Samenvatting per lessen en de bijbehorende leerdoelen:
Les 1&2
H5
Kindermishandeling (volgens Wet op de jeugdzorg 2005):
Elke vorm van een voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van
fysieke, psychische of seksuele aarde, die de ouders of anderen personen ten opzichte van
wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief
opdringen, waardoor ernstige schade wordt betrokken of dreigt te worden berokkend aan de
minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.
Kindermishandeling is wanneer een minderjarige fysiek, psychisch of seksueel wordt
mishandeld of verwaarloosd door een ouder of iemand van wie het kind afhankelijk is,
waardoor ernstige schade ontstaat of kan ontstaan.
Gewelddadige gezinssystemen:
Een gezin waarin geweld, bedreiging of agressie vaker voorkomt tussen gezinsleden. Het
kind groeit dan op in een onveilige omgeving, ook wanneer het geweld niet rechtstreeks
naar het kind is gericht.
Vormen van geweld:
1. Lichamelijke mishandeling: slaan, martelen, vastbinden, opsluiten.
2. Seksueel misbruik: geen lijfelijke privacy, betastingen, seksuele handelingen,
verkrachtigingen, uitbuiten door porno te maken
3. Psychisch, verbaal of emotioneel geweld: vernederen, kleineren, chanteren,
uitschelden, claimen, bedreigen, straffen, manipulatie of pesten.
4. Lichamelijke verwaarlozing: geen of slechte lichamelijke verzorging, zoals geen
kleding, voedsel of juist hygiëne
5. Affectieve verwaarlozing: negeren en geen liefdevolle aandacht geven
6. Getuige zijn van geweld in het gezin.
Manipulatie: iemand probeert jouw gedachten, gevoelens of gedrag te beïnvloeden om zelf
voordeel, macht of controle te krijgen.
Gaslighting: Een vorm van psychologische manipulatie waarbij iemand de werkelijkheid
verdraaid of gebeurtenissen ontkent, zodat het slachtoffer gaat twijfelen aan het eigen
geheugen, de waarneming en het gezonde verstand. Hierdoor raakt het slachtoffer onzeker,
verward en afhankelijk van de gaslighter.
, 2
Hoezo blijft geweld in stand?
1. Angst: bang voor een concrete straf
-”Als je x doet dan gebeurd Y”
2. Bescherming: Beschermen van een ander gezinslid, door de klappen op te vangen.
Ook kan het bescherming zijn naar de buitenwereld, en dan wordt de dader
beschermd. Dat komt door
3. misplaatste loyaliteit.
4. Omkoping: Jezelf ruilen in plaats voor dingen dat je verlangt
5. Schuldgevoel: Het gevoel dat het hun fout is of dat ze het zelf verdienen.
-”Ik liet het gebeuren”
6. Lichamelijke opwinding: Bij vooral seksueel misbruik raakt het lichaam
opgewonden zonder dat ze het willen. Hier kan de dader op in spelen door te
zeggen: “Ik weet dat je het wilt.” Hierdoor twijfelt het kind alleen nog meer of ze het
echt wilde.
7. Denken dat het normaal is: Vooral wanneer kinderen niet over de vloer bij andere
komen, weten ze niet wat het juiste is en denken ze dat het geweld normaal is.
8. Niet gehoord bij de eerste poging: Meestal heeft de betreffende dader een
bepaald imago , waardoor het niet snel geloofd gaat worden.
Kind als bezit:
Het kind wordt niet gezien als een individueel persoon, maar als iemand die moet voldoen
aan de behoeften van een ander. Hierbij denkt het kind dat het alleen waarde heeft als hij
iets voor de dader doet of belangrijk is voor de dader. Het kind is een bezit van de ander en
vervult een bepaalde rol, het gaat hier om de vervulling van de rol, niet het kind zelf. De
opgelegde rol vanuit de ouder naar het kind is de betekenis waarom een ouder op een
bepaalde manier reageert.
Vormen van kindermishandeling (volgens de Powerpoint):
1. Slaan
2. Seksueel misbruik
3. Verwaarlozing
4. Niet gezien worden
5. Gepest worden
6. Symbiotische relatie
7. Geen eigen wil mogen hebben
Symbiotische relatie: Ouder bindt zijn kind zodanig, waardoor het kind geen individualiteit
ervaart en geen ontwikkeling kan maken. Het kind staat klaar voor de ouder i.p.v andersom,
en er is een verplichte loyaliteit.
, 3
H6
Partnergeweld: Geweld tussen (ex) partners.
Gevangenschap:
Situatie waarbij de dader volledige macht heeft over het slachtoffer, doordat de slachtoffer
bang is voor de dader is en alles doet wat de dader verlangt. Die permanente angst komt de
regels waar zij zich aan moeten houden en de onvoorspelbare uitbarstingen van geweld.
Deze geweldadige uitbarstingen worden meestal in het begin afgewisseld met cadeutjes of
excuses. Kortom: gevangenschap houdt in dat iemand het eigendom van de dader wordt en
denkt en doet wat de dader wilt.
Machtsmiddelen van dader:
1. Intimidatie: De ander bang maken en dwingen dat de ander je gehoorzaamt. De
dader pleegt fysiek of seksueel geweld, dreigt anderen die je liefhebt pijn te doen, en
dreigt je eigendommen te vernietigen. Ook met wapens dreigen.
2. Vernederen en uitschelden: Herhalend dezelfde dingen tegen de ander zeggen
waardoor de ander gaat twijfelen.
3. Belachelijk maken bij vrienden of familie.
4. Isoleren van familie: Onwaarheden verspreiden bij de omgeving van het slachtoffer.
Bij het slachtoffer erin stampen dat de omgeving niet goed voor hun is.
5. Isoleren van slachtoffers: Verbieden van de ander om te werken of het huis te
verlaten, de ander op te sluiten of altijd meegaan met de slachtoffers als die naar
buiten gaat.
6. Financieel te isoleren: Zorgen dat het slachtoffer geen toegang heeft tot
bankzaken, geen eigen geld of bankpas en geld natellen, bijvoorbeeld na het
boodschappen doen.
7. Emotionele chantage: Druk leggen op de ander met dreigementen zoals “Ik pleeg
zelfmoord als je weggaat.”
H7:
4 overlevingsstrategieën:
1. Fight: Vechten dat uit zich in: boos terug reageren, terug schreeuwen of terugslaan.
2. Flight: Vluchten dat uit zich in: de kamer verlaten, wegrennen of contact vermijden.
3. Freeze: Bevriezen, lichamelijk verstijven, geen woord of beweging kunnen maken.
4. Faint: Flauw te vallen, door uit het lichaam te treden. Vooral bij extreme vormen van
geweld, zoals verkrachting of in elkaar geslagen worden. Dit is ook wel dissociatie.