Vraag 1
Federale staat: Staat waarin het overheidsgezag verdeeld is over 2
verschillende niveaus, dat van de federale en dat van de aantal
deelstaten, die zelfstandige rechtspersonen zijn, met een eigen
rechtsordening, eigen organen, bevoegdheden en bemiddelen. Ze
zijn niet ondergeschikt.
- Referendum: beslissingsvorm waarbij de bevolking zich, al dan niet
bindend, over een bepaalde aangelegenheid of beslissing uitspreekt.
(Bv. Brexit, niet bindend)
- Democratie: staatsvorm waarbij het beleid wordt bepaald door de
bevolking, hetzij rechtsreeks via referenda en volksraadplegingen,
hetzij onrechtstreeks via verkozen vertegenwoordigers in een
parlement
- Wetgevende macht: een van de drie staatsfuncties,
onderscheiden van de uitvoerende macht en de rechterlijke acht;
federale – wordt gezamenlijk uitgevoerd door de koning, de kamer
van volksvertegenwoordigers en de senaat; op het niveau van de
gemeenschappen en de gewesten wordt de – gezamenlijk
uitgeoefend door het gemeenschaps- en het gewest-parlement en
door dit parlement gekozen regering.
- Eenheidsstaat: staatsvorm waarin de soevereiniteit onderverdeeld
bij centrale overheidsbewust. Er kan nog spraken zijn van
deconcentratie en decentralisatie.
- Democratische rechtsstaat: Een staatsvorm waarin de macht van de
overheid begrensd is door het recht en de burgers via verkiezingen invloed
hebben op het bestuur, wat leidt tot een systeem met maximale vrijheid en
gelijkheid voor burgers, bescherming van grondrechten en een rechtvaardige
samenleving.
- Initiatiefrecht: recht van de regering of van een lid van een
wetgevende vergadering om een ontwerp of voorstel van een wet,
decreet of ordonnantie bij een wetgevende vergadering in te dienen,
even als het recht om amendementen in te dienen op dergelijke
ontwerpen en voorstellen.
, - Uitvoerende macht: één van de drie staatsfuncties, onderscheiden
van de wetgevende macht en de rechterlijke macht federaal berust
bij de koning en zijn politiek verantwoordelijke regering berust op
het niveau van de gemeenschappen en gewesten bij de
gemeenschaps- of gewestregering
Vraag 2
A) Soevereiniteit = hoogste gezag van de Staat, dat ertoe gemacht is
de staatsinrichting en het grondwettelijk stelsel te bepalen.
--> externe soevereiniteit= bevoegdheid van een Staat om vrij,
behoudens de beperkingen die voortkomen uit het verdragsrecht of
het internationaal gewoonterecht, zijn rechtsverhoudingen met
andere Staten tot stand te brengen.
--> interne soevereiniteit = bevoegdheid van een Staat om vrij
zijn eigen rechtsorde in te stellen en derhalve zijn eigen
regeringsvorm en gezagsorganisatie te bepalen.
--> nationale soeverneiniteit = staatsrechtelijke theorie die de
Natie als bron van het staatsgezag beschouwt en volgens welke de
staatsmachten enkel namens de Natie kunnen optreden en de
verkozen mandatarissen niet de kiezers, maar wel de Natie
vertegenwoordigen, zodat er een onweerlegbaar vermoeden is dat
de wil van de volksvertegenwoordiging de wil van het volk is.
(De Natie = een groep mensen die zich verbonden voelen omdat ze
veel dezelfde kenmerken hebben. (van het verleden))
(Volkssoevereiniteit = macht van uit het volk – Jean jaque
rousseau)
Artikel 33 van het GW
“Alle machten gaan uit van de Natie.
Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald.”
Artikel 42 van de GW
“De leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie, en niet
enkel degenen die hen hebben verkozen.”