabedrijf uit te
groeien.
o Digitale technologie verandert de arbeidsomstandigheden in snel tempo.
Grondstoffen:
o Mediabedrijven verwerven toegang tot een reeks van materiële of immateriële
grondstoffen waarmee ze mediaproducten kunnen maken.
o Deze grondstoffen kunnen extern worden aangekocht, deel uitmaken van een
bedrijfsovername of intern ontwikkeld zijn.
Kapitaal:
o Mediabedrijven hebben behoefte aan kapitaal om te investeren in bovenstaande
productiefactoren.
o Kapitaal kan worden versterkt door de eigenaars of door een beursgang, maar ook door
externe financiers zoals banken.
Wat wordt gebruikt om de financiële stabiliteit van een bedrijf te meten?
o Financiële parameters zoals winst of cashflow, maar ook liquiditeits- en solvabiliteitsratio’s
worden hiervoor gebruikt.
Creatief personeel:
o Groot belang voor in de mediasector.
o We hebben creatieve mensen nodig om bv. programma’s te bedenken, …
Tegenstelling: overvloed in de media-economie:
o Er is een gigantische toename van aanbod (content en platformen)
o Maar toch is er vaak schaarste in de media-economie.
Schaarste creëert economische waarde.
Kunstmatige schaarste:
o Mensen zorgen zelf voor een bepaalde schaarste.
o Strategieën om schaarste te creëren.
Bv. ‘limited edition’.
Tijd als schaarste:
o De tijd van de consument is schaars.
o Mediabedrijven moeten aandacht en tijd van de consument winnen om economische
waarde te creëren.
o Zonder kijker is je content niets waard.
4
,Wat bestudeert media-economie dus?
o Het bestudeert de wisselwerking tussen vraag en aanbod binnen de media-industrie.
o Daarbij kan een macro of micro economisch perspectief worden toegepast.
Afbakening van media-economie:
o = Combinatie van mediastudies en economie.
o Toepassen van economische theorieën, concepten en principes om werking media-
industrie/bedrijven/producten te verklaren.
o Begrijpen welke invloed financieel-economische krachten/structuren op
media-industrie/bedrijven/producten uitoefenen.
o Sterk gelinkt aan politieke economie van de communicatie.
o Media als ruilwaarde: niet altijd met geld, ook met aandacht betalen.
Moeilijkheid van gebruik van een klassieke afbakening:
o Technologische ontwikkelingen maken het steeds moeilijker om een klassieke afbakening
van de mediasector volgens medium te handhaven.
o Er is een toenemende convergentie tussen de deelsectoren aan de gang.
Gevolg van concentratie van verschillende media-activiteiten:
o Het concentreren van verschillende media-activiteiten onder één dak heeft geleid tot
multimediale mediabedrijven, zoals DPG-media of Mediahuis, die actief zijn in verschillende
deelsectoren.
Macro-economie:
o Hier ligt de focus op vraag en aanbod tussen individuele factoren.
o Het analyseert de werking van individuele markten, bedrijven of producten.
o Gehele economische economie.
o Nationale, Europese, wereldeconomie.
Micro-economie:
o Bestudeert het gehele economische systeem, met bijzondere focus op economisch groei,
tewerkstelling, inflatie of export/import.
o Vraag en aanbod tussen individuele actoren.
o Consumenten, bedrijven en markten.
Verschillende types ondernemingen op basis van:
o Functies (rollen): producent – aggregator – distributeur
o Omvang: groot en klein, lokaal en internationaal
o Eigendom: beursgenoteerd, familie-eigendom, overheid
Aggregator:
o = een tussenpartij die muziek of andere content verzamelt en aanlevert aan grote platforms
zoals Spotify, Apple Music en Deezer.
o = levert content aan grote platforms.
Theorieën over de onderneming:
o =Theories on the firm.
o Neoklassieke theorie.
o Transactiekostentheorie.
5
, o Agency theorie.
Neoklassieke theorie:
Neoklassieke theorie:
o =winstmaximalisatie.
o = homo economicus op bedrijfsniveau.
o Een kosten-baten analyse vormt een van de belangrijkste instrumenten.
o Hebben alleen puur commercieel doel.
o Bedrijf zet kosten efficiënt in = rationele keuzes maken.
Opportuniteitskost:
o Bij elke keuze offert de onderneming ook een alternatief op, dit alternatief is de
opportuniteitskosten.
o = de waarde en opbrengst van het best mogelijke alternatief ten opzichte van de
uiteindelijke genomen beslissing.
Neoklassieke economen:
o Zij stellen zich bijzonder kritisch op tegenover de rol van de overheid op de markt.
o Niet de overheid, maar wel marktmechanismen creëren de gunstigste uitkomst.
o Overheidsinterventie wordt gezien als remmend en verstorend voor de werking van de
markt.
Wie creëert de beste uitkomst?
o De markt creëert de beste uitkomst en niet de overheid.
o Overheid grijpt alleen in bij marktfalen wanneer de markt onvoldoende ‘werkt’.
Door bv. subsidies, …
Marktfalen:
o Dit komt voor wanneer de markt onvoldoende werkt en er niet in slaagt de beste uitkomst
te creëren.
o Overheidsingrijpen wordt doorgaans aanvaard als het aanbod gerealiseerd door de markt
vanuit maatschappelijk oogpunt achterwege blijft.
Kritiek op neoklassieke perspectief:
o Niet elk mediabedrijf streeft zoveel mogelijk winst na.
Bv. VRT zij hebben een maatschappelijk doel, niet per se winst als doel.
o Overheid om negatieve uitkomst markt te remediëren.
Sommige series zouden niet mogelijk zijn zonder tussenkomst van de overheid.
‘Over media heb ik niks te zeggen’:
o Boek van Sven Gatz.
o Met de titel bedoelt hij dat wij of hij als minister zelf geen invloed heeft op de media.
o De media is een eigen entiteit, waar we vaak niet veel vat of invloed hebben.
Minister van media:
o Cieltje Van Achter.
o Vroeger Benjamin Dalle.
6
, Transactiekosten theorie:
Transactiekosten theorie:
o Bouwt verder op de inzichten van de Nobelprijswinnaar Ronald Coase.
o = kosten die in verband staan met de transactie.
o = bedrijven als alternatief voor de markt.
Transactiekosten:
o Dit zijn de kosten die nodig zijn om de transactie uit te voeren zoals zoek- en
informatiekosten, contractkosten en controle- en nalevingskosten.
Marktcontracten productie per productie (eenmalige producties):
o Losse arbeidscontracten voor specifieke opdracht.
o Impliceert transactiekosten (onderhandeling).
Hoe besparen ondernemingen op transactiekosten?
o Ze besparen hierop door personeel via langdurige arbeidscontracten in een
gecentraliseerde structuur aan zich te binden.
o Dat geldt zeker voor seriële producties die op soortgelijke wijze kunnen uitgevoerd
worden.
Coördinatiekosten:
o Tegenover de besparing van transactiekosten staan deze kosten voor de onderneming om
het werk te organiseren en op te volgens zoals directeurslonen of communicatiekosten.
o Wanneer deze kosten lager zijn dan de transactiekosten, dan biedt de onderneming een
efficiëntere oplossing dan transacties via de markt uit te voeren.
Bedrijf als coördinatiekosten < transactiekosten:
o Speelt vaak rol bij overnames in media.
o Bv. Amazon die Metro Goldwyn Mayer kocht.
Waar zijn transactiekosten alomtegenwoordig?
o In creatieve industrieën.
o Mediabedrijven sluiten contracten voor de aankoop van allerhande programmarechten
zoals tv-series of sportuitzendingen.
Agency theorie:
Agency theorie:
o =tegengestelde belangen.
o Ziet de onderneming ook als een bundel van contracten tussen verschillende partijen en
besteedt specifiek aandacht aan de relatie tussen aandeelhouders en management.
o = relatie tussen eigenaars en managers (CEO)
Deze kunnen tegenstrijdige belangen en conflict hebben.
Aandeelhouders:
7