Module 2 – bovenste extremiteiten
C. hand en pols
a. osteologie van het ossa carpi en ossa metacarpi
1) ossa carpi
1.1 algemeen
- korte beenderen v/d carpus (handwortel) zijn gelegen in twee rijen van
vier
Ossa carpi proximalia
o Van radiaal naar ulnair: os scaphoideum (scheepvormig), os
lunatum (maanvormig), os triquetrum (driehoekig) en os
pisiforme (erwtebeen -> sesambeentje)
Ossa carpi distalia
o Van radiaal naar ulnair: os trapezium (groot veelhoekig),
het os trapezoideum (klein veelhoekig), os
capitatum (gehoofd) en os hamatum (gehaakt)
1.2 gewrichtsvlakken
- op plaatsen waar handwortelbeenderen onderling met elkaar in contact
komen
- het os scaphoideum en het os lunatum vertonen een proximaal
gewrichtsvlak voor de radius
- de proximale rij vertoont distaal gewrichtsvlakjes voor de distale rij
- de distale rij vertoont proximaal gewrichtsvlakjes voor de proximale rij,
distale vlakjes bestaan voor de middenhand (metacarpus)
- os trapezium vormt gewricht met metacarpaal I en II
- het os trapezoideum raakt metacarpaal II
- os capitatum grenst aan metacarpaal II, III en IV
- tegenover het os hamatum ligt metacarpaal IV en V
1.3 sulcus carpi (= concaviteit v/d carpus)
- radiaal: 2 palmaire verhevenheden
het tuberculum ossis scaphoidei
het tuberculum ossis trapezii
- ulnair: beenderen dat zich verheffen
os pisiforme
hamulus ossis hamati (haak)
- ossa carpi bevinden zich niet in één vlak, beschrijven een mediolaterale
palmaria concaviteit -> begrensd door 4 (hogergenoemde) verhevenheden
- sulcus carpi wordt opgevuld door pezen van pols- en vingerbuigers
1
, 1.4 palpatie
- kan slechts gedeeltelijk gevoeld worden (4 verhevenheden zijn duidelijk
herkenbaar)
2) ossa metacarpi
2.1 algemeen
- middenhand/ metacarpus
- bestaat uit 5 middenhandsbeenderen die de palmaire concaviteit van de
sulcus carpi voortzetten
- ze zijn licht gebogen -> zodat de handpalm een kom vormt, ten voordele
v/h stevig manipuleren van voorwerpen in de hand
- elke metacarpaal bestaat uit een proximale basis, een corpus en een
distaal caput
- schacht/ corpus: driehoekig in de doorsnede, met de vlakte dorsaal
gericht
- caput: bezit convex gewrichtsoppervlakten voor de phalangen
- aan de basis bestaan gewrichtsvlakken voor de carpus en
gewrichtsvlakken voor de naburige metacarpalen
- metacarpalen worden genummerd van radiaal (duim = MC1) naar ulnair
(pink = MC5)
2.2 bijzonderheden
- os metacarpale I:
kort en relatief dik
bezit geen laterale facetjes
het proximale gewrichtsopp is zadelvormig
Mediale rotatie: 90°, zodat de palmaire zijde niet naar anterior wijst
(zoals bij de andere metacarpalen), maar naar het midden van de
hand
o Oriëntatie zorgt ervoor dat de nagel v/d duim zich niet dorsaal,
maar lateraal bevindt (functioneel: belangrijke rang tussen
duim en vingers)
- os metacarpale II en I:
Metacarpale II: langste
Vertonen radiaal en dorsaal een uitsteeksel -> processus styloideus
- os metacarpale V:
Heeft ulnair geen gewrichtsvlakje, maar wel een tuberculum (voor
aanhechting van m. extensor carpi ulnaris)
2.3 palpatie
2
C. hand en pols
a. osteologie van het ossa carpi en ossa metacarpi
1) ossa carpi
1.1 algemeen
- korte beenderen v/d carpus (handwortel) zijn gelegen in twee rijen van
vier
Ossa carpi proximalia
o Van radiaal naar ulnair: os scaphoideum (scheepvormig), os
lunatum (maanvormig), os triquetrum (driehoekig) en os
pisiforme (erwtebeen -> sesambeentje)
Ossa carpi distalia
o Van radiaal naar ulnair: os trapezium (groot veelhoekig),
het os trapezoideum (klein veelhoekig), os
capitatum (gehoofd) en os hamatum (gehaakt)
1.2 gewrichtsvlakken
- op plaatsen waar handwortelbeenderen onderling met elkaar in contact
komen
- het os scaphoideum en het os lunatum vertonen een proximaal
gewrichtsvlak voor de radius
- de proximale rij vertoont distaal gewrichtsvlakjes voor de distale rij
- de distale rij vertoont proximaal gewrichtsvlakjes voor de proximale rij,
distale vlakjes bestaan voor de middenhand (metacarpus)
- os trapezium vormt gewricht met metacarpaal I en II
- het os trapezoideum raakt metacarpaal II
- os capitatum grenst aan metacarpaal II, III en IV
- tegenover het os hamatum ligt metacarpaal IV en V
1.3 sulcus carpi (= concaviteit v/d carpus)
- radiaal: 2 palmaire verhevenheden
het tuberculum ossis scaphoidei
het tuberculum ossis trapezii
- ulnair: beenderen dat zich verheffen
os pisiforme
hamulus ossis hamati (haak)
- ossa carpi bevinden zich niet in één vlak, beschrijven een mediolaterale
palmaria concaviteit -> begrensd door 4 (hogergenoemde) verhevenheden
- sulcus carpi wordt opgevuld door pezen van pols- en vingerbuigers
1
, 1.4 palpatie
- kan slechts gedeeltelijk gevoeld worden (4 verhevenheden zijn duidelijk
herkenbaar)
2) ossa metacarpi
2.1 algemeen
- middenhand/ metacarpus
- bestaat uit 5 middenhandsbeenderen die de palmaire concaviteit van de
sulcus carpi voortzetten
- ze zijn licht gebogen -> zodat de handpalm een kom vormt, ten voordele
v/h stevig manipuleren van voorwerpen in de hand
- elke metacarpaal bestaat uit een proximale basis, een corpus en een
distaal caput
- schacht/ corpus: driehoekig in de doorsnede, met de vlakte dorsaal
gericht
- caput: bezit convex gewrichtsoppervlakten voor de phalangen
- aan de basis bestaan gewrichtsvlakken voor de carpus en
gewrichtsvlakken voor de naburige metacarpalen
- metacarpalen worden genummerd van radiaal (duim = MC1) naar ulnair
(pink = MC5)
2.2 bijzonderheden
- os metacarpale I:
kort en relatief dik
bezit geen laterale facetjes
het proximale gewrichtsopp is zadelvormig
Mediale rotatie: 90°, zodat de palmaire zijde niet naar anterior wijst
(zoals bij de andere metacarpalen), maar naar het midden van de
hand
o Oriëntatie zorgt ervoor dat de nagel v/d duim zich niet dorsaal,
maar lateraal bevindt (functioneel: belangrijke rang tussen
duim en vingers)
- os metacarpale II en I:
Metacarpale II: langste
Vertonen radiaal en dorsaal een uitsteeksel -> processus styloideus
- os metacarpale V:
Heeft ulnair geen gewrichtsvlakje, maar wel een tuberculum (voor
aanhechting van m. extensor carpi ulnaris)
2.3 palpatie
2