Samenvatting BDK
De 4 kenmerken van een organisatie:
1: De menselijke factor
2: Een samenwerkingsvorm
3: Doelgerichtheid
4: Continuïteit
De begrippen organisatie, bedrijf en onderneming:
Organisatie: Een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is.
Bedrijf: Een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het doel deze op een
afzetmarkt te verkopen.
Onderneming: Een bedrijf die altijd gericht is op het maken van winst, een onderneming is dus het
zelfde als een bedrijf met winstoogmerk.
Organisatie begrip:
Het functionele organisatiebegrip: hierbij zien we het woord ‘organisatie’ in de betekenis van het
werkwoord organiseren, dat gelijkstaat met het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten. Als
men spreekt van de organisatie van een marketingcampagne door de marketeers van Philips bedoeld
men het functionele organisatiebegrip.
Het instituionele organisatiebegrip: hiervan is sprake als men duidt op een organisatie als object,
met naam en vesteging. Bijvoorbeeld de organisatie Philips in Eindhoven.
Het instrumentele organisatiebegrip: hierbij wordt het woord organisatie gebruikt als middel
waarmee we bepaalde doelstelling van de organisatie kunnen verwezelijken. Het gaat in dit geval om
het organiseren binnen de organisatie. Als men over de organisatie van Philips spreekt bedoeld men
hoe het onderverdeeld is in afdelingen, divisies, regio’s enz.
Ondernemingsvormen:
Rechtsvormen met natuurlijke personen:
- De eenmanszaak
- De maatschap
- De vennootschap onder firma (VOF)
- De commanditaire vennootschap (cv)
Rechtvormen met rechtspersonen:
- De naamloze vennootschap (nv)
- De besloten vennootschap (bv)
- De coöperatieve vereniging.
,Beoordelen van een organisatie:
Productiviteit:
Productiviteit (P) is het bereikte of beoogde resultaat(R) gedeeld door het daarvoor gebrachte
offer(O). Denk bijvoorbeeld aan kosten voor grondstof of arbeid die voor het product nodig was.
P=R/O
Maximale productiviteit:
De maximale productiviteit is de productivieit waarbij, gegeven de productiemiddelen, met de
laagste offers(kosten) het maximale resultaat wordt gerealiseerd.
Effectiviteit:
De verhouding tussen het werkelijk bereikte resultaat en het normresultaat dat men eigenlijk had
moeten hallen.
Effectivieit = Werkelijke resultaat / Norm resultaat
Efficiëntie:
De verhouding tussen de normoffers(kosten) die men eigenlijk had mogen brengen en de werkelijke
gebrachte offers.
Efficiëntie = Norm offers/ offer werkelijkheid.
De 4 organisatie ontwikkelingen:
1: De protestants-christelijke ethiek ten aanzien van arbeid:
Luther en Calvijn vonden dat je nu je op aarde bent je moet werken, je moest je roeping op aarde
waar maken door noeste arbeid en onzelfzuchtige inzet. Deze ethiek creëerde een nieuw tijdperk van
zelfcontrole, verantwoordelijkheid en individualisme. Dit nieuwe elan leidde tot meer bedrijvigheid
en de vraag naar kennis van optimale organisatievormen.
2: Het kapitalisme en de opdeling van arbeid:
Adam smith, een econoom, omschreef de basiselementen van het kapitalisme als volgt:
1: De meeste efficiënte regulering van de stroom van middelen door de maatschappij wordt bepaald
door de natuurlijke wetten van vraag en aanbod en vrije concurrentie.
2: Ieder individu zou vrij moeten zijn in het vergaren van rijkdom
3: Ieder individu zou vrij moeten zijn in het hebben van eigendomsrecht.
4: De opdeling van arbeid leidt door specialisatie tot vergroting van de productiviteit.
3: De industriële revolutie:
Door de opkomst van stoommachine’s kwam er massaproductie, hierdoor werd er veel meer
gemaakt.
4: Productiviteitsprobleem:
Drie oorzaken:
1: Geen goede leiding
2: Moeite met de veranderingen(lopende band)
3: Men had moeite met het bepalen van de juistte grootte van de nieuwe industriële organisaties.
, De 7 stromingen organisatiekunde:
1: Klassieke organisatiekunde (1890)
2: Gedragdskundige benadering (1930)
3: Revisionisme (1950)
4: Systeembenadering (1950)
5: Contingentiebenadering (1960)
6: Totale kwaliteitszorg (1980)
7: De lerende organisatie (1990)
1. Klassieke organisatiekunde (Vanaf 1890)
Rol manager versus de gezagsverhoudingen
Frederick Taylor: scientific management
- Mensen zijn het verlengstuk van de machines.
- Mensen moesten zo efficiënt mogelijk werken.
Frank Gilbreth: scientific management
- Handelingen(ergonomie) zo efficiënt mogelijk.
Henri Fayol: Algemene managementtheorie
- Het personeel zo goed mogelijk aansturen.
Max Weber: Bureaucratie
-Alles gaat zoals de regels voorschrijven.
2.Gedragskundige benadering.
- De human relationsbenadering --> de mens en de menselijke relaties als uitgangspunt.
Elton mayo: aandacht voor de mens. (1920-1930)
- Mensen werden productiever als er naar hen geluisterd werd.
Abraham Maslov: Behoefte piramide.
- De mens heeft pas behoefte aan iets anders als hij de voorgaande behoefte heeft bevredigd.
De 4 kenmerken van een organisatie:
1: De menselijke factor
2: Een samenwerkingsvorm
3: Doelgerichtheid
4: Continuïteit
De begrippen organisatie, bedrijf en onderneming:
Organisatie: Een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is.
Bedrijf: Een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het doel deze op een
afzetmarkt te verkopen.
Onderneming: Een bedrijf die altijd gericht is op het maken van winst, een onderneming is dus het
zelfde als een bedrijf met winstoogmerk.
Organisatie begrip:
Het functionele organisatiebegrip: hierbij zien we het woord ‘organisatie’ in de betekenis van het
werkwoord organiseren, dat gelijkstaat met het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten. Als
men spreekt van de organisatie van een marketingcampagne door de marketeers van Philips bedoeld
men het functionele organisatiebegrip.
Het instituionele organisatiebegrip: hiervan is sprake als men duidt op een organisatie als object,
met naam en vesteging. Bijvoorbeeld de organisatie Philips in Eindhoven.
Het instrumentele organisatiebegrip: hierbij wordt het woord organisatie gebruikt als middel
waarmee we bepaalde doelstelling van de organisatie kunnen verwezelijken. Het gaat in dit geval om
het organiseren binnen de organisatie. Als men over de organisatie van Philips spreekt bedoeld men
hoe het onderverdeeld is in afdelingen, divisies, regio’s enz.
Ondernemingsvormen:
Rechtsvormen met natuurlijke personen:
- De eenmanszaak
- De maatschap
- De vennootschap onder firma (VOF)
- De commanditaire vennootschap (cv)
Rechtvormen met rechtspersonen:
- De naamloze vennootschap (nv)
- De besloten vennootschap (bv)
- De coöperatieve vereniging.
,Beoordelen van een organisatie:
Productiviteit:
Productiviteit (P) is het bereikte of beoogde resultaat(R) gedeeld door het daarvoor gebrachte
offer(O). Denk bijvoorbeeld aan kosten voor grondstof of arbeid die voor het product nodig was.
P=R/O
Maximale productiviteit:
De maximale productiviteit is de productivieit waarbij, gegeven de productiemiddelen, met de
laagste offers(kosten) het maximale resultaat wordt gerealiseerd.
Effectiviteit:
De verhouding tussen het werkelijk bereikte resultaat en het normresultaat dat men eigenlijk had
moeten hallen.
Effectivieit = Werkelijke resultaat / Norm resultaat
Efficiëntie:
De verhouding tussen de normoffers(kosten) die men eigenlijk had mogen brengen en de werkelijke
gebrachte offers.
Efficiëntie = Norm offers/ offer werkelijkheid.
De 4 organisatie ontwikkelingen:
1: De protestants-christelijke ethiek ten aanzien van arbeid:
Luther en Calvijn vonden dat je nu je op aarde bent je moet werken, je moest je roeping op aarde
waar maken door noeste arbeid en onzelfzuchtige inzet. Deze ethiek creëerde een nieuw tijdperk van
zelfcontrole, verantwoordelijkheid en individualisme. Dit nieuwe elan leidde tot meer bedrijvigheid
en de vraag naar kennis van optimale organisatievormen.
2: Het kapitalisme en de opdeling van arbeid:
Adam smith, een econoom, omschreef de basiselementen van het kapitalisme als volgt:
1: De meeste efficiënte regulering van de stroom van middelen door de maatschappij wordt bepaald
door de natuurlijke wetten van vraag en aanbod en vrije concurrentie.
2: Ieder individu zou vrij moeten zijn in het vergaren van rijkdom
3: Ieder individu zou vrij moeten zijn in het hebben van eigendomsrecht.
4: De opdeling van arbeid leidt door specialisatie tot vergroting van de productiviteit.
3: De industriële revolutie:
Door de opkomst van stoommachine’s kwam er massaproductie, hierdoor werd er veel meer
gemaakt.
4: Productiviteitsprobleem:
Drie oorzaken:
1: Geen goede leiding
2: Moeite met de veranderingen(lopende band)
3: Men had moeite met het bepalen van de juistte grootte van de nieuwe industriële organisaties.
, De 7 stromingen organisatiekunde:
1: Klassieke organisatiekunde (1890)
2: Gedragdskundige benadering (1930)
3: Revisionisme (1950)
4: Systeembenadering (1950)
5: Contingentiebenadering (1960)
6: Totale kwaliteitszorg (1980)
7: De lerende organisatie (1990)
1. Klassieke organisatiekunde (Vanaf 1890)
Rol manager versus de gezagsverhoudingen
Frederick Taylor: scientific management
- Mensen zijn het verlengstuk van de machines.
- Mensen moesten zo efficiënt mogelijk werken.
Frank Gilbreth: scientific management
- Handelingen(ergonomie) zo efficiënt mogelijk.
Henri Fayol: Algemene managementtheorie
- Het personeel zo goed mogelijk aansturen.
Max Weber: Bureaucratie
-Alles gaat zoals de regels voorschrijven.
2.Gedragskundige benadering.
- De human relationsbenadering --> de mens en de menselijke relaties als uitgangspunt.
Elton mayo: aandacht voor de mens. (1920-1930)
- Mensen werden productiever als er naar hen geluisterd werd.
Abraham Maslov: Behoefte piramide.
- De mens heeft pas behoefte aan iets anders als hij de voorgaande behoefte heeft bevredigd.