H3 - 3.1 Beeldend onderwijs
Beeldend onderwijs betekent het maken en het beschouwen van beelden. De kinderen doen
dit door zelf beeldend werk te maken of door er samen naar te kijken en over te praten.
In het jargon worden de termen productie, receptie en reflectie gebruikt.
Maken betekent dat je iets doet met je handen. De handen doen dit niet vanzelf, die worden
aangestuurd door het hoofd. In het cirkelmodel is dit terug te vinden in de
procescomponenten werkwijze en onderzoek.
Het maken en het handig omgaan met materialen en gereedschappen horen bij de
werkwijze. Bij onderzoek gaat het erom hoe leerlingen het maakproces op hun eigen,
creatieve manier vormgeven. Bij procesgerichte didactiek draait het om ontdekken, durven,
proberen en dingen op je eigen manier doen.
Binnen de kerndoelen wordt beschouwing samen met reflecteren behandeld. Beschouwen
betekend goed kijken, onderzoeken en onder woorden brengen wat je ziet. Het houdt in dat
je afstand neemt en verder kijkt dan alleen het oppervlakkige.
Als beschouwen vanuit een persoonlijk perspectief gebeurt, noem je dat reflecteren. Stel
vragen die bewustwording stimuleren. Reflecteren beïnvloedt hoe mensen hun gedrag
sturen en daarmee ook het onderwijs.
H3- 3.2 Beeldend onderwijs en de kerndoelen
De kerndoelen van het primair onderwijs geven aan dat basisonderwijs kinderen breed
moet vormen. Het richt zich op hun emotionele en verstandelijke ontwikkeling, creativiteit
en het ontwikkelen van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.
Beeldend onderwijs draagt specifiek bij aan de brede
ontwikkeling van kinderen, omdat het verschillende
ontwikkelingsgebieden stimuleert.
Beeldend vormgeven vindt altijd plaats in een sociaal-
emotionele context. Kinderen maken persoonlijke keuzes om
hun eigen verbeelding vorm te geven. In een veilig
pedagogisch klimaat ondersteunt beeldend onderwijs actief
de sociaal-emotionele ontwikkeling.
De cognitieve en zintuigelijke ontwikkeling draait om het
vermogen om kennis te vergaren. Waarneming (perceptie) en
cognitie zijn sterk met elkaar verbonden. Kennis kan worden
uitgedrukt in geluid, taal, formules, symbolen en beelden. Deze vormen zijn representaties
van kennis over de werkelijkheid. Vormsystemen helpen om waarnemingen bewust te maken
en verder te bewerken.
, Tijdens beeldend vormgeven richten kinderen zich op hun waarneming. Ze stellen vragen en
ontdekken dat waarnemingen ruimte bieden voor interpretatie en dat context de informatie
sterk beïnvloedt. Deze activiteiten leiden tot een groter bewustzijn (perceptual awereness),
waarbij kinderen zich realiseren dat ze waarnemende en lerende personen zijn.
Beeldend onderwijs stimuleert ook het voorstellingsvermogen. Kinderen richten zich op ‘wat
er nog niet is’ en leren vooruitdenken. Dit creatieve proces zorgt ervoor dat kennis beter
wordt onthouden door de beeldende verwerking.
Cognitieve ontwikkeling bij kinderen omvat het leren herkennen van samenhang en
patronen. Bij beeldend vormgeven ervaren ze hoe betekenissen veranderen door variaties in
vorm en materiaal. Door te reflecteren op hun probleemoplossingsstrategieën ontwikkelen
ze metacognitieve vaardigheden. Het psychomotorische aspect gaat over de samenwerking
tussen zien, bewegen en beslissen tijdens het vormgeven.
Kerndoelen:
Kerndoel 54: De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken
om gevoelens en ervaringen uit te drukken en te communiceren.
Kerndoel 55: De leerlingen leren te reflecteren op hun eigen werk en dat van
anderen.
Kerndoel 56: De leerlingen krijgen kennis van de waardering voor aspecten van
cultureel erfgoed.
H4 – 4.1 stappen bij de lesvoorbereiding
Als je zelf een beeldende lesactiviteit gaat uitvoeren, is een methode daarvoor het beste. Je
maakt de keuze vanuit het oogpunt van de groep kinderen. Natuurlijk kijk je eerst naar de
beginsituatie. Vervolgens maak je een basisplan, de beschrijving van de lesdoelen en
evaluatiecriteria. Je anticipeert daarmee op de les die je met de kinderen wilt uitvoeren. Je
kiest passende leerinhouden, didactisch materiaal en een passende inrichting van de
leeromgeving. Dit alles documenteer je in de lesvoorbereiding.
Leskeuze en Basisplan met Keuzes voor Uitwerking van
bepaling doelen en inrichting van lesactiviteiten in
beginsituatie evaluatiecriteria leeromgeving lesbeschrijving
H4 – 4.2 de beginsituatie en de lesactiviteit
Het is veiliger om een activiteit uit een vroegere jaargroep te kiezen. Een les uit een
lesmethode gaat ervan uit dat de kinderen voorafgaande lessen hebben doorlopen. Ze
hebben dus al kennis en vaardigheden opgedaan. Vaak is dit niet het geval. Zorg dus dat je de
beginsituatie van de leerlingen goed in kaart hebt. De beginsituatie is het geheel van
voorwaarden die het welslagen van een leeractiviteit in hoge mate beïnvloeden.