zevende druk
Samengevat door F.S. Prezzavento in 2026.
Het gaat om een samenvatting van het hele boek, waarbij de indeling van het boek wordt gevolgd.
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK I – Introductie pagina 2
HOOFDSTUK II – De aard van de Europese rechtsorde en haar verhouding tot de rechtsorde
van de lidstaten pagina 3
HOOFDSTUK III – Het institutionele kader van de EU pagina 15
HOOFDSTUK IV – Besluitvormingsprocedures in de EU pagina 27
HOOFDSTUK V – Rechtsbescherming pagina 32
HOOFDSTUK VI – Marktintegratiebeleid pagina 42
HOOFDSTUK VII – Vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal
pagina 46
HOOFDSTUK VIII – De mededingingsregels pagina n.t.b.
HOOFDSTUK IX – Economische en Monetaire Unie pagina n.t.b.
HOOFDSTUK X – Het externe beleid van de Europese Unie pagina n.t.b.
HOOFDSTUK XI – De ontwikkeling van de Europese integratie pagina n.t.b.
1
,HOOFDSTUK I – Introductie
Introductie
Zoals veel van haar lidstaten vertoont het rechtssysteem van de EU een gelaagde structuur die niet
eenvoudig in hiërarchische termen kan worden beschreven. Er zijn Europese instellingen, lidstaten
en particulieren, dat zijn actoren van het rechtssysteem.
Het primaire recht van de EU
De belangrijkste laag van het EU-recht wordt gevormd door de Verdragen, waaronder VEU, VWEU
en Handvest, maar ook arresten van het Hof van Justitie inhoudende uitlegging van Verdragen. Het
is onduidelijk hoe deze bronnen zich tot elkaar verhouden. Enerzijds zijn er gevallen waarin de
uitlegging van een verdragsbepaling de definitie vormt. Anderzijds kan die uitlegging weer worden
beperkt door een latere verdragswijziging. Dit wijst erop dat de Verdragen uiteindelijk de hoogste
bron van het EU-recht vormen. Dit doet de vraag rijzen over de identiteit en de plaats van de
hoogste autoriteit binnen het rechtsstelsel, een lidstaat kan namelijk niet zomaar een verdrag
wijzigen.
Soevereiniteit
In het klassieke intergouvernementele model is de hoogste autoriteit alleen de lidstaten,
vertegenwoordigd door hun regeringen (d.w.z. staatshoofden of regeringsleiders en ministers), die
de onderhandelingen verrichten, en aan de nationale parlementen, die betrokken zijn bij de
bekrachtiging van verdragen. In dit model is het ook aan de lidstaten om verdragswijzigingen te
initiëren en te ratificeren. De verdragsprocedure voor de wijziging van de verdragen wijkt echter af
van dit model, in die zin dat ook twee EU-instellingen -het Europees Parlement en de Commissie-
een verdragswijzigingsprocedure kunnen initiëren. De sleutelrol van de lidstaten bij de
bekrachtiging van verdragswijzigingen geeft hen nog steeds een beslissende invloed bij de
werkelijke wijziging van verdragen, maar doet ook de vraag rijzen of ze hun soevereiniteit op dit
gebied behouden.
Het afgeleide recht van de EU
Secundaire EU-wetgeving wordt vastgesteld o.b.v. de Verdragen, de Verdragen hebben een
raamwerkkarakter en moeten worden uitgewerkt in meer gedetailleerde regels. Er is een duidelijke
hierarchische verhouding tussen het afgeleide recht en het primaire recht. Er is ook nog tertiare
wetgeving, die gedelegeerde en uitvoeringshandelingen omvat die zijn aangenomen o.b.v.
secundaire wetgeving.
Secundaire wetgeving kan verschillende vormen aannemen, waaronder verordeninge, richtlijnen en
besluiten, die worden geïdentificeerd aan de hand van het jaar van aanneming, een volgnummer en
een code die het gebied van het primaire recht aangeeft op basis waarvan het is aangenomen.
Voorbeeld:
Verordening (EEG) nr. 1612/68 – Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het
vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (vastgesteld o.g.v. het EEG-verdrag). Op 1
november 1993 werd de EEG omgedoopt tot de Europese Gemeenschap (EG). Sinds 1999 wordt
het jaar van goedkeuring voluit geschreven: Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees
Parlement en de Raad van 5 april betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, die
in de plaats is gekomen van Verordening (EEG) nr. 1612/68.
Alle Verdragen, secundaire en tertiare wetgeving komt in het Publicatieblad van de Europese Unie
te staan. In de praktijk wordt alle EU-wetgeving gepubliceerd op EUR-Lex: https://eur-
lex.europa.eu/homepage.html
2
,HOOFDSTUK II – De aard van de Europese rechtsorde en haar verhouding tot de rechtsorde
van de lidstaten
2.1 Inleiding
De term rechtsorde kan alzo worden gedefinieerd: Een samenstelsel van algemene en individuele
normen die het menselijk gedrag regelen, waarbij men kan spreken van een orde als de normen een
eenheid vormen, waarvan sprake is als ze dezelfde basis van geldigheid hebben. Ook is gezag een
vereiste, de rechtsorde moet zijn eigen instellingen hebben om ervoor te zorgen dat de normen
worden gehandhaafd en dat geschillen worden beslecht. Als er een Europese rechtsorde bestaat, is
deze dan in de plaats gekomen van de rechtsorde van de lidstaten of bestaat zij naast de nationale
rechtsordes? De EU heeft de bevoegdheid om een wet van een lidstaat strijdig met het EU-recht te
verklaren, waardoor die lidstaat gedwongen wordt die wet en dus zijn eigen rechtsorde te wijzigen.
2.2 Constitutieve beginselen
Met betrekking tot het wetgevend optreden van de Unie zijn de beginselen; attributie, subsidiariteit
en evenredigheid vastgelegd in art. 4 lid 1 VEU gelezen in samenhang met art. 5 VEU. Deze
beginselen hebben betrekking op de bevoegdheden die aan de EU zijn toegewezen, alsmede op de
middelen die zij kan aanwenden om deze bevoegdheden uit te oefenen. In 1957 waren de
oprichtende lidstaten zich er terdege van bewust dat de EEG een zichzelf ontwikkelende organisatie
zou worden. Tegelijkertijd waren de lidstaten echter nooit van plan om de Europese
Gemeenschappen een blanco cheque te geven. De lidstaten hebben er niet alleen voor gezorgd dat
zij een zekere invloed behouden op de besluitvorming in de Europese instellingen die belast zijn
met de goedkeuring van verdere wetgeving, maar hebben in de oprichtingsverdragen ook een meer
fundamentele waarborg ingebouwd.
Het attributiebeginsel
Waarborgt dat de Unie alleen kan optreden indien de lidstaten de EU daartoe uitdrukkelijk hebben
gemachtigd d.m.v. de Verdragen. In de praktijk betekent dit dat er een rechtsgrondslag moet zijn
voor het optreden van de EU, er komt geen grondslag tot stand zonder instemming van de lidstaten.
Voorbeelden: art. 18 VWEU, art. 46 VWEU en art. 114 VWEU.
Het EU-recht omvat ook een zogeheten 'impliciete bevoegdheden-doctrine', dat wordt besproken in
hoofdstuk X.
Krachtens art. 5 VEU moeten alle EU-maatregelen een rechtsgrondslag in de Verdragen hebben.
Deze eis is om twee redenen belangrijk;
1. Materiële waarborg, die ervoor zorgt dat de EU geen maatregelen neemt op gebieden waarvoor
zij geen machtiging heeft.
2. Procedurele waarborg, die ervoor zorgt dat de juiste besluitvormingsprocedure wordt gevolgd en
dat de aangewezen instelling voldoende betrokken is.
Onderzoek naar de vraag of art. 5 VEU geschonden is wordt ultra vires-toetsing genoemd. Uit het
arrest Weiss van het Duitse Federale Constitutionele Hof blijkt dat het ook gaat om de intentie die in
een rechtsgrondslag besloten ligt: Wat het nationale parlement voor ogen stond toen het een
programma van Europese integratie aanvaardde.
Materiële waarborg
Is van belang om ervoor te zorgen dat de Unie niet optreedt op gebieden waarop zij niet bevoegd is,
met name in gevallen waarin het Werkingsverdrag wetgevend optreden uitdrukkelijk verbiedt.
Voorbeeld: art. 114 VWEU betreft de onderlinge aanpassing van de wetgevingen ter ondersteuning
van een interne markt, het artikel schrijft voor dat de Unie daarbij handelt op basis van een hoog
3
, niveau van bescherming van de volksgezondheid. Het Parlement en de Raad stelde een richtlijn
vast, maar in plaats van grensoverschrijdende handel en in tabaksproducten te vergemakkelijken,
zoals men van een interne markt-richtlijn zou mogen verwachten, verbood die richtlijn die handel
juist in het belang van de volksgezondheid. Het Hof van Justitie heeft de richtlijn nietig verklaard,
de richtlijn kon niet worden vastgesteld o.b.v. een rechtsgrondslag die verbetering van de interne
markt beoogde.
Procedurele waarborg
De procedurele waarborgen m.b.t. het beginsel van bevoegdheidstoedeling vloeien voort uit de
verschillende besluitvormingsprocedures die in het Werkingsverdrag voor de verschillende
rechtsgrondslagen zijn vastgesteld. Binnen die procedures kan het adviesrecht, stemrecht en het
vereiste aantal stemmen anders geregeld zijn. De vraag of de juiste rechtsgrondslag is gebruikt is
dus een veel voorkomende.
Het oplossen van geschillen over de juiste rechtsgrondslag
Het HvJ begint zijn zoektocht naar de passende rechtsgrondslag steeds met de opmerking dat,
i.h.k.v. de organisatie van de bevoegdheden van de Unie, de keuze van een rechtsgrondslag moet
berusten op objectieve elementen die vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing, zoals het doel en de
inhoud van de handeling. Vervolgens onderzoekt het Hof de inhoud en de doelstellingen van de
betrokken maatregel. O.b.v. dit onderzoek kan het tot de conclusie komen dat een maatregel in feite
elementen bevat die verband houden met twee grondslagen.
In dergelijke gevallen moet worden nagegeaan of de betrokken maatregel hoofdzakelijk betrekking
heeft op een bepaald actiegebied, dan wel of beide elementen even essentieel zijn. Als een element
duidelijk overheerst, is de daarmee samenhangende rechtsgrondslag voldoende. Indien beide
elementen even belangrijk moeten worden geacht moeten beide bijbehoren grondslagen worden
gebruikt, dit wordt een cumulatie van rechtsgrondslagen genoemd.
2.2 Het subsidiariteitsbeginsel: de uitoefening van bevoegdheden
In gevallen waarin een of meer rechtsgrondslagen voor EU-optreden bestaan, heeft de Unie dus de
bevoegdheid om maatregelen vast te stellen. De Europese Verdragen en de open bewoordingen van
veel van de rechtsgrondslagen maken het mogelijk dat de EU in ruime mate optreedt en wetgeving
opstelt. Mede als reactie op kritiek op de regelzucht van Brussel werden de beginselen van
subsidiariteit en evenredigheid in de Werkingsverdrag opgenomen om de wetgevende
bevoegdheden van de Unie in te perken.
Wanneer de Unie bevoegd is op te treden, moet nog worden bepaald of zij daadwerkelijk van deze
bevoegdheid gebruik moet maken. Deze vraag kan worden beantwoord middels het
subsidiariteitsbeginsel, dat is neergelegd in art. 5 lid 3 VEU. De exclusieve bevoegdheden van de
Unie, die in art. 3 VWEU worden opgesomd, vallen niet onder dit beginsel. O.b.v. de
subsidiariteitstoets kan de Unie alleen optreden als en voor zover de doelstellingen van het
overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en beter op EU-
niveau kunnen worden gerealiseerd. In de praktijk betekent dit dat het optreden in kwestie
betrekking moet hebben op een grensoverschrijdend probleem waarvoor een Europese oplossing
schaalvoordelen of een grotere doeltreffendheid beidt dan een nationaal optreden.
Dit beginsel wordt meestal ex ante toegepast, i.e. vóórdat de politieke plannen juridisch bindende
besluiten worden. Ex post toepassing verwijst naar het gebruik van het beginsel om bestaande
wetgeving aan te vechten.
4