Module 2 – bovenste extremiteiten
B. de elleboog
a. osteologie van het ossa antebrachii
1) ossa membri superioris liberi
- beenderen van de arm vertonen qua opbouw gelijkenissen met het
onderste lidmaat:
1 os brachii: de humerus -> de femur
2 ossa antebrachii: ulna en radius -> scheenbeen en kuitbeen
8 ossa carpi (handwortelbeenderen) -> 7 ossa tarsi
5 ossa metacarpi (middenhandsbeenderen) -> 5 ossa metatarsi
4x3+2 ossa digitorum manus (beenderen v/d vingers) -> 14 ossa
digitroum pedis
Kleine ossa sesamoidea -> groot sesambeentjes (de knieschijf)
2) ossa antebrachii
- voorarm bestaat uit 2 beenderen:
1. Ulna (ellepijp)
Mediaal
Verbindt voorarm met humerus
Ulna steekt proximaal uit boven de radius
2. Radius (spaakbeen)
Lateraal
Verbindt voorarm met hand
Reikt distaal verder dan ulna
- ulna is langer
- membrana interossea: sterk vlies dat gespannen is tussen beide
beenderen
- in anatomische houding
Beide beenderen lopen parallel
Radius distaal naar buiten omgebogen -> draait rond ulna (neemt de
hand mee, zodat rug naar voor wijst => pronatie)
1
,DE ULNA
1.1 algemeen
- mediaal van de radius
- heeft schacht met 2 extremiteiten
1. Proximaal: extremitas proximalis -> haakvormig tegenbeeld v/d
trochlea voor gewricht met de humerus
2. Distaal: kleine en ronde caput ulnea -> articuleert niet met de
carpus (handwortel)
- articuleert aan beide uiteinden met de radius
1.2 extremitas proximalis
- is groot en bestaat uit 2 opvallende uitsteeksels
1. Olecranon (de elleboog):
Bekvormig en wijst naar voor
Achtervlakte is driehoekig met de basis naar boven
Effen, licht convex en loopt onderhuids
Voorzijde is concaaf en bedekt met kraakbeen
Vormt bovenste deel v/d incisura trochlearis
Randen zijn verdikt en ruw
2. Processus coronoideus
Springt uit schacht naar voor en past bij buiging in de
gelijknamige kuil v/d humerus (fossa coronoidea)
Heeft een opwaarts gericht gewrichtsvlak (vervolledigt
convexiteit v/d incisura trochlearis)
Eronder bevint zich een onregelmatige vlakte, die eindigt als
de ruwe tuberositas ulnae (geeft aan hechting aan de m.
brachialis)
Op laterale rug: ligt een concaviteit, de incisura radialis ->
ontvangt kopje v/d radius
Hieronder en uitlopend in de schacht ligt de driehoekige fossa
supinatoris, waarop een benige kam begint, crista musculi
supinatoris
- incisura trochlearis:
Halvemaanvormige uitholling, wordt door een verticale rimpel
gescheiden in 2 ongelijke delen: de grote mediale rug en de kleinere
laterale rug
De vlakken en rimpel stemmen overeen met de vlakken en de groef
in de trochlea humeri (waar ze tegenaan liggen)
2
, 1.3 schacht of corpus
- in doorsnede driehoekig:
Margo interossea:
o Waaraan interossea is vastgehecht
o Loopt uit vanaf het onderste punt v/d fossa supinatoris
o Is lateraal gelegen
Margo anterior:
o Loopt uit vanaf de mediale rand van de processus coronoideus
o Is minder uitgesproken
Margo posterior:
o S-vormige subcutaan gelegen
o Bovenaan scherp en loopt uit vanaf het subcutaan gelegen
olecranon
- tussen de margo’s liggen vlakken
Facies anterior: tussen margo interossea en margo anterior
Facies medialis: tussen margo anterior en margo posterior (minder
duidelijk vlak, wegens de ronde margo anterior)
Facies posterior: tussen margo posterior en margo interossea
- distaal: kleine vernauwing, thv de fossa supinatoris vinden we een
foramen nutricium
1.4 caput ulnae
- kleine ronde hoofd als een verbreding na de distale vernauwing in de
schacht
- processus styloideus: uitsteekseltje dat naar mediaal en distaal gericht
uit de achterzijde springt
- circumferentia articularis ulnae: gewrichtsvlakje voor de radius die
zich aan de voorzijde en lateraal bevindt
- distaal wijzende vlakje is effen en glad en articuleert (via een
gewrichtsschijfje) met de os triquetrum (de handwortel)
1.5 palpatie
- proximaal:
het olecranon kan duidelijk gevoeld worden bij buiging (vormt punt
v/d elleboog)
margo posterior kan over gans zijn verloop gevolgd worden
- distaal:
caput ulnae en processus styloideus kan gevoeld worden
caput is de uitspringende knobbel op de pols die boven de handrug
gevolgd kan worden bij volledige pronatie
