SAMENVATTING WERELD 3
1. De streekstudie:
1.2 De klas uit, de wereld in:
• Voordelen buitenonderwijs:
o Concentratie en leervermogen nemen sterk toe
o Daadwerkelijk in de werkelijkheid → inzet alle zintuigen
o Lln hun band met natuur aanhalen, op latere leeftijd op respectvolle en duurzame manier omgaan
met planneet
o Voorkomen van gezondheidskwaaltjes
o Extra waarden
2. Situering in de ruimte en bereikbaarheid:
Examenvraag: steden kunnen plaatsen op kaart!
• Route van Turnhout naar Oostduinkerke kennen in heen- en terugreis:
o Via E17 en E40
• Belangrijkste rivieren in buurt van Nieuwpoort:
o De Ijzer
o Kanaal van Nieuwpoort- Duinkerke (Veurnevaart: verbindingskanaal)
• Welk kanaal kruisen we niet richting Oostduinkerke? → het Bouwdewijnkanaal
3. landschappen:
• Geografische streek: een gebied met dezelfde landschapskenmerken over een aaneengesloten gebied.
o In een streek kunnen versch. soorten landschappen voorkomen:
▪ Natuurlandschap (bv. bos-, moeras-, heide-, kust-, berglandschap)
▪ Landbouwlandschap
▪ Industrielandschap
▪ Toeristisch landschap
▪ Stedelijk landschap
▪ Havenlandschap
• Karl Kogge: zetten de sluizen in Nieuwpoort open, achterland liep vol met water. De Duitsers konden niet
meer door. Daardoor werden de loopgraven ook gegraven.
• Waarom rare kuststrook? → Leopold II werd fan van de Belgische kust, gezonde lucht, ontspanning. Hij
ging hier een gaanderij (Oostende) bouwen. De dijken waren er vroeger niet (kunnen tonen in de klas)
• Rode blokken → ‘Rock Strangers’ in Oostende
‘Land Mark’ → een herkennings- of oriëntatiepunt in een landschap of stad
1
, SAMENVATTING WERELD 3
3.1 landschapselementen:
Natuurlijke landschapselementen:
• Reliëf: hoogste punt, laagste punt, horizonlijn, hoogteverschillen, reliëfvorm, andere opvallende
elementen: duinen, rotswand
• Water:
o Stilstaand water: meer, moeras, ven
o Stromend water: breedte, diepte, stroomsnelheid, recht of meanderend, debiet, bevaarbaarheid,
bron, monding, getijden
• Natuurlijke plantengroei en fauna:
o Bos: naaldbos, loofbos, gemengd bos, heide, slikken, schorren
o Bodem en ondergrond: los, vast, hard, zacht, korrelgrootte, kleur, vochtig, droog, kneedbaar
Socio-economisch of niet-natuurlijke landschapselementen:
• Landbouw:
o akkerbouw, veeteelt, tuinbouw, bosbouw, visvangst
o graangewassen, voedergewassen, nijverheidsgewassen
o melkvee, slachtvee, varkens, pluimvee, schapen
o perceelgrootte, perceelvorm, afwateringsgrachten of -kanalen
o hoevevorm, watermolens, windmolens…
• industrie: industrietak, infrastructuur…
• verkeer: autowegen, spoorweg, kanaal, haven, vlieghaven
• toerisme: natuurlijke aantrekkingspunten, niet – natuurlijke-, toeristische infrastructuur
(verblijfsmogelijkheden, bereikbaarheid)
• bewoning:
o soorten woningen: rijwoning, appartement, herenhuis, villa, sociale woning…
o ruimtelijke spreiding: verspreid of in groep, gehucht, dorp, stad, verstedelijkte woonkern, landelijk
gebied, bouwmaterialen, bouwstijl
3.2 een landschap waarnemen:
• op een kaart:
o afstanden verkleind
o hoeken blijven identiek aan werkelijkheid
• Het azimut: de hoek tussen de richting van de toren en het noorden
o Azimut van 90° = oosten
o Azimut van 180° = zuiden
• Landschap waarnemen met alle zintuigen – didactische suggesties:
o ‘zeg wat je ziet’: 1min kijken naar landschap, dan omdraaien en om de beurt landschapselement
opnoemen.
o Gerichte vraagstelling: Wat zie je het meest? Welke kleuren komen voor?
o Typische foto: waar stond de fotograaf? Vergelijking met oude foto of prent
o Teken wat je ziet
o Meetopdrachten: oppervlakte akker schatten door zijde af te stappen
o Wat voel ik?: de korrelgrootte van zand en klei voelen
o Wat hoor ik?: doe je ogen dicht en zeg wat je hoort.
o Wat ruik ik?: geuren van een bos in de herfst, zomer…
o Maak souvenirkaart: met materiaal uit verkende gebied
2
, SAMENVATTING WERELD 3
3.3 landschapsanalyse:
• Ga op zoek naar ruimtelijke structuur en samenhang
Examenvraag:
• Wat is van de mens en wat is nog natuur?
• Waarom staan er in de Kempen zoveel varkenstallen en geen wijngaarden? → onze grond leent er niet
toe.
Natuurlijke landschapselementen Menselijke landschapselementen
>fysische ruimte >menselijke ruimte
• Water • Landbouw
• Reliëf • Industrie
• Fauna en flora • Toerisme/ recreatie
• Bodem en ondergrond • Transport
• Klimaat • Handel
• Bewoning/ bebouwing
Geografische streken:
• De polders kunnen plaatsen
Reliëf:
• Reliëf beschrijven: de 4 h’s:
o Hoogte
o Hoogteverschil
o Helling
o Horizonlijn
Dalvormen:
• Vlakbodemdal
• Asymmetrische dal door erosie
• Asymmetrisch dal door sedimentatie
• Vlakdal/ boogdal
• U-dal
3
1. De streekstudie:
1.2 De klas uit, de wereld in:
• Voordelen buitenonderwijs:
o Concentratie en leervermogen nemen sterk toe
o Daadwerkelijk in de werkelijkheid → inzet alle zintuigen
o Lln hun band met natuur aanhalen, op latere leeftijd op respectvolle en duurzame manier omgaan
met planneet
o Voorkomen van gezondheidskwaaltjes
o Extra waarden
2. Situering in de ruimte en bereikbaarheid:
Examenvraag: steden kunnen plaatsen op kaart!
• Route van Turnhout naar Oostduinkerke kennen in heen- en terugreis:
o Via E17 en E40
• Belangrijkste rivieren in buurt van Nieuwpoort:
o De Ijzer
o Kanaal van Nieuwpoort- Duinkerke (Veurnevaart: verbindingskanaal)
• Welk kanaal kruisen we niet richting Oostduinkerke? → het Bouwdewijnkanaal
3. landschappen:
• Geografische streek: een gebied met dezelfde landschapskenmerken over een aaneengesloten gebied.
o In een streek kunnen versch. soorten landschappen voorkomen:
▪ Natuurlandschap (bv. bos-, moeras-, heide-, kust-, berglandschap)
▪ Landbouwlandschap
▪ Industrielandschap
▪ Toeristisch landschap
▪ Stedelijk landschap
▪ Havenlandschap
• Karl Kogge: zetten de sluizen in Nieuwpoort open, achterland liep vol met water. De Duitsers konden niet
meer door. Daardoor werden de loopgraven ook gegraven.
• Waarom rare kuststrook? → Leopold II werd fan van de Belgische kust, gezonde lucht, ontspanning. Hij
ging hier een gaanderij (Oostende) bouwen. De dijken waren er vroeger niet (kunnen tonen in de klas)
• Rode blokken → ‘Rock Strangers’ in Oostende
‘Land Mark’ → een herkennings- of oriëntatiepunt in een landschap of stad
1
, SAMENVATTING WERELD 3
3.1 landschapselementen:
Natuurlijke landschapselementen:
• Reliëf: hoogste punt, laagste punt, horizonlijn, hoogteverschillen, reliëfvorm, andere opvallende
elementen: duinen, rotswand
• Water:
o Stilstaand water: meer, moeras, ven
o Stromend water: breedte, diepte, stroomsnelheid, recht of meanderend, debiet, bevaarbaarheid,
bron, monding, getijden
• Natuurlijke plantengroei en fauna:
o Bos: naaldbos, loofbos, gemengd bos, heide, slikken, schorren
o Bodem en ondergrond: los, vast, hard, zacht, korrelgrootte, kleur, vochtig, droog, kneedbaar
Socio-economisch of niet-natuurlijke landschapselementen:
• Landbouw:
o akkerbouw, veeteelt, tuinbouw, bosbouw, visvangst
o graangewassen, voedergewassen, nijverheidsgewassen
o melkvee, slachtvee, varkens, pluimvee, schapen
o perceelgrootte, perceelvorm, afwateringsgrachten of -kanalen
o hoevevorm, watermolens, windmolens…
• industrie: industrietak, infrastructuur…
• verkeer: autowegen, spoorweg, kanaal, haven, vlieghaven
• toerisme: natuurlijke aantrekkingspunten, niet – natuurlijke-, toeristische infrastructuur
(verblijfsmogelijkheden, bereikbaarheid)
• bewoning:
o soorten woningen: rijwoning, appartement, herenhuis, villa, sociale woning…
o ruimtelijke spreiding: verspreid of in groep, gehucht, dorp, stad, verstedelijkte woonkern, landelijk
gebied, bouwmaterialen, bouwstijl
3.2 een landschap waarnemen:
• op een kaart:
o afstanden verkleind
o hoeken blijven identiek aan werkelijkheid
• Het azimut: de hoek tussen de richting van de toren en het noorden
o Azimut van 90° = oosten
o Azimut van 180° = zuiden
• Landschap waarnemen met alle zintuigen – didactische suggesties:
o ‘zeg wat je ziet’: 1min kijken naar landschap, dan omdraaien en om de beurt landschapselement
opnoemen.
o Gerichte vraagstelling: Wat zie je het meest? Welke kleuren komen voor?
o Typische foto: waar stond de fotograaf? Vergelijking met oude foto of prent
o Teken wat je ziet
o Meetopdrachten: oppervlakte akker schatten door zijde af te stappen
o Wat voel ik?: de korrelgrootte van zand en klei voelen
o Wat hoor ik?: doe je ogen dicht en zeg wat je hoort.
o Wat ruik ik?: geuren van een bos in de herfst, zomer…
o Maak souvenirkaart: met materiaal uit verkende gebied
2
, SAMENVATTING WERELD 3
3.3 landschapsanalyse:
• Ga op zoek naar ruimtelijke structuur en samenhang
Examenvraag:
• Wat is van de mens en wat is nog natuur?
• Waarom staan er in de Kempen zoveel varkenstallen en geen wijngaarden? → onze grond leent er niet
toe.
Natuurlijke landschapselementen Menselijke landschapselementen
>fysische ruimte >menselijke ruimte
• Water • Landbouw
• Reliëf • Industrie
• Fauna en flora • Toerisme/ recreatie
• Bodem en ondergrond • Transport
• Klimaat • Handel
• Bewoning/ bebouwing
Geografische streken:
• De polders kunnen plaatsen
Reliëf:
• Reliëf beschrijven: de 4 h’s:
o Hoogte
o Hoogteverschil
o Helling
o Horizonlijn
Dalvormen:
• Vlakbodemdal
• Asymmetrische dal door erosie
• Asymmetrisch dal door sedimentatie
• Vlakdal/ boogdal
• U-dal
3