Vragen:
Deel 1: Sociologie als wetenschap
I. INLEIDING
Metafoor van een spel: voetbalveld
De samenleving = het speelveld
De mensen die handelen in de samenleving = spelers
De sociale regels/ wetten geen ‘free riders’ (proces van socialisatie)
Hoofdrolspelers (‘sociale feiten’ – Durkheim)
Rollen met verwachtingen voor elke positie => sociale verbranden of
interactiekaders (posities, rollen, status, prestige)
Charles Wright Mills: 1e moderne kritische socioloog
Sociologische verbeelding = het vermogen om afstand te nemen van de
actuele toestand en een alternatief standpunt in te nemen:
1. Geschiedenis: hoe ontstaat en veranderd een samenleving?
2. Biografie: welke mensen vertegenwoordigen welke samenleving?
3. Sociale structuur: hoe werken de maatschappelijke instituties, wat
zijn de dominante normen, hoe houden ze de orde in stand?
Levenspad van mensen staat in interactie met sociale feiten (bv: opleiding
van ouders kan in verband staat met wat je zelf studeert/ cultuur/ …) MAAR is niet
onveranderlijk!
Voor iedereen anders
Vb: theedrinken in Engeland heeft een andere betekenis dan in Belgie:
Traditie, gastvrijheid, statuut, … Focus ligt minder op het drinken
als consumptie
! Alles is contingent = dominante instituties (normen) konden ook andere
vormen aannemen, maar NIET arbitrair/willekeurig! = door historische
gebeurtenissen is het hoe het is
(Bv: onderwijs kon ook op een andere manier gegeven worden, maar door
historische gebeurtenissen krijgen we op deze manier les.)
1
, Sociologie = de wetenschap die de maatschappelijke patronen en
structuren (= regels, verwachtingen…) bestudeert, in hun ontstaan,
voortbestaan en veranderen, en ook het sociale handelen van mensen in
de interactie met deze patronen en structuren. Bv: AI
- Samenleving= objectieve werkelijkheid
bepaalde ordening van de wijze van de
samenleving (als sociaal feit), volgens
regelmaten of routines binnen een sociale
ruimte en tijd.
- De mens= sociaal product
- De samenleving= menselijk product
Vb: wie rijk is wordt 14 jaar ouder
Sociologie als wetenschap:
Het vaststellen van een statisch verband + het begrijpen van dat
verband in termen van verwachtingen/ hypothesen = verklaren in de
sociologie
Wetenschap: leren denken in de abstractie (oorzaak – gevolg, afhankelijke en
onafhankelijke variabelen,…) = Academisch referentiekader
II. DE SAMENLEVING IS EEN VELD VAN TEGENGESTELDE KRACHTEN
4 tegengestelde krachten:
1) Individu vs. Samenleving (actor VS. factor/ micro VS. macro)
2) Samenlevingsmogelijkheden VS. Beperkingen
3) Solidariteit (cohesie) VS. Strijd (conflict)
4) Ongelijkheid VS. Gelijkheid
Discussie over nature (aangeboren) en nurture (aangeleerd) is in elk van deze
onderwerpen aanwezig
1) Individu VS. Samenleving: (Micro VS. Macro):
2
, Actor- factor dilemma:
- Individuele actoren = individuen
- Collectieve actoren= organisaties en andere netwerken waarbij de
individuele actoren vaak positioneel verbonden zijn met de collectieve
actoren
- Factoren = maatschappelijke structuren
In welke mate is je gedrag bepaald door groepen waarvan je deel uitmaakt, de
maatschappelijke historische condities (contingenties)
3 invalshoeken:
o Individu (actor) bepaald wat er in de samenleving gebeurt: bottom-
up
(BV: anti-euthanasie)
o Samenleving (factor) als som van de individuen: structuur bepaalt
ons gedrag: top-down (Karl Marx, Durkheim)
(BV: verkeersregels)
o Combinatie: Samenleving en individu of groepen van individuen
(=collectieve actoren) maken elkaar
(BV: stakingen)
Aan de samenleving neemt iedereen deel, ook wie er niets mee te maken wil
hebben. (BV: daklozen)
Karl Marx:
Kapitalistische productiewijze = productieproces wordt in stukjes verdeeld
Structuur (factor) van de kapitalisme wijze zorgt dat de mens vervreemd
van: - het product: ziet niet meer het proces
- de mens: iedereen afzonderlijk
- van zichzelf: geen eigen creativiteit
meer
De kapitalistische samenleving bevat elementen die elkaar versterken
(economie,…)
2) Mogelijkheden VS. Beperkingen:
Mogelijkheden:
Gezondheidzorg: mogelijkheid om goedkoop naar de dokter te gaan
Verzorgingsstaat: werkloosheiduitkering aan armeren
Kinderwens: technologische mogelijkheden (ivf)
Geografische mobiliteit: makkelijker reizen
Digitale communicatie: sociale media
3
, Onderwijsmogelijkheden: massificatie (= meer mensen) leidde niet tot
onderwijsdemocratisering
(BV: hoger opleidingsniveau en de tewerkstelling van de ouders starten in het
hoger onderwijs)
Matheus effect = bepaalde overheidsuitgaven gaan naar mensen die eigenlijk
voldoende middel hebben en niet naar mensen met minder middelen
Beperkingen zorgen voor vrijheid, voorspelbaarheid en veiligheid (BV:
verkeersregels)
Op verschillende manieren:
Juridisch = staan in de wet
Sociaal = staan niet in boeken geschreven, verkleinen of vergroten de
sociale speelruimte van mensen:
- Impliciete handelingsmarges
(BV: opleidingsniveau van ouders hoger onderwijs of niet)
- Institutionele =beperkingen door bepaalde verwachtingen van
mensen die anders zijn (breuklijn)
- Situationele = beperkingen door factoren buiten de persoon
(BV: )
- Dispositionele= attitudes die groepen hebben t.o.v. bepaalde topics
(BV: leren op school in verschillende studies)
- Routine = beperking door gewoontes
Kan ook veranderen (dynamisch)
3) Solidariteit VS. Strijd
Solidariteit = de centripetale, aanhoudende en samenhoudende sociale kracht
koude solidariteit = bijdragen aan een systeem die voordelig is naar mensen
die je niet kent (BV: verzorgingsstaat)
Warme solidariteit = bijdragen aan organisaties die je zelf kent
Zorgt voor structurele sociale cohesie: versterking, geborgenheid…
Heeft ook een donkere zijde: uitsluiting, stereotypering…
Durkheim: hoe gaat evolutie gepaard met solidariteit, link met manier
van arbeidsverdeling en solidariteit. (van pre-kapitalistisch naar
kapitalistisch):
- Link met manier van
arbeidsverdeling en
solidariteit
4
,Bij de traditionele arbeidsverdeling is er meer onderlinge samenhorigheid:
geen individualiteit, individuele en collectieve bewustzijn vallen samen =
mechanische (warme) solidariteit
bij de moderne arbeidsverdeling heeft iedereen een eigen taak: mensen
worden afhankelijk van elkaar en moeten dus op elkaar afgestemd zijn =
organische (koude) solidariteit
Traditionele solidariteit onder druk door:
Individualisering
Geen dominant overkoepelend cultuurpatroon
Klassieke arbeidsverdeling is voorbij
Erosie typische burgerlijke solidariteitsvormen zijn achterhaald
(huwelijk, gezin, man werkt, vrouw huishouden…)
Collectieve bewustzijn = het besef dat we samen met anderen een
gemeenschap vormen en daarom verplicht zijn aan de eisen van de
gemeenschap te voldoen
Strijd = de middelpuntvliedende, centrifugale kracht (wat haalt de samenleving
uit elkaar) Tussen individuen of groepen over:
Schaarse sociale goederen (geld, status en macht)
Over ideologie, waarden:
- Sociaaleconomisch (BV: klassenstrijd)
- Religie en zingeving (BV: hoofddoekverbod)
- Cultuur linguïstisch (BV: schoolstrijd tussen katholiek en liberaal,
mutualiteit)
Conflicten zijn onvermijdelijk:
Conflictsociologen (Marx): conflicten zijn onvermijdelijk en zelfs nuttig, want ze
zijn cruciaal voor verandering in een samenleving (progressief)
Ordesociologen (Durkheim): conflicten zorgen dat de samenleving uit balans
wordt gehaald (conservatief)
Stromingen:
Reactionairen: terug naar premoderne tijd
Conservatieven/ functionalisten: houden zoals het was
Progressieven: hoe kan het beter (Marx)
Soorten conflicten:
Manifeste = zichtbare conflicten
Latente = conflict is er maar nog niet zichtbaar
5
, 4) Ongelijkheid VS. Gelijkheid
3 perspectieven op (on)gelijkheid:
Gelijkheid Probleem Beleid (oplossing)
Juridisch / /
Gelijke uitkomsten Uitkomsten Voortdurend
bewaken, realiseren bijsturen
Gelijke kansen en Geen gelijke Bestrijden van
rechten middelen, sociale doelgroepen en
herkomst, structurele
kenmerken… drempels, fysieke
ontoegankelijkheid,
vooroordelen,…
Vroeger: sociale ongelijkheid als motor van economische groei:
Economische crisis maatschappelijke gevolgen: werkloosheid,
verarming, … probleem functioneren
Dynamisch!
III. WAARMEE ZIJN SOCIOLOGEN BEZIG?
Menswetenschappen/ sociologie was een late ontdekking:
Samenleving werd Industriële revolutie Sociologie als
bestuurd door (economisch + Franse wetenschap van ‘de
mythes, bijgeloof, revolutie (cultureel) samenleving:
God…
Maakbare Door de
feodale samenleving feitelijkheid kijken
maatschappij door grondrechten
‘God gegeven’ nieuwe industriële wetenschappelijk
maatschappij (rede) onderzoek
Natuurwetenschappen ≠ sociale wetenschappen
Natuur= bestaat uit identieke en volkomen reproduceerbare elementen,
die hun bestaan ondergaan en er geen vorm aan geven
grote causale verbanden met sluitende
voorspelbaarheid
Samenleving = Elementen zijn fundamenteel vergelijkbaar, maar niet
verwisselbaar andere orde dan de natuur, maar tegelijk
6