NEDERLANDS 4 – SAMENVATTING VERHALEN
EXAMEN
Open boek examen jeugdliteratuur (schriftelijk)
o Alle ppt’s, notities, … mag je meebrengen op papier.
Gesloten boek examen Taalbeschouwing (schriftelijk)
Demoles leesbordering: groepswerk (presenteren)
VERHAALANALYSE:
1) Opbouw
Ab ovo = begin van het verhaal vertellen
In medias res = midden van verhaal te beginnen, je weet niks van
personages, …
Duidelijk hoe verhaal afloopt = gesloten einde
Open einde = niet weten hoe het afloopt
2) Tijd
Welke tijd, chronologisch, flashbacks, …
Tijd verdichten: sommige dingen niet verteld of overgeslagen
Verteltijd en vertellende tijd:
o Verteltijd tijd die je als schrijver nodig hebt om verhaal te
vertellen, aantal pagina’s dat gelezen moet worden.
o Vertelde tijd = 90 jaar bijvoorbeeld
o Auteur kan spelen met versnellingen of vertragingen
Flashbacks/forwards
3) Ruimte
Waar speelt het af? (Geografische ruimte)
Sfeerscheppende ruimte: ruimte = weergave van het verhaal
Symbolische ruimte: symbolisch voor de gevoelens of situatie van
het personage
4) Perspectief
Ik – verteller
o Vertellende ik gebeurtenissen uit het verleden vertellen
o Belevende ik alles gebeurt nu, op dit moment
Alwetende of auctoriale verteller:
o Zelf geen personage, staat erboven
o In derde persoon: weet wat er gebeurt en hoe het verder gaat
Peronele verteller:
o Door de ogen van één van de personages
o Hij/zij vorm subjectieve kijk
Meervoudige vertelsituatie/ vertelperspectief:
o Afwisselend door verschillende personages binnen één verhaal
verteld.
1
, NEDERLANDS 4 – SAMENVATTING VERHALEN
5) Personages
Eén of meerdere personages
In verhaalanalyse verschil tussen round en flat characters.
o Round:
Belangrijkste personages
Je leert deze goed kennen: denken, voelen
Psychologische diepgang
Maken een ontwikkeling door in het verhaal
o Flat:
Je herkent enkele karaktertrekken
Maken weinig psychologische ontwikkeling door
Meestal beperkt aantal karaktereigenschappen
6) Motieven
= een herhaaldelijk terugkerend element.
Abstracte aanduiding of iets concreets dat meermaals voorkomt
Meestal kleine thema’s die verwijzen naar hoofdthema
7) Thema
Soms vanzelfsprekend, soms nog te ontdekken
Vaak aan de lezer om thema te achterhalen en boodschap uit
verhaal te halen
8) Titel
Wat is de relatie van de titel tot de rest van het boek?
Titel: betekenisvol en veelzeggend
9) Motto
Citaat, spreuk, zin vooraan in het boek relatie tussen citaat en
inhoud
2
EXAMEN
Open boek examen jeugdliteratuur (schriftelijk)
o Alle ppt’s, notities, … mag je meebrengen op papier.
Gesloten boek examen Taalbeschouwing (schriftelijk)
Demoles leesbordering: groepswerk (presenteren)
VERHAALANALYSE:
1) Opbouw
Ab ovo = begin van het verhaal vertellen
In medias res = midden van verhaal te beginnen, je weet niks van
personages, …
Duidelijk hoe verhaal afloopt = gesloten einde
Open einde = niet weten hoe het afloopt
2) Tijd
Welke tijd, chronologisch, flashbacks, …
Tijd verdichten: sommige dingen niet verteld of overgeslagen
Verteltijd en vertellende tijd:
o Verteltijd tijd die je als schrijver nodig hebt om verhaal te
vertellen, aantal pagina’s dat gelezen moet worden.
o Vertelde tijd = 90 jaar bijvoorbeeld
o Auteur kan spelen met versnellingen of vertragingen
Flashbacks/forwards
3) Ruimte
Waar speelt het af? (Geografische ruimte)
Sfeerscheppende ruimte: ruimte = weergave van het verhaal
Symbolische ruimte: symbolisch voor de gevoelens of situatie van
het personage
4) Perspectief
Ik – verteller
o Vertellende ik gebeurtenissen uit het verleden vertellen
o Belevende ik alles gebeurt nu, op dit moment
Alwetende of auctoriale verteller:
o Zelf geen personage, staat erboven
o In derde persoon: weet wat er gebeurt en hoe het verder gaat
Peronele verteller:
o Door de ogen van één van de personages
o Hij/zij vorm subjectieve kijk
Meervoudige vertelsituatie/ vertelperspectief:
o Afwisselend door verschillende personages binnen één verhaal
verteld.
1
, NEDERLANDS 4 – SAMENVATTING VERHALEN
5) Personages
Eén of meerdere personages
In verhaalanalyse verschil tussen round en flat characters.
o Round:
Belangrijkste personages
Je leert deze goed kennen: denken, voelen
Psychologische diepgang
Maken een ontwikkeling door in het verhaal
o Flat:
Je herkent enkele karaktertrekken
Maken weinig psychologische ontwikkeling door
Meestal beperkt aantal karaktereigenschappen
6) Motieven
= een herhaaldelijk terugkerend element.
Abstracte aanduiding of iets concreets dat meermaals voorkomt
Meestal kleine thema’s die verwijzen naar hoofdthema
7) Thema
Soms vanzelfsprekend, soms nog te ontdekken
Vaak aan de lezer om thema te achterhalen en boodschap uit
verhaal te halen
8) Titel
Wat is de relatie van de titel tot de rest van het boek?
Titel: betekenisvol en veelzeggend
9) Motto
Citaat, spreuk, zin vooraan in het boek relatie tussen citaat en
inhoud
2