Odisee hogeschool
Arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht
1. Inleiding:
1.1 Begrip en indeling sociaal recht:
Definitie recht: een geheel van afdwingbare regels die opgesteld zijn door de samenleving, met de
bedoeling om de samenleving te ordenen.
Sociaal recht bestaat uit 2 delen: arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht
1.2 Historisch overzicht van het sociaal recht
Voor 19e eeuw:
Geen sprake van sociaal recht, individu kon niet kiezen welk beroep of welke functie die kan
uitoefenen.
Na Franse revolutie:
Ontstaan van liberale opvatting: personen moeten vrij en gelijk zijn, “vrijheid van arbeid”
Juridische gelijkheid maar in praktijk nog veel ongelijkheid
Vakbonden konden enkel illegaal te werk gaan
Heersende opvatting: economisch liberalisme, overheid mocht en kon niet regulariserend
optreden
Bij oudere leeftijd of ziekte enkel liefdadigheid
Cijnskiesstelsel: stemrecht voorbehouden aan personen die vermogen hadden
Geen sociale zekerheid, hoge kindsterfte
1886: oprichting parlementaire commissie over situatie arbeidsklasse, 1887 eerste
arbeidswetgeving
1893 meervoudig stemrecht, toename van invloed vakbond
Periode na eerste wereldoorlog:
1919: enkelvoudig stemrecht voor mannen werd ingevoerd. Startsein voor sociale zekerheid en de
volledige erkenning van vakbonden. In 1921 uit illegaliteit gehaald.
De voornaamste wetten:
- 1919: wet betreffende de werkloosheid
- 1921: wet tot erkenning van het vrije vereningingsrecht
- 1921: wet op de achtenveertiguren week
- 1922: wet op de arbeidsovereenkomsten voor bedienden
- 1927: wet op de beroepsziekten
- 1930 en 1937: wet betreffende de pensioenen
- 1936: wet op de betaalde jaarlijkse vakantie
- 1939: wet betreffende de kinderbijslagen
1
,Tijdens en na de tweede wereldoorlog:
Het parlementaire werk lag stil, maar vakbonden bleven elkaar ontmoeten en tekende zo het sociaal
pact.
1944: RSZ komt tot stand door de Besluitwet waardoor werkloosheid, ziekte, ouderdom en
kinderlast worden opgevangen.
Startsein voor het ontstaan van het collectief arbeidsrecht. De voornaamste wetten:
- 1945: wet betreffende de oprichting van paritaire comités
- 1948: wet betreffende de oprichting van de ondernemersraad en de syndicale afgevaardigde
- 1952: wet tot oprichting van de NAR en comités voor veiligheid en gezondheid
- 1968: wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst en paritaire comités
Jaren 1970:
De sociale zekerheid werd herzien en verbeterd. Zo werden niet enkel arbeiders en bedienden maar
ook andere groepen opgenomen in de sociale zekerheid.
Er komt een recht op minimuminkomen, bijstandsregels voor bejaarden, gehandicapten en
gewaarborgde gezinsbijslag. De financiering gebeurt niet door bijdragen maar op basis van
belastingen.
De belangrijkste wetten:
- 1967: sociaal statuut voor zelfstandigen
- 1969: gewaarborgd inkomen voor bejaarden
- 1969: tegemoetkoming voor gehandicapten
- 1970: sociaal statuut voor studenten
- 1970: sociaal statuut voor dienstboden
- 1974: gewaarborgd inkomen voor iedereen
De jaren 1980 en 1990:
Door de crisis moesten overheidsfinanciën gesaneerd worden. De sociale zekerheid werd te duur en
er moest bespaard worden. Er stelde zich het probleem van de eenoudergezinnen, de toenemende
vergrijzing, toename van deeltijds werk en meer vrouwen die gingen werken. Grote
werkloosheidscijfers.
Decentralisering vanaf eind jaren 90:
Splitsing van de sociale zekerheid. Oprichting van Vlaamse sociale zekerheid. Gewesten en
gemeenschappen worden bevoegd over onder andere:
Vlaamse zorgverzekering
Gezinsbijslagen
Educatief verlof
Doelgroepenbeleid
Dienstencheques
2
, Start- en stagebonus
Controle op actieve en passieve beschikbaarheid werklozen
Hervormingen om de kosten te drukken vanaf 2010:
Om de onkosten in de pensioen- en werkloosheidssector terug te schroeven wordt de sociale
zekerheid hervormd.
Wettelijke pensioenleeftijd:
Vanaf 2025: tot 66 jaar werken
Vanaf 2030: tot 67 jaar werken
Over gedragen aan de gemeenschappen van Vlaanderen, Wallonië en Brussel:
Gezinsbijslag (Groeipakket)
Tegemoetkoming van hulp aan bejaarden (met een handicap) (Zorgbudget voor ouderen met
een zorgnood/ THAB)
Basiskenmerken van sociaal recht:
Gedetailleerd: sociaal recht is zeer gedetailleerd qua regelgeving. 2 verklaringsfactoren:
1. Feitelijk machtsonevenwicht tussen de economische sterke werkgever en economisch
kwetsbare werknemer, de gedetailleerde wetgeving zorgt dat misbruik wordt tegengegaan.
2. Maatschappij is bijzonder complex: de complexiteit wordt weerspiegeld in de arbeids- en
socialezekerheidsverhoudingen. Verregaande juridische techniciteit.
Disharmonisch: Inflatoire beweging in sociale wetgeving. Meestal ontstaat de wetgeving om te
antwoorden op een acuut te regelen probleem.
Snel ontwikkelend: jonge rechtstak die snel ontwikkeld. Voortdurende wijzigen omdat de wetgeving
gedwongen wordt gelijk te lopen met ontwikkeling van maatschappij.
Hoofdzakelijk dwingend recht: wetgeving waarvan niet afgeweken mag worden, recht is dwingend.
Er is een toename van strafrechtelijke arbeidsrechtelijke bepalingen.
2 belangrijke grondleggers sociale zekerheid:
Bismarck: financiering wordt gedragen door werknemers en werkgevers. Uitkeringen zijn gekoppeld
aan loon om levensstandaarden te verzekeren. Solidariteit onder de werkenden.
Beveridge: totale bevolking heeft recht op bestaanszekerheid. Via belastingen forfaitaire uitