1. Inleiding
Methodologie: de wijze waarop het hele proces van wetenschapsbeoefening fu, dus niet alleen de
kennis en beheersing van methoden en technieken.
2. De wetenschappelijke aanpak
2.1. Wetenschap: een specifieke benadering
Wetenschap gekenmerkt door specifieke regels en procedures, alsook intellectuele eerlijkheid,
persoonlijke integriteit, kritische zin…
Methodologie: hele proces van wetenschapsbeoefening: van instit inbedding van wet, over
epistemologische veronderstellingen tot de werkelijke onderzoekspraktijk.
Methoden: geheel van spec technieken die je in wet ondz gebruikt.
Wet kennis niet 100% waterdicht.
Wetenschappelijke kennis is superieur door de methodes, principes en basisprocedures die
garanties bieden dat uitspraken die niet stroken met de waarheid de kritische toets niet doorstaan
en uiteindelijk verworpen worden.
2.2. Alternatieve bronnen van kennis over de werkelijkheid
Persoonlijke ervaringen, populaire media, ideologische overtuigingen, waarden…
3. Wat te verwachten van methodologie?
Theorie: coherent systemen van logische, consistente en onderling verbonden inzichten die gebruikt
w om kennis over de werkelijkheid te organiseren.
Onderscheid tussen micro-, meso- en macrolevel theorieën.
− Micro: concrete interactie op interpersoonlijk niveau.
− Meso: processen proberen duiden die zich afspelen binnen bv sociale bewegingen,
gemeenschappen of organisaties.
− Macro: patronen begrijpen op het niveau van ruimere sociale systemen, zoals staten of
instellingen.
Soorten data
− Empirische data: gegrondvest in zintuiglijke waarnemingen. Kan kwantitatief of kwalitatief zijn.
1
,H2. Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
1. Inleiding
Soc-wet ondz: productie van geldige en betrouwbare kennis over de soc rea door theorie en empirie
te combineren, met rigoureuze toepassing metho princ.
2. Bouwstenen van sociaalwetenschappelijk onderzoek
2.1. Theorie en empirie
2.1.1. Theorie
Theorie: geheel van samenhangende uitspraken/proposities die bep fenomeen beschrijven of
verklaren. Maakt het mogelijk om voorspellingen te doen. Verhalen over hoe de rea fu. Geheel
van uitspraken hoe concepten met elk verbonden zijn.
Soc-wet theorie: verklaart hoe de sam in elk zit. Opgebouwd uit twee elementen:
1) Concepten: alg en abstracte ideeën die als label dienen om concreet waarneembare zaken
en fenomenen te categoriseren. Bv. ‘criminaliteit’ in de Broken Windows Theory.
2) Rela tssn die concepten: hoe de conc met elk in verband staan.
Drie belangrijke kenmerken goede sociaalwetenschappelijke theorie
1) Logisch consistent: uitspraken elk n tegenspreken.
2) Veralgemeenbaarheid
o Formele theorieën: allerhande soc fen los vd concrete inhoud verklaren vanuit enkele
vormelijke basisprincipes. Bv. rational-choise: k/b-analyse stuurt menselijk gedr.
o Grand theories: volledige m proberen vatten vanuit één abstract conceptueel kader.
Wetten formuleren van toepassing op versch domeinen in sam. Bv. structureel functio-
nalisme Parsons. Kritiek: zo abstract waardoor moeilijk emp testen, dus niet echt
bruikbaar voor onderzoek.
o Middle range theories (R. K. Merton): reeks aannames over één bep soc fenomeen,
waaruit hypo knn w afgeleid die op hun beurt emp getoetst knn w.
3) Empirische observatie: via obs toetsen of emp aannames overeenst met rea. Houdt in:
o Verifieerbaarheid: th aannames moeten overeenst met rea.
o Falsifieerbaarheid: onjuistheid van kennis aantonen, weerlegbaarheid.
Dus, wet th stellen zich bloot aan emp toetsing. Wet zijn bereid th te bewerken of zelfs
volledig te verwerpen indien obs th tegenspreken. Wet kennis is dus steeds voorlopig!
Grote openheid en transparantie is nodig, zodat anderen knn repliceren.
2.1.2. Empirie
Empirie: wereld rondom ons ervaren door waarneming. Grote uitdaging omtrent objectiviteit
van waarnemingen. Versch visies: positivisme/kwantitatief vs constructivisme/kwalitatief.
→ Zo objectief mog obs (exp ondz, surveyondz) <-> obj obs onmogelijk & onwenselijk (part
obs en diepte-interviews).
2.2. Inductie en deductie
Deductie: gevolgtrekking van ‘t algemene naar het bijzondere. Uit theorieën hypothesen afleiden
en deze toetsen adhv empirie. Dus eerst theorie, dan empirie. Doel: bestaande th onderwerpen
aan emp toetsing.
Inductie: obv spec waarnemingen tot alg regel komen. Dus eerst reeks waarnemingen en op
basis hiervan theorie formuleren die ook grote veralg heeft. Doel: nieuwe th ontw.
2
, 2.3. Empirische cyclus van wetenschappelijk onderzoek
1) Observatie: doelgericht gegevens over werkh verzamelen, beschr en groeperen; 2) inductie:
vanuit emp feitenmateriaal wetmatigh en th propo ontw; 3) deductie: uit alg wetmatigh en th,
toetsbare voorspellingen opstellen die tegen concrete emp geg afgezet knn w; 4) toetsen: nagaan
of vooropgestelde hypo door emp feitenmateriaal ondersteund/verworpen w.
3. Evaluatiecriteria voor wetenschappelijke kennis
Twee soorten fouten in onderzoek: toevallige (error) en systematische (bias).
→ Betrouwbaarheid: afwezigheid toevallige fouten. Validiteit: afwezigheid systematische fouten.
Nadruk vooral bij positivistisch ingestelde sociale wetenschappers. Bij constructivisme focus op
coherentie en vakmanschap.
3.1. Betrouwbaarheid (zie H6 voor de methodes)
= mate waarin ondzresult beïnvl w door toevalsfouten. Mate van consistentie van een meting;
mate waarin meetinstrument zelfde result oplevert bij hh metingen onder soortgelijke condities.
Relatief groot aantal obs: toevalsfouten beduidend minder ernstig dan sys fouten.
3.2. Validiteit / geldigheid
Naargelang type van sys fout drie vormen van validiteit onderscheiden:
1) Meetvaliditeit: th conc goed geoperationaliseerd of bij meting sys fouten? Meet het
meetinstrument wat het zou moeten meten?
2) Interne validiteit: mate waarin waargenomen relas in emp studie correcte weersp zijn vd
werkh. Komen bevindingen uit ondz overeen met werkh? Belangrijke rol causaliteit.
3) Externe validiteit: veralgemeenbaarheid: gelden bevindingen uit ondz bij spec populatie ook
voor ruimere populatie. Twee soorten veralgemening
1) Empirische/statistische: veralg van steekproef naar ganse populatie (gamen en agressie
ook voor alle 14-jarigen?)
2) Theoretische: toepassing van conclusies bij populatie op ander tijdstip, versch plaats,
gewijzigde omstdh, of voor andere gerelateerde fenomenen.
3.3. Causaliteit
Scepticisme Hume (H3).
Mill: onderscheid tssn voldoende: A is een VV voor B als (1) B optreedt zodra A gebeurd is en (2)
als ook andere voorw aanleiding knn geven tot B; en noodz voorwaarde: A is NV voor B als (1) A
zich altijd voordoet als B optreedt en (2) A alleen niet voldoende is om B te produceren.
Als voorw voldoende en noodz is geldt ze als enige oorzaak! (monocausale verklaring)
Uitgaand van Humes logica: drie cruciale voorwaarden voor causaliteit:
1) Covariatie/samenhang tssn de fenomenen (noodz maar geen voldoende voorwaarde).
2) Duidelijke tijdsorde tssn feno: A vooraf aan B.
3) Zeker zijn dat verandering in B enkel verklaard kan w door A (anders schijnverband (H6, 3.4))
3.4. Vakmanschap als kwaliteit
Vakmanschap als alternatief voor correspondentietheorie vd waarheid.
Reflectie en zelfreflectie, continu in vraag stellen of in vraag gesteld w door collega-ondzkrs,
resultaten en interpretaties van resultaten in vraag stellen, gebruikte methodes checken en laten
checken, in discussie gaan met collega’s…
Peer review: wet bevindingen laten evalueren door collega-wetenschappers.
3
, 4. Soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
4.1. Toepassingsgebied: theoriegericht vs praktijkgericht onderzoek
Theoriegericht onderzoek (ook academisch/fundamenteel ondz)
Centraal: ontwikkeling van theorie met kennisproductie als drijfveer.
Doelpubliek: collega-wet en wet gem.
Nut: vaak basis leggen voor nieuwe denkwijzen en later praktische innovaties.
Praktijkgericht onderzoek (ook toegepast ondz)
Doel: praktische problemen oplossen, concrete oplossingen voor m vragen.
Doelpubliek: beleidsmakers en pers actief in werkveld.
Twee takken
1) Evaluatieonderzoek: effectiviteit van sociale interventies onderzoeken.
Zeven stappen 1) praktijkprobleem; 2) diagnose probleem door ondzkr; 3) plan;
4) implementatie: interventie uitvoeren; 5) procesevaluatie: opvolgen of interventie volgens
plan verloopt; 6) productevaluatie: na uitvoering nagaan in hoeverre verwachte effect en
7) efficiëntie-evaluatie: hoe efficiënt in vgl met kostprijs.
2) Actieonderzoek: kennis verspreiden onder deelnemers vh ondz om zo pol actie te stim en
veranderingen in sam teweeg te brengen. Kennis = macht. Grote rol deelnemers. Inzoomen
soc ongelijkheid en onrechtvaardigheid.
4.2. Onderzoeksmethodologie: kwantitatief vs kwalitatief onderzoek
Verwijst naar het karakter vd empirische observaties en de technieken om gegevens te analyseren.
1. Kwantitatief onderzoek
Soorten gegevens: numerieke / getallen; th conc operationaliseren door getalscore toe te kennen.
Werkwijze: groot aantal ondzeenh, surveys en experimenten, geg ana dmv statistisch technieken.
Wereldbeeld: objectieve realiteit opgebouwd uit relatief eenvoudige oorz-gevolg processen, die
je als ondzkr op objectieve wijze kan ontdekken.
Sterktepunt: vaak goed betrouwbare en veralg conclusies. Goed om hypo deductief te toetsen.
2. Kwalitatief onderzoek
Soorten gegevens: niet-numeriek: opnames ongestruct interviews, field notes, foto’s, film-
fragmenten, archiefdocumenten. Meer gedetailleerd en diepgaand inzicht.
Werkwijze: kleiner aantal cases meer in de diepte uitspitten.
Wereldbeeld: indiv construeren door hun handelen meervoudige realiteiten. Bet die mensen aan
hun handelen geven onderzoeken, door betrokken interactie.
Sterktepunt: rijker en meer genuanceerd beeld van menselijk handelen in natuurlijke omgeving.
Nieuwe vraagstukken exploreren en inductieve theorievorming.
3. Triangulatie
Eenzelfde ondzvraag met kwal en kwant technieken benaderen om geldigheid te maximaliseren.
4