Paragraaf 1: Wat is een verzorgingsstaat?
Verzorgingsstaat: de overheid bemoeit zich actief met de welvaart en het
welzijn van de inwoners.
– welvaart: inkomen en de mate waarin we daarmee in ons levensonderhoud
kunnen voorzien.
– welzijn: geeft aan in hoeverre we ons geestelijk en lichamelijk goed voelen.
-> Om welzijn te verbeteren, geeft de overheid geld uit aan
sportverenigingen, buurtcentra en bibliotheken.
Solidariteit: het helpen van anderen en het delen van risico's vanuit een
gevoel van verbondenheid, vaak zonder directe tegenprestatie.
– bijv. je betaalt zorgverzekering, zodat iedereen die zorg nodig heeft dit kan
krijgen.
Vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit zijn belangrijke waarden.
–> gelijkwaardigheid: iedereen moet gelijke kansen krijgen, om zich te
ontwikkelen.
- Deze waarden komen terug in onze sociale grondrechten, zoals recht op
onderdak, gezondheidszorg en voldoende werkgelegenheid.
-> De overheid moet hier actief mee bezig zijn, maar het is niet afdwingbaar
bij de rechter.
Je hebt recht op onderwijs, maar daar tegenover staat leerplicht. Als je
werkloos bent heb je alleen recht op een uitkering als je actief op zoek bent
naar werk, sollicitatieplicht. Daarnaast moet je ook premies,
inkomstenbelasting en btw betalen. (Plichten)
De drie terreinen waar de overheid het meeste geld aan uitgeeft in een
verzorgingsstaat. - Onderwijs: Goede opleiding
geeft je de kans om te ontwikkelen en het bereid je voor op de arbeidsmarkt.
-
Gezondheidszorg: de overheid betaald voor een groot deel de
gezondheidszorg uit belastingen. Vooral langdurige zorg
ouderen/beperkingen, huisarts.
– Sociale zekerheid: Iedereen betaald belasting, hiervan worden (AOW-)
uitkeringen betaald. Ook kun je zorg, huur en kinderbijslag krijgen. Het
socialezekerheidsstelsel. ->
Socialezekerheidsstelsel: alle uitkeringen die mensen verzekeren van een
inkomen bij werkloosheid, ziekte, ouderdom of arbeidsongeschiktheid.
Maatschappelijk middenveld: Organisaties die tussen de overheid en
burgers in staan en verschillende groepen, meningen en belangen
vertegenwoordigen. – Dit zijn
, burgers die dingen organiseren, zoals milieu, sport en vrijwilligers
(voedselbank).
Vrijmarkt: De prijs van goederen en diensten door vraag en aanbod en de
overheid die alleen kaders stelt met wetten.
– bij de basisbehoeften, zoals brood is dit voordelig.
– op sommige terreinen niet volledige vrijmarkt, zoals gezondheidszorg en
onderwijs, omdat het dan niet betaalbaar zou zijn voor iedereen.