3
B. de elleboog
a. osteologie van het ossa antebrachii
1) ossa membri superioris liberi
- beenderen van de arm vertonen qua opbouw gelijkenissen met het
onderste lidmaat:
1 os brachii: de humerus -> de femur
2 ossa antebrachii: ulna en radius -> scheenbeen en kuitbeen
8 ossa carpi (handwortelbeenderen) -> 7 ossa tarsi
5 ossa metacarpi (middenhandsbeenderen) -> 5 ossa metatarsi
4x3+2 ossa digitorum manus (beenderen v/d vingers) -> 14 ossa
digitroum pedis
Kleine ossa sesamoidea -> groot sesambeentjes (de knieschijf)
2) ossa antebrachii
- voorarm bestaat uit 2 beenderen:
1. Ulna (ellepijp)
Mediaal
Verbindt voorarm met humerus
Ulna steekt proximaal uit boven de radius
2. Radius (spaakbeen)
Lateraal
Verbindt voorarm met hand
Reikt distaal verder dan ulna
- ulna is langer
- membrana interossea: sterk vlies dat gespannen is tussen beide
beenderen
- in anatomische houding
Beide beenderen lopen parallel
Radius distaal naar buiten omgebogen -> draait rond ulna (neemt de
hand mee, zodat rug naar voor wijst => pronatie)
1
,DE ULNA
1.1 algemeen
- mediaal van de radius
- heeft schacht met 2 extremiteiten
1. Proximaal: extremitas proximalis -> haakvormig tegenbeeld v/d
trochlea voor gewricht met de humerus
2. Distaal: kleine en ronde caput ulnea -> articuleert niet met de
carpus (handwortel)
- articuleert aan beide uiteinden met de radius
1.2 extremitas proximalis
- is groot en bestaat uit 2 opvallende uitsteeksels
1. Olecranon (de elleboog):
Bekvormig en wijst naar voor
Achtervlakte is driehoekig met de basis naar boven
Effen, licht convex en loopt onderhuids
Voorzijde is concaaf en bedekt met kraakbeen
Vormt bovenste deel v/d incisura trochlearis
Randen zijn verdikt en ruw
2. Processus coronoideus
Springt uit schacht naar voor en past bij buiging in de
gelijknamige kuil v/d humerus (fossa coronoidea)
Heeft een opwaarts gericht gewrichtsvlak (vervolledigt
convexiteit v/d incisura trochlearis)
Eronder bevint zich een onregelmatige vlakte, die eindigt als
de ruwe tuberositas ulnae (geeft aan hechting aan de m.
brachialis)
Op laterale rug: ligt een concaviteit, de incisura radialis ->
ontvangt kopje v/d radius
Hieronder en uitlopend in de schacht ligt de driehoekige fossa
supinatoris, waarop een benige kam begint, crista musculi
supinatoris
- incisura trochlearis:
Halvemaanvormige uitholling, wordt door een verticale rimpel
gescheiden in 2 ongelijke delen: de grote mediale rug en de kleinere
laterale rug
De vlakken en rimpel stemmen overeen met de vlakken en de groef
in de trochlea humeri (waar ze tegenaan liggen)
2
, 1.3 schacht of corpus
- in doorsnede driehoekig:
Margo interossea:
o Waaraan interossea is vastgehecht
o Loopt uit vanaf het onderste punt v/d fossa supinatoris
o Is lateraal gelegen
Margo anterior:
o Loopt uit vanaf de mediale rand van de processus coronoideus
o Is minder uitgesproken
Margo posterior:
o S-vormige subcutaan gelegen
o Bovenaan scherp en loopt uit vanaf het subcutaan gelegen
olecranon
- tussen de margo’s liggen vlakken
Facies anterior: tussen margo interossea en margo anterior
Facies medialis: tussen margo anterior en margo posterior (minder
duidelijk vlak, wegens de ronde margo anterior)
Facies posterior: tussen margo posterior en margo interossea
- distaal: kleine vernauwing, thv de fossa supinatoris vinden we een
foramen nutricium
1.4 caput ulnae
- kleine ronde hoofd als een verbreding na de distale vernauwing in de
schacht
- processus styloideus: uitsteekseltje dat naar mediaal en distaal gericht
uit de achterzijde springt
- circumferentia articularis ulnae: gewrichtsvlakje voor de radius die
zich aan de voorzijde en lateraal bevindt
- distaal wijzende vlakje is effen en glad en articuleert (via een
gewrichtsschijfje) met de os triquetrum (de handwortel)
1.5 palpatie
- proximaal:
het olecranon kan duidelijk gevoeld worden bij buiging (vormt punt
v/d elleboog)
margo posterior kan over gans zijn verloop gevolgd worden
- distaal:
caput ulnae en processus styloideus kan gevoeld worden
caput is de uitspringende knobbel op de pols die boven de handrug
gevolgd kan worden bij volledige pronatie
3