HD 0: VOORAF
Negativiteitsdenkfout: we zijn meer gericht op het negatieve, dan op het positieve.
Minder oog voor positieve door vroeger op te moeten letten op enge dingen om te
overleven. door media (alleen de slechte dingen op nieuws, daar genieten ze van)
- Meer focus op gelijkenis dan op verschillen
Aangeleerde hulpeloosheid ‘wat ik ook doe, het lukt niet’
Maar eens dit doorbroken is, is het onmogelijk om terug zo te denken
HD 1: KENNISMAKING MET SOCIALE PSYCHOLOGIE
“we are by all odds the most persistently and obsessively social of all species,
more dependent on each other than the famous social insects.”
Socius: we hebben anderen nodig
(mapel brug voorbeeld) ‘de mens is vaak alleen, eenzaam’
SOCIALE DEPRIVATIE:
= iets niet hebben/ontnemen
Geen sociale prikkels meer krijgen hallucineren, stemmen horen
Sociale behoeftes > fysieke behoeftes
SOCIALE PARADOX (TEGENSTELLING):
We hebben anderen nodig laten toch een plekje tussen ons in de trein?!
Maar er is connectiekans (=iemand zomaar aanspreken)
INVLOED
Anderen kunnen ons beïnvloeden, wij kunnen beïnvloed worden. (ook bedreigend,…)
- Expliciet: zeggen wat te doen
- Impliciet: niet opvallend, letterlijk, maar er is druk
1.1. STUDIEOBJECT VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
, Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop de
gedachten, gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door de
feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen”.
Door Gordon Allport (grondlegger)
Amigdala orgaan dat afstand kan bepalen wat gepast is bij bv praten (kan kapot gaan)
We houden ervan om te observeren en meteen conclusies trekken.
1.1.1 GEBIEDSOMSCHRIJVING
Wetenschap: niet subjectief en systematisch
Intuïtie: subjectief, gezond verband, geen wetenschap (wat maakt dat
mensen tot elkaar zijn aangetrokken?)
1. Je stelt iets vast (niet gelijk een theorie vormen, maar…)
2. Hypothese
3. Concrete stelling maken
4. Toetsing doen (verschillende plaatsen en uren)
Bv bij wachtverzachters (we willen controle en voorspelbaarheid)
Methodes voor gebiedsomschrijving:
- Begrijpende methode:
Feiten verzamelen door bv observeren of zelfbeschrijvingen (je eigen gedrag
beschrijven)
- Correlationele methode:
Verband tussen 2 variabelen leggen (geen causatie, veroorzaakt niet het
ander)
3 soorten correlaties:
1. Positieve correlatie: als het ene stijgt, stijgt het andere (2 zelfde richtingen)
2. Negatieve correlatie: als het ene stijgt, daalt het andere
3. Geen correlatie: geen samenhang
- Experimentele methode:
Als een variabele gemanipuleerd wordt, spreken we van een experiment
1. Onafhankelijke variabele: heeft invloed op de AV
2. Afhankelijke variabele: hangt af, wat je meet of berekend
We worden op 3 manieren beïnvloedt door anderen:
A. Affection= gevoel
B. Behaviour= gedrag
C. Cognition= denken
Bv een trui uitdoen omdat je denkt dat mensen je uitlachen.
,We worden beïnvloedt door wat wij denken dat anderen denken
Onze zelfwaarde wordt door onszelf bepaald (bv €20 verfrommelen.)
Soorten invloed/aanwezigheid
- Fysiek, feitelijk: dichtbij iemand staan (rugzaktoeristen bang met aanslagen)
- Voorgesteld: door een voorgestelde aanwezigheid (bep. kleding op feestjes)
- Impliciet/ onrechtstreeks: reclame met fijne sfeer, eten bij de kassa
Ook niet-sociale dingen kunnen beïnvloeden temperatuur op gedrag
1.1.1. DE EIGEN INVALSHOEK VAN SOCIALE PSYCHOLOGIE
Disposities= stabiele karaktertrekken, eigenschappen van iemand
Situationisme= de context bekijken
Bv iemand valt, veel toeschouwers, geen hulp. beïnvloedt in context én karakter
“the situation does not absolve personal responsibility.”
Fout gedrag verklaren adhv dingen, maar wel verantwoordelijkheid behouden
ondanks je beïnvloedt wordt.
HD2 : GROEPSNORMEN
Een norm= iets waar we ons aan houden, maar als je je hier niet aan houdt, wordt je
niet gestraft ‘een onbesproken regel’
⤳ ‘Normaal’ ⤳ Een norm schrijft ons voor wat door een groep als normaal gezien wordt.
Normen die spontaan ontstaan binnen de groep
Er zijn onderliggende waarde bij normen. Normen ontstaan op 2 manieren
- Onbewust
- Spraken elkaar hierover aan
Intermenselijk contact= contact tussen mensen
Bv je staat aan de kassa, als er iemand achter je staat met 1 ding, dan laat je die vaak voor.
We willen goed doen, behoren tot een groep
, Sherif
- Onderzoek naar hoe het komt dat in een groep met vreemden mensen, normen zijn.
- Via experiment: het lichtpuntjes experiment (stimulus materiaal, prikkels)
- Proefpersonen werden in een donkere ruimte gezet.
- Kregen verschillende achterelkaar lichtpuntjes. Sherif: ‘over welke afstand zie jij dat lichtpuntje
bewegen?’ (maar puntje bewoog niet)
Autokinetisch effect: als je in een donkere kamer zit, heb je geen referentiepunt om goed te zien, als je dan 1
lichtpuntje ziet, lijkt het te bewegen (=illusie)
1. Alleen conditie: proefpersonen moeten zelf de afstand van het lichtpuntje schatten (We zien van
persoon tot persoon andere ingeschatte bewegingen)
2. Proefpersonen van alleen conditie gingen per 3 in groep sessie sociale normering
3. Na 3 beurten in die groep sessie komen de proefpersonen tot een gemeenschappelijke schatting.
Sociale normering: proberen om tot een gemeenschappelijke norm te komen (gemiddelde) We gaan door en
met de anderen proberen een gemeenschappelijke kijk vormen
- Ambigue= dubbel/onzeker
Sociale normering komt voor wanneer we het zelf niet zeker weten.
Als je iets nog nooit hebt gedaan onzekerheid kijken naar de andere achterhalen wat de norm is.
Toepassingen
Bv kijken wat anderen mensen posten op Instagram voordat je zelf iets post.
Sensibiliseringscampagnes voor goede doel (link hd 7) = campagnes die worden gebruikt om mensen gevoelig
te maken
Social proof: bewijs van wat een norm is
2.2 IMPACT VAN EEN GROEPSNORM OP EEN INDIVIDU