Week 1
Vaccinologie
Vaccineren heeft 3 belangrijke doelen:
● Ziektelast verlagen (aantal zieken + ernst van de ziekte)
● Transmissie verlagen (dier-mens en dier-dier)
● Economisch verlies minimaliseren
Let op: met vaccineren kan je infecties niet voorkomen, alleen beperken!
iektelast verlagen
Z
Een belangrijke manier om ziektelast te verlagen is door groepsimmuniteit op te bouwen.
Door te vaccineren zullen er minder dieren ziek worden, degene die wel ziek worden zullen
over het algemeen een mildere variant van de ziekte krijgen. Door veel dieren te vaccineren
kunnen ook de niet-gevaccineerde dieren beschermd worden, als er minder dieren ziek zijn,
is de kans op overdracht naar een niet-gevaccineerd dier kleiner
ransmissie verlagen
T
De mate van transmissie kan onderzocht worden mbv onderzoek. Hierbij wordt er gekeken
naar het verschil tussen een gevaccineerde groep en een niet-gevaccineerde controlegroep.
Dit kan gedaan worden obv serologisch onderzoek, ziekteverschijnselen (klinische
observatie) of een antigeentest. Bij vogelgriep kan bijvoorbeeld een keelswab genomen
worden, waar mbv PCR of virusisolatie bepaald wordt of het dier geïnfecteerd is.
Transmissie kan bepaald worden mbv de volgende parameters:
● De duur van de infectieuze periode
● Het aantal kiemen dat nodig is voor een infectie van vatbare individuen
● De hoeveelheid kiemen die tijdens contact worden overgedragen
● Het aantal contacten tussen individuen per tijdseenheid
● Het aantal verschillende individuen waarmee contact is.
e R-waarde is belangrijk voor de bepaling van transmissie. Deze waarde staat gelijk aan
D
het aantal individuen dat gemiddeld door 1 infectieus individu besmet worden tijdens de
infectieuze periode. Om de transmissie te verlagen moet R < 1, 1 persoon besmet dan
gemiddeld minder dan 1 persoon, waardoor de infectiedruk afneemt. De R-waarde verandert
tijdens een epidemie. R0 is de standaardwaarde vooreen infectieziekte, dit is theoretisch
bepaald. Re is de waarde op een bepaald moment inde epidemie.
IR model
S
Om de effectiviteit van een vaccinatie te bepalen wordt het SIR model gebruikt:
: gevoelige dieren
S
I: infectieuze dieren
R: herstelde dieren
β: R-waarde per tijdseenheid
, 𝐼
𝑆𝑛𝑒𝑙ℎ𝑒𝑖𝑑𝑣𝑎𝑛𝑖𝑛𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒 = β · 𝑆 ·
𝑁
Dit is dus de snelheid waarmee gevoelige dieren infectieus worden
●
𝑆𝑛𝑒𝑙ℎ𝑒𝑖𝑑𝑣𝑎𝑛ℎ𝑒𝑟𝑠𝑡𝑒𝑙 = α · 𝐼
● Dit is dus de snelheid waarmee infectieuze dieren herstellen (en dus niet meer
infectieus zijn)
accinatie heeft oa. invloed op ⍺. Vaccinatie zorgt ervoor dat ⍺ hoger wordt, waardoor de
V
snelheid van herstel sneller wordt en de infectieuze periode dus ingekort wordt.
ok heeft vaccinatie invloed op β. Vaccinatie zorgt ervoor dat β lager wordt. Dit komt
O
doordat er een hogere dosis nodig is om geïnfecteerd te raken. Ook geven gevaccineerde
geïnfecteerde dieren een lagere dosis door aan gevoelige dieren. Doordat ze een lagere
dosis krijgen, maar een hogere dosis nodig hebben, zullen ze minder snel ziek worden.
ffectiviteit van een vaccin
E
Mogelijke parameters:
● Mortaliteit (sterfte)
● Abortus
● Gewichtstoename en voederconversie (productiekenmerken)
● Transmissiesnelheid
● Shedding van zoonotische pathogenen
● Morbiditeit (aanwezigheid van ziekte) in nakomelingen
● Bescherming tegen foetale infectie (in utero)
accinatie-challenge studies
V
Vaccinatie-challenge studies zijn studies die de transmissie van een agens meten na
vaccinatie door een groep dieren actief bloot te stellen aan dit agens
Tijdens een studie zijn er 2 ruimtes:
1. Gemarkeerde gevaccineerde dieren + niet-gemarkeerde ongevaccineerde dieren
2. Ongevaccineerde dieren
et agens wordt in beide ruimtes geïntroduceerd door een geïnfecteerd dier toe te voegen.
H
Dit dier is actief geïnfecteerd met een gestandaardiseerde hoeveelheid agens, vervolgens is
, et dier getest. Na een positieve test is het geïntroduceerd. Na een vooraf bepaalde tijd
h
worden de dieren in de ruimtes getest, bv mbv PCR.
Vaccinatie heeft directe en indirecte effecten:
● Om hetdirecte effectte bepalen worden de groepenuit ruimte 1 met elkaar
vergeleken. De gevaccineerde groep heeft namelijk door de groepsimmuniteit een
direct effect op de ongevaccineerde groep.
○ Een nadeel hiervan is dat er maar een bepaald aantal ongevaccineerde
dieren zijn, dus de R-waarde (en β) is moeilijk te bepalen.
○ Een voordeel hiervan is dat dit goed te vergelijken is met de werkelijke
situatie, doordat dieren in het echt ook door elkaar lopen.
● Om hetindirecte effectte bepalen worden beide ongevaccineerdegroepen met
elkaar vergeleken (ongevaccineerde groep uit ruimte 1 vs dieren uit ruimte 2). Nu
kan er bekeken worden hoe verschillend de situatie is met en zonder
groepsimmuniteit.
● Om hettotale effectte bepalen wordt de gevaccineerdegroep uit ruimte 1
vergeleken met de ongevaccineerde dieren uit ruimte 2. Er wordt nu gekeken wat het
effect is van vaccineren vs de situatie waarbij er niemand gevaccineerd wordt.
○ Het totale effect zal groter zijn dan het direct effect doordat je hiermee de
groepsimmuniteit niet meerekent. Vaak leidt groepsimmuniteit tot een
onderschatting van het effect van het vaccin omdat hierdoor ook de
ongevaccineerde dieren beschermd zijn
Arbo, Biosecurity, Zoönosen
iosecurity
B
Biosecurity/bioveiligheid: het uitsluiten, uitroeien of effectief beheersen vanbiologische
gevaren (insleep van dierziekten en ziekten die volksgezondheid schaden) in het belang van
de economie, het milieu en de volksgezondheid
● Externe bioveiligheid: alle contacten met de buitenwereld
● Interne bioveiligheid: maatregelen om verspreiding binnen bedrijf tegen te gaan
athogenen kunnen op verschillende manieren binnenkomen, dit is pathogeen afhankelijk.
P
Wel is er een vuistregel voor de grootte van het risico (laag naar hoog):
1. Voer
2. Huisdieren/knaagdieren (kleine dieren)
3. Lucht
4. Materiaal
5. Personen
6. Levende dieren
𝑛
Het risico kan berekend worden mbv𝑃 = 1 − (1 − 𝑝)
● P: risico
● p: kans op infectie transmissie per keer
● n: aantal keer
, Als een transmissieroute bijvoorbeeld een 1 op 1000 kans heeft dat er een transmissie
50
plaatsvindt, en dit komt 50x per jaar voor:𝑃 = 1 − (1 − 0, 001) = 4, 88%
iosecurity wordt op het bedrijf zelf beoordeeld en moet altijd onderdeel zijn van de
B
bedrijfsbegeleiding. Ook moet het gerelateerd worden aan het risico dat er daadwerkelijk
insleep plaatsvindt van biologische gevaren, waarna het SMART wordt besproken met de
veehouder.
ygiëne is een belangrijk onderdeel van biosecurity. Mbv een hygiënisch ontwerp van
H
materiaal en inrichting, kan het risico op insleep van biologische gevaren verkleind worden.
Het is belangrijk dat de omgeving/materialen op de goede manier gereinigd en ontsmet
worden. Eerst het grof vuil verwijderen, dan reinigen, hierna moet er gespoeld worden,
waarna er ontsmet kan worden en achteraf weer gespoeld. Ook is het belangrijk om het
achteraf aan de lucht te drogen.Verder is persoonlijke hygiëne en bescherming van belang
om het risico te verlagen. Als laatste is plaagdierbestrijding ook van belang, zodat deze
dieren geen ziektes binnenslepen. Hier kunnen preventieve maatregelen voor ingesteld
worden, het gebouw kan ontworpen worden op een manier dat ze niet binnenkomen en mbv
hygiëneprotocollen zal de leefomgeving minder aantrekkelijk maken voor deze dieren.
Wanneer er wel een plaag is, is het belangrijk om de soorten te identificeren en ze
vervolgens te bestrijden.
Vaccinologie
Vaccineren heeft 3 belangrijke doelen:
● Ziektelast verlagen (aantal zieken + ernst van de ziekte)
● Transmissie verlagen (dier-mens en dier-dier)
● Economisch verlies minimaliseren
Let op: met vaccineren kan je infecties niet voorkomen, alleen beperken!
iektelast verlagen
Z
Een belangrijke manier om ziektelast te verlagen is door groepsimmuniteit op te bouwen.
Door te vaccineren zullen er minder dieren ziek worden, degene die wel ziek worden zullen
over het algemeen een mildere variant van de ziekte krijgen. Door veel dieren te vaccineren
kunnen ook de niet-gevaccineerde dieren beschermd worden, als er minder dieren ziek zijn,
is de kans op overdracht naar een niet-gevaccineerd dier kleiner
ransmissie verlagen
T
De mate van transmissie kan onderzocht worden mbv onderzoek. Hierbij wordt er gekeken
naar het verschil tussen een gevaccineerde groep en een niet-gevaccineerde controlegroep.
Dit kan gedaan worden obv serologisch onderzoek, ziekteverschijnselen (klinische
observatie) of een antigeentest. Bij vogelgriep kan bijvoorbeeld een keelswab genomen
worden, waar mbv PCR of virusisolatie bepaald wordt of het dier geïnfecteerd is.
Transmissie kan bepaald worden mbv de volgende parameters:
● De duur van de infectieuze periode
● Het aantal kiemen dat nodig is voor een infectie van vatbare individuen
● De hoeveelheid kiemen die tijdens contact worden overgedragen
● Het aantal contacten tussen individuen per tijdseenheid
● Het aantal verschillende individuen waarmee contact is.
e R-waarde is belangrijk voor de bepaling van transmissie. Deze waarde staat gelijk aan
D
het aantal individuen dat gemiddeld door 1 infectieus individu besmet worden tijdens de
infectieuze periode. Om de transmissie te verlagen moet R < 1, 1 persoon besmet dan
gemiddeld minder dan 1 persoon, waardoor de infectiedruk afneemt. De R-waarde verandert
tijdens een epidemie. R0 is de standaardwaarde vooreen infectieziekte, dit is theoretisch
bepaald. Re is de waarde op een bepaald moment inde epidemie.
IR model
S
Om de effectiviteit van een vaccinatie te bepalen wordt het SIR model gebruikt:
: gevoelige dieren
S
I: infectieuze dieren
R: herstelde dieren
β: R-waarde per tijdseenheid
, 𝐼
𝑆𝑛𝑒𝑙ℎ𝑒𝑖𝑑𝑣𝑎𝑛𝑖𝑛𝑓𝑒𝑐𝑡𝑖𝑒 = β · 𝑆 ·
𝑁
Dit is dus de snelheid waarmee gevoelige dieren infectieus worden
●
𝑆𝑛𝑒𝑙ℎ𝑒𝑖𝑑𝑣𝑎𝑛ℎ𝑒𝑟𝑠𝑡𝑒𝑙 = α · 𝐼
● Dit is dus de snelheid waarmee infectieuze dieren herstellen (en dus niet meer
infectieus zijn)
accinatie heeft oa. invloed op ⍺. Vaccinatie zorgt ervoor dat ⍺ hoger wordt, waardoor de
V
snelheid van herstel sneller wordt en de infectieuze periode dus ingekort wordt.
ok heeft vaccinatie invloed op β. Vaccinatie zorgt ervoor dat β lager wordt. Dit komt
O
doordat er een hogere dosis nodig is om geïnfecteerd te raken. Ook geven gevaccineerde
geïnfecteerde dieren een lagere dosis door aan gevoelige dieren. Doordat ze een lagere
dosis krijgen, maar een hogere dosis nodig hebben, zullen ze minder snel ziek worden.
ffectiviteit van een vaccin
E
Mogelijke parameters:
● Mortaliteit (sterfte)
● Abortus
● Gewichtstoename en voederconversie (productiekenmerken)
● Transmissiesnelheid
● Shedding van zoonotische pathogenen
● Morbiditeit (aanwezigheid van ziekte) in nakomelingen
● Bescherming tegen foetale infectie (in utero)
accinatie-challenge studies
V
Vaccinatie-challenge studies zijn studies die de transmissie van een agens meten na
vaccinatie door een groep dieren actief bloot te stellen aan dit agens
Tijdens een studie zijn er 2 ruimtes:
1. Gemarkeerde gevaccineerde dieren + niet-gemarkeerde ongevaccineerde dieren
2. Ongevaccineerde dieren
et agens wordt in beide ruimtes geïntroduceerd door een geïnfecteerd dier toe te voegen.
H
Dit dier is actief geïnfecteerd met een gestandaardiseerde hoeveelheid agens, vervolgens is
, et dier getest. Na een positieve test is het geïntroduceerd. Na een vooraf bepaalde tijd
h
worden de dieren in de ruimtes getest, bv mbv PCR.
Vaccinatie heeft directe en indirecte effecten:
● Om hetdirecte effectte bepalen worden de groepenuit ruimte 1 met elkaar
vergeleken. De gevaccineerde groep heeft namelijk door de groepsimmuniteit een
direct effect op de ongevaccineerde groep.
○ Een nadeel hiervan is dat er maar een bepaald aantal ongevaccineerde
dieren zijn, dus de R-waarde (en β) is moeilijk te bepalen.
○ Een voordeel hiervan is dat dit goed te vergelijken is met de werkelijke
situatie, doordat dieren in het echt ook door elkaar lopen.
● Om hetindirecte effectte bepalen worden beide ongevaccineerdegroepen met
elkaar vergeleken (ongevaccineerde groep uit ruimte 1 vs dieren uit ruimte 2). Nu
kan er bekeken worden hoe verschillend de situatie is met en zonder
groepsimmuniteit.
● Om hettotale effectte bepalen wordt de gevaccineerdegroep uit ruimte 1
vergeleken met de ongevaccineerde dieren uit ruimte 2. Er wordt nu gekeken wat het
effect is van vaccineren vs de situatie waarbij er niemand gevaccineerd wordt.
○ Het totale effect zal groter zijn dan het direct effect doordat je hiermee de
groepsimmuniteit niet meerekent. Vaak leidt groepsimmuniteit tot een
onderschatting van het effect van het vaccin omdat hierdoor ook de
ongevaccineerde dieren beschermd zijn
Arbo, Biosecurity, Zoönosen
iosecurity
B
Biosecurity/bioveiligheid: het uitsluiten, uitroeien of effectief beheersen vanbiologische
gevaren (insleep van dierziekten en ziekten die volksgezondheid schaden) in het belang van
de economie, het milieu en de volksgezondheid
● Externe bioveiligheid: alle contacten met de buitenwereld
● Interne bioveiligheid: maatregelen om verspreiding binnen bedrijf tegen te gaan
athogenen kunnen op verschillende manieren binnenkomen, dit is pathogeen afhankelijk.
P
Wel is er een vuistregel voor de grootte van het risico (laag naar hoog):
1. Voer
2. Huisdieren/knaagdieren (kleine dieren)
3. Lucht
4. Materiaal
5. Personen
6. Levende dieren
𝑛
Het risico kan berekend worden mbv𝑃 = 1 − (1 − 𝑝)
● P: risico
● p: kans op infectie transmissie per keer
● n: aantal keer
, Als een transmissieroute bijvoorbeeld een 1 op 1000 kans heeft dat er een transmissie
50
plaatsvindt, en dit komt 50x per jaar voor:𝑃 = 1 − (1 − 0, 001) = 4, 88%
iosecurity wordt op het bedrijf zelf beoordeeld en moet altijd onderdeel zijn van de
B
bedrijfsbegeleiding. Ook moet het gerelateerd worden aan het risico dat er daadwerkelijk
insleep plaatsvindt van biologische gevaren, waarna het SMART wordt besproken met de
veehouder.
ygiëne is een belangrijk onderdeel van biosecurity. Mbv een hygiënisch ontwerp van
H
materiaal en inrichting, kan het risico op insleep van biologische gevaren verkleind worden.
Het is belangrijk dat de omgeving/materialen op de goede manier gereinigd en ontsmet
worden. Eerst het grof vuil verwijderen, dan reinigen, hierna moet er gespoeld worden,
waarna er ontsmet kan worden en achteraf weer gespoeld. Ook is het belangrijk om het
achteraf aan de lucht te drogen.Verder is persoonlijke hygiëne en bescherming van belang
om het risico te verlagen. Als laatste is plaagdierbestrijding ook van belang, zodat deze
dieren geen ziektes binnenslepen. Hier kunnen preventieve maatregelen voor ingesteld
worden, het gebouw kan ontworpen worden op een manier dat ze niet binnenkomen en mbv
hygiëneprotocollen zal de leefomgeving minder aantrekkelijk maken voor deze dieren.
Wanneer er wel een plaag is, is het belangrijk om de soorten te identificeren en ze
vervolgens te bestrijden.