DE CEL
Het cytoplasma is opgebouwd uit een cytoskelet, waarin
men 3 soorten buisjes en filamenten onderscheidt.
- Microtubuli
Dit bestaat uit tubuline, het zijn de grootste
buisjes en ze zijn constant in beweging.
- Microfilamenten
Dit bestaat uit actine, het zijn de kleinste
filamenten en ze zijn constant in beweging.
- Intermediaire filamenten of tonofilamenten
Dit zorgt voor de structuur van het cytoskelet.
C: dwarsdoorsnede microtubuli
D: overlangse doorsnede
microtubuli
De nucleus of celkern wordt omgeven door een omhulsel van
parallel gelegen membranen, met daartussen een perinucleaire
ruimte. Die membranen staan direct in verbinding met het ruw
endoplasmatisch reticulum.
Er zijn 2 soorten chromatine:
- Heterochromatine
Dit zijn donkere kernen die goed zichtbaar zijn onder een
lichtmicroscoop. Dit kan niet overgeschreven worden naar
eiwitten, omdat het is opgekruld.
- Euchromatine
Dit zijn lichte kernen, die minder goed zichtbaar zijn onder
een lichtmicroscoop. Dit wordt actief overgeschreven naar
eiwitten.
Het kernskelet bevat 3 onderdelen:
- Het kernporiëncomplex
- Een dichte eiwitlaag of laminine
- Eiwitdraden of kernfilamenten
De nucleolus of kernlichaampje is de centrale van de kern.
Hier wordt het ribosomaal RNA aangemaakt.
A: amorf gedeelte
F: vezelig
gedeelte
1
G: granulair
,De fosfolipidedubbellaag
CELDOOD
2
,Necrose = celdood, dit kan van afzonderlijke cellen zijn, of van een isogene groep.
Celdood kan plots gebeuren of geleidelijkaan (=necrobiose).
Oorzaken: tekort bloedtoevoer – giffen-immunologische schade – infecties – ouderdom –
straling - …
Methoden voor het achterhalen van de celdood:
- Labelen met radio-isotopen 51
Cr of 32
P
Dit wordt ingebouwd in het membraan. Een levende cel behoudt het label. Bij een
afgestorven cel is de membraan kapot en komt het label in de celsuspensie in de
broedstoof terecht.
- Kleurstoffen
De 2 kleurstoffen die gebruikt worden om celdood vast te stellen zijn:
Trypaan blauw: kleurt dode cellen aan en levende cellen niet.
Neutraal rood: wordt in levende cellen opgenomen, in dode cellen wordt het veel
minder opgenomen.
Celdood in weefsels bekeken met lichtmicroscopie:
De kern kleurt paars, omdat die zuur is. Het cytoplasma kleurt rood met eosine, omdat
die veel basische bestanddelen bevat. De nucleolus uit de kern kleuren ook rood.
Levende
cel
3
, Celdood in weefsels bekeken met elektronenmicroscopie:
A = normale cel
B = cel 1 uur na een tekort aan zuurstof.
C = cel 24u na een tekort aan zuurstof
D = cel 24u na behandeling
Celdood in macroscopisch uitzicht:
- Coagulatieve necrose = de necrotische plaats is gezwollen en hard. Normaal is de
plaats ook geel, behalve als de plaatsen goed doorbloed zijn, zoals lever, mild en
hart, dan kleurt het bruin.
- Colliquatieve necrose = vervloeiing bij de hersenen.
- Kaasvormige necrose = komt voor bij tuberculose.
- Vetnecrose = de cellen zijn gevuld met vetdruppeltjes.
4