1. art 5.27 BW
1) de vrije en bewuste toestemming van elke partij
2) de bekwaamheid van elke partij om contracten aan te gaan
3) een bepaalbaar en geoorloofd voorwerp
4) een geoorloofde oorzaak
(Wordt beoordeeld op het tijdstip van het sluiten van het contract)
2. fout, het verdwijnen van een van de geldigheidsvereisten na het sluiten
van het contract tast de totstandkoming van het contract niet aan. Er zijn
wel andere sancties (verval)
3. Nee, enkel over de hoofdbestanddelen= de essentiële (doorslaggevend)
en substantiële bestanddelen
4. Er is een afwezigheid van toestemming doordat de persoon op het
moment van het geven van de toestemming aan Alzheimer leed. Het
contract is dus relatief nietig. (art 5.31, lid 1 BW)
5. Wilsgebrek= dwaling; bedrog, geweld, misbruik van omstandigheden… geen
toestemming is geldig wanneer ze hierdoor is aangetast in zoverre het wilsgebrek
doorslaggevend is. (art 5.33 BW) Een wilsgebrek zorgt ervoor dat een partij haar
toestemming niet bewust of vrij kan geven.
a) wilsgebreken: een toestemming wordt gegeven die berust op een verkeerde
voorstelling van de werkelijkheid of die op onrechtmatige wijze is afgedwongen
Afwezigheid van toestemming: probleem zit niet in de toestemming wel maar in
de persoon van degene die toestemt
b) Wilsgebreken: geen verschil tussen de werkelijke wil en de verklaarde wil
Wilsverhinderde dwaling: (=er ontbreekt ook een volwaardige toestemming) de
werkelijke wil is gebaseerd op een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid of
op onrechtmatige wijze afgedwongen
Oefening 2:
, -vereisten voor toestemming:
1. toestemming moet erop gericht zijn om gebonden te zijn: ze wou eigenlijk niet
gebonden zijn
2. vrij en bewust gegeven: ze is niet vrij gegeven want ze stond onder druk
3. gericht tot de medecontractant: ja, ze gaf toestemming aan haar bazen
-Geweld= onrechtmatig dwingen van een contractspartij tot contracteren op een
manier die haar doet vrezen voor een aanzienlijke aantasting van haar fysieke of
morele integriteit of haar vermogen of die van haar naasten (art 5.36 BW) (vrij
toestemming wordt belemmerd)
1. Er moet een dadelijke vrees voor aanzienlijk kwaad ontstaan=
dwang zou een voorzichtig en redelijk persoon ook aantasten, het is niet
onredelijk dat ze getekend heeft.
2. Door het toedoen van een tegenpartij of door een medeplichtige
of een persoon voor wie deze instaat= door haar bazen (Mark en
Roeland)
3. Met gebruik van onrechtmatig geweld= dwang die voortvloeit uit een
gezagsuitoefening gezag van werkgever over de werknemer
4. Geweld moet doorslaggevend zijn voor het sluiten van een
contract= zonder dit geweld had ze het contract nooit gesloten hebben,
want ze had achteraf spijt (ze wil het afbreken)
Geweld leidt tot nietigheid
Oefening 3:
-Bedrog= een opzettelijk, door de tegenpartij of een medeplichtige persoon of
persoon voor wie de tegenpartij instaat, veroorzaakte dwaling. (art 5.35 BW).
1. Contractspartij heeft tijdens de contractssluiting een verkeerde
voorstelling van de werkelijkheid= ja, hij denkt dat de tuin in zijn bezit
groter is dan in werkelijkheid
2. Er moeten kunstgrepen worden aangewend= opzettelijk
achterhouden van informatie gaat niet om het stilzwijgen maar om het
bedrieglijk verzwijgen: ze hebben de informatie bewust niet verteld
3. Kunstgrepen door een tegenpartij of een medeplichtige persoon
voor wie deze instaat= door de medecontractant nl. de verkopers
4. Met de bewuste bedoeling om de bedrogene te misleiden en aan
te zetten tot contracteren= moet ter kwader trouw zijn, de kopers
verzwegen de informatie bewust om Erik aan te zetten tot het kopen van
het appartement