(theoriecursus)
Beeldkwaliteitsvereisten
Anatomische beeldkwaliteitsvereisten:
Te beoordelen:
- Correct scanbereik (geen anatomie gemist)
- Volledige afbeelding van ROI
- Correcte reconstructievlakken
- Geen afsnijding
Voorbeelden:
CT-thorax
Longtoppen volledig zichtbaar
Diafragma volledig zichtbaar
CT-abdomen
Lever volledig afgebeeld
Nieren volledig zichtbaar
Bekken mee opgenomen indien protocol dit vereist
CT-hersenen
Volledig intracranieel volume zichtbaar
Fysiologische beeldkwaliteitsvereisten:
Te beoordelen:
- Correcte contrastfase
- Voldoende contrastopname
- Goede vaatopvulling
Voorbeelden:
CT-angiografie
Arteriële vaten maximaal aangekleurd
CT-abdomen
Correcte arteriële, portale of late fase
CT-thorax
Goede aankleuring van arteria pulmonalis bij longembolieprotocol
Technische beeldkwaliteitsvereisten:
Te beoordelen:
, - Ruis
o Niet overmatig korrelig beeld
- Contrast
o Voldoende onderscheid structuren
- Resolutie
o Kleine anatomische details zichtbaar (bv longparenchym en fractuurlijnen)
- Geen of beperkte artefacten
o Bewegingsartefacten
o Metaalartefacten
o Beamhardening
o Streaks
- Correcte reconstructie
o Juiste reconstructiedikte
o Correcte kernel
o Correcte MPR’s
Voorbeelden:
CT-thorax
Geen ademhalingsartefacten
Voldoende detail in longparenchym
CT-hersenen
Goede grijs-witstof differentiatie
Beperkte beamhardening aan schedelbasis
Contrastmiddelen
Jodiumhoudend contrastmiddel wordt toegediend tijdens CT-onderzoeken
Types
Opdeling adhv: oplosbaarheid in water, osmolariteit en viscositeit
IONISCHE JODIUMHOUDENDE CONTRASTMIDDELEN
(splitsen in ionen -> hogere osmolariteit -> meer waterverplaatsing -> meer
bijwerkingen -> nauwelijks nog gebruikt)
Ionische contrastmiddelen splitsen zich op in ionen wanneer ze in water worden
opgelost, hierdoor hebben ze een hogere osmolarteit dan non-ionische
contrastmiddelen met dezelfde concentratie
Osmolaiteit = hoeveelheid opgeloste deeltjes per kg water
-> hoe meer opgeloste deeltjes, hoe hoger de osmolariteit
Gevolgen:
- Ionische contrastmiddelen zijn hoogosmolaire contrastmiddelen (HOCM)
- Hun osmolariteit bedraagt meer dan 7 keer die van bloedplasma
- Ze trekken water uit de cellen naar de bloedbaan (osmose)
,Nadelen: (osmotische bijwerkingen)
- Misselijkheid
- Dehydratatie
- Algemeen meer nevenwerkingen (nefrotoxiciteit, allergische reacties)
Praktijk: goedkoper in productie, maar worden tegenwoordig nog weinig gebruikt
wegens ongunstige bijwerkingenprofiel
NIET-IONISCHE JODIUMHOUDENDE CONTRASTMIDDELEN
lagere osmolariteit (2x de osmolariteit van bloedplasma) -> standaard bij
intraveneuze toediening
Laagosmolaire (LOCM)
Osmolariteit lager dan bij HOCM maar nogsteeds hoger dan bij bloedplasma
Beter verdragen en minder osmotische bijwerkingen
o Lagere kans nefrotoxiciteit en allergische reacties
Meest gebruikte categorie voor intraveneuze toediening
Iso-osmolair (IOCM)
Osmolariteit ongeveer gelijk aan die van bloedblasma
Minst osmotische belasting
o Lagere kans nefrotoxiciteit en allergische reacties
Aanbevolen bij intraveneuze contrasttoediening bij hoog risicopatiënten
Viscositeit
Stroperigheid van contrastmiddel
Beïnvloed:
- Injectiesnelheid
- Druk op bloedvaten
- Uitscheiding via nieren
Hoge viscositeit:
- Meer weerstand tijdens injectie
- Hogere injectiedruk nodig & grotere kathetermaat (bv 18G) nodig
- Meer belasting bloedvaten
- Grotere belasting nierglomeruli
- Verhoogd risico contrast-geïnduceerde nefropathie (CIN)
(vooral belangrijk bij CT-angiografie waar hoge injectiesnelheid gebruikt worden)
LOCM: hogere osmolariteit maar lagere viscositeit
IOCM: lagere osmolariteit maar hogere viscositeit (trager door de nieren geklaard)
Viscositeit wordt beïnvloed door:
- Jodiumconcentratie
o Hogere jodiumconcentratie (370-400 mgl/ml)
- Temperatuur
o Opwarming tot lichaamstemperatuur:
, Lagere viscositeit
Makkelijkere injectie
Minder risico contrastreacties
- Merk van contrastmiddel
Uitklaring
Na intraveneuze toediening -> CM verspreid in extracellulaire ruimte -> bijna volledig
via nieren uitgescheiden
Evaluatie nierfunctie:
vooraf gecontroleerd via bloedafname -> creatininegehalte bepaald (creatinine wordt
normaal door nieren uit bloed gefilterd en via urine uitgescheiden)
eGFR: op basis van creatininegehalte kan de eGFR (estimated glomerular filtration
rate) bekend worden
-> geeft weer hoeveel bloed de nieren per minuut kunnen filteren
-> gebruikt om risico op contrasttoediening in te schatten
Normale nierfunctie: CM binnen 4uur uit lichaam verwijderd
Verminderde nierfunctie: tragere uitscheiding -> verhoogd risico contrast-
geïnduceerde nefropathie
Contrastreacties
DOSISAFHANKELIJKE (toxische) REACTIES
Gerelateerd aan hoeveelheid en osmolariteit van CM
Fysiologische reacties
Veroorzaakt door osmolariteit en chemische eigenschappen van CM
Veelvoorkomende symptomen:
- Warmtegevoel
o Door vasodilatatie
- Vreemde smaak in de mond
o Door snelle verspreiding contrastmiddel
o Gedeeltelijk uitscheiding via speeksel
o Interactie met smaakreceptoren
- Plasgevoel
o Door osmotische prikkeling van de blaas
Kenmerken: