Samenvatting
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 .......................................................................................................................................... 2
Kennisclip Natrekking ........................................................................................................................ 12
Leereenheid 2 ........................................................................................................................................ 15
Kennisclip Bezit en houderschap ...................................................................................................... 23
Leereenheid 3 ........................................................................................................................................ 26
Hoorcollege 1 .................................................................................................................................... 35
Werkcollege 1.................................................................................................................................... 45
Leereenheid 4 ........................................................................................................................................ 53
Kennisclip De vereisten voor overdracht .......................................................................................... 60
Leereenheid 5 ........................................................................................................................................ 71
Kennisclip Cessie, de overdracht van vorderingen op naam ............................................................ 81
Leereenheid 6 ........................................................................................................................................ 86
Hoorcollege 2 .................................................................................................................................... 97
Werkcollege 2.................................................................................................................................. 112
Leereenheid 7 ...................................................................................................................................... 119
Kennisclip Pand en hypotheek tot zekerheid voor toekomstige vorderingen ................................. 129
Leereenheid 8 ...................................................................................................................................... 132
Kennisclip De overdraagbaarheid en verpandbaarheid van vorderingen ....................................... 139
Leereenheid 9 ...................................................................................................................................... 144
Leereenheid 10 .................................................................................................................................... 147
Kennisclip Rangorde ....................................................................................................................... 161
Hoorcollege 3 .................................................................................................................................. 164
Werkcollege 3.................................................................................................................................. 175
1
, Goederenrecht
Leereenheid 1
Boek
Hoofdstuk 2
§2.1
Het vermogensrecht regelt alle rechtsverhoudingen die verband houden met het vermogen van
personen.
Vermogen bestaat uit twee bestanddelen:
• Goederen
• Banktegoeden en aandelen
• Vorderingen en eigendom van zaken
• Schulden
• Verplichtingen jegens derden
Samen vormen zij het verhaalsvermogen van een persoon → art. 3:276 BW.
Vermogensrecht:
a) Goederenrecht (Boek 3 en 5 BW):
• Classificatie van goederen → art. 3:1 BW
• Verhouding tussen personen en goederen
• Verkrijging/verlies van goederen
• Vaststelling van iemands vermogen
• Het verhaal, de uitwinning en rangorde van schuldeisers
b) Verbintenissenrecht (Boek 3 en 6 BW):
• Het ontstaan, de inhoud en het einde van verbintenissen
• Bescherming van contractuele aanspraken
• Aansprakelijkheid bij schade en bescherming tegen ongewenst gedrag
o Het verbintenissenrecht onderscheidt verbintenissen:
▪ Uit de wet → zoals bij onrechtmachtige daad (art. 6:162 BW) of
onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW)
▪ Uit rechtshandeling → zoals bij benoemde (bijv. koop, huur) of onbenoemde
overeenkomsten.
Objectieve vermogensrecht
Boek 3 → het geheel van rechtsregels dat op vermogenshoudingen van toepassing is, ongeacht wie
de partij is (natuurlijke persoon of rechtspersoon).
• Een rechtspersoon (zoals een BV of stichting) wordt voor het goederenrecht gelijkgesteld met een
natuurlijk persoon (art. 2:5 BW), tenzij anders bepaald.
o In het verbintenissenrecht wordt soms wél onderscheid gemaakt, met name bij
consumentenbescherming.
Subjectieve rechten
Binnen het vermogensrecht onderscheiden we:
a) Relatieve rechten tegenover een persoon → tegenover een bepaalde persoon uit te oefenen.
o Bijv. een vorderingsrecht uit verbintenis.
▪ A heeft op grond van een overeenkomst een vordering op B → art. 3:296 BW.
b) Absolute rechten op een goed→ tegenover iedereen afdwingbaar.
o Geeft een exclusieve aanspraak op een goed en verplicht ieder ander zich te onthouden
van inbreuk. Bijv. het eigendomsrecht (het meest omvattende absolute recht op een
zaak).
▪ A heeft eigendom van een stuk grond (art. 5:1 lid 2 BW) en kan dat recht tegen
eenieder inroepen, ook met een revindicatie → art. 5:2 BW.
2
, Goederenrecht
Goederenrecht hanteert een systematisch begrippenapparaat van genus en species:
• Goederen art. 3:1 BW omvatten:
o Zaken art. 3:2 BW → de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten
▪ Auto of boek
o Vermogensrechten art. 3:6 BW → rechten die:
▪ Overdraagbaar zijn, afzonderlijk of samen met een ander recht
▪ Ertoe strekken stoffelijk voordeel te verschaffen
▪ Verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel
Voorbeelden van vermogensrechten:
• Vorderingen
• Intellectuele eigendom
• Aandelen
• Beperkte rechten (vruchtgebruik, erfdienstbaarheid)
§2.2
Art. 5:1 BW Eigendom → is het meest omvattende absolute recht dat een persoon op een zaak (art.
3:2 BW) kan hebben. Het recht omvat de bevoegdheid tot:
• Gebruik → usus art. 5:1 lid 2 BW
• Vruchtgebruik → fructus art. 5:1 lid 3 BW
• Vernietiging of vervreemding → abusus
• Het dragen van het risico → casum sentit dominus
• Exclusieve revindicatie → art. 5:2 BW
Eigendom is:
• Onbeperkt in tijd
• Onbeperkt in doel of functie
• Vrij overdraagbaar → art. 3:83 BW
• Niet onderworpen aan enige goederenrechtelijke verplichting tot betaling van een ander
Voor vermogensrechten (art. 3:6 BW) spreken we niet van eigendom maar van gerechtigdheid of
rechthebbende zijn. Alleen bij zaken is juridisch sprake van eigendom.
Goederenrecht kent het gesloten systeem (numerus clausus)
• Alleen wettelijk erkende rechten kunnen als beperkt recht worden gevestigd → art. 3:81 lid 1 BW.
• De inhoud en grenzen van deze rechten zijn wettelijk gefixeerd → typenfixierung.
Genotsrechten (gebruiksrechten) Zekerheidsrechten art. 3:227 lid 1 BW
Vruchtgebruik art. 3:201 BW Pandrecht art. 3:236 BW
Erfdienstbaarheid art. 5:70 lid 1 BW Hypotheekrecht art. 3:260 BW
Erfpacht art. 5:85 lid 1 BW
Opstalrecht art. 5:101 lid 1 BW
3
, Goederenrecht
Beperkte rechten
Voldoet de rechtsverhouding aan de totstandkomingsvereisten van een beperkt recht?
Ja Nee
Voldoet de Er is hooguit sprake
rechtsverhouding van een
aan de verbintenisscheppende
inhoudsvereisten overeenkomst.
van een beperkt
recht?
Ja Nee
Er is Er is hooguit sprake
sprake van een
van een verbintenisscheppende
beperkt overeenkomst.
recht.
Dit laat zien: voldoet een rechtsverhouding niet aan de totstandkomings- én inhoudsvereisten, dan is
er geen goederenrechtelijk recht, maar hooguit een verbintenisscheppende overeenkomst.
Dispositievrijheid
De rechthebbende van een goed heeft in beginsel de vrijheid (dispositievrijheid) om daarover te
beschikken, door overdracht of bezwaring.
Deze vrijheid berust op:
• De rechtspositie als rechthebbende van een goed → art. 5:1 BW.
• De handelingsbekwaamheid → art. 3:32 lid 1 BW.
Beperkingen op dispositievrijheid zijn uitzonderlijk en moeten wettelijk worden gerechtvaardigd.
• Voorbeelden:
o Erfrechtelijk beperkingen → zoals legitieme portie art. 4:63 BW
o Fideï-commis → art. 4:56 BW
o Beperkingen bij faillissement of onteigening
o Doeloverschrijding bij rechtspersonen → art. 2:7 BW
Voor kinderen geldt een flexibel systeem van handelingsbekwaamheid (art. 1:234 BW).
Rechtshandeling van handelingsonbekwamen zijn aantastbaar (art. 3:32 lid 2 BW).
Uitwinbaarheid en verhaalsvermogen art. 3:276 BW
Alle goederen van een persoon vormen zijn verhaalsvermogen:
• Elk goed van de debiteur is in beginsel uitwinbaar door zijn crediteuren → art. 3:276 BW.
• Goederen van derden zijn in beginsel niet uitwinbaar.
• Alle schuldeisers hebben in beginsel gelijke rechten → art. 3:277 BW – paritas creditorum.
4