,EXAMENVERSIE A
ECONOMIE
Academiejaar 2025–2026
Vraag 1 – Vraag en aanbod (6 punten)
De overheid voert een subsidie in voor producenten van zonnepanelen.
a) Wat gebeurt er met de aanbodcurve?
b) Wat gebeurt er met de evenwichtsprijs?
c) Wat gebeurt er met de evenwichtshoeveelheid?
Verklaar telkens je antwoord.
Vraag 2 – BBP (5 punten)
Een land registreert de volgende economische activiteiten:
gezinnen kopen goederen en diensten;
bedrijven investeren in nieuwe machines;
de overheid bouwt een ziekenhuis;
er worden meer goederen uitgevoerd dan ingevoerd.
a) Welke componenten van het BBP herken je?
b) Geef de formule van het BBP volgens de bestedingsmethode.
c) Leg uit waarom een stijgend BBP niet automatisch betekent dat iedereen rijker wordt.
Vraag 3 – Werkloosheid (5 punten)
Duid voor elke situatie de meest geschikte vorm van werkloosheid aan.
1. Een werknemer verliest zijn baan door een economische recessie.
2. Een bankbediende wordt vervangen door artificiële intelligentie.
3. Een universitair afgestudeerde werkt tijdelijk onder zijn niveau.
2
,Keuze:
conjuncturele werkloosheid
structurele werkloosheid
verdoken werkloosheid
Verklaar je keuze.
Vraag 4 – Marktvormen (4 punten)
Vul de juiste marktvorm in.
a) Eén aanbieder verkoopt drinkwater in een regio.
b) Honderden landbouwers verkopen identieke aardappelen.
c) Veel kledingmerken concurreren met elkaar en maken reclame.
Keuze:
volledige concurrentie
monopolistische concurrentie
monopolie
Vraag 5 – Inflatie (5 punten)
Wat is inflatie?
Bespreek twee mogelijke gevolgen van inflatie voor:
gezinnen;
ondernemingen.
Vraag 6 – Economische indicatoren (4 punten)
Leg uit wat wordt bedoeld met:
a) de consumptieprijsindex (CPI)
b) de gezondheidsindex
Waarom gebruikt de overheid beide indicatoren?
3
, Vraag 7 – Micro, meso of macro? (5 punten)
Classificeer onderstaande situaties.
a) Een onderneming opent een nieuwe vestiging.
b) De Belgische economie groeit met 2%.
c) De voedingssector kent een omzetstijging.
d) Een consument koopt een wagen.
e) De werkloosheid in België stijgt.
Vraag 8 – Ongelijkheid en armoede (5 punten)
a) Wat meet het Gini-coëfficiënt?
b) Wat betekent een hoge waarde?
c) Wat betekent een lage waarde?
d) Leg uit hoe de Europese armoedegrens wordt bepaald.
Vraag 9 – Keynesianisme (5 punten)
Volgens de Keynesiaanse theorie mag de overheid soms actief tussenkomen in de economie.
a) Waarom?
b) Geef twee mogelijke maatregelen die een overheid kan nemen tijdens een recessie.
Vraag 10 – Conjunctuur en fiscaliteit (6 punten)
a) Beschrijf de vier fasen van een conjunctuurcyclus.
b) Leg uit wat de Laffer-curve weergeeft.
c) Waarom kunnen hogere belastingtarieven soms leiden tot lagere belastinginkomsten?
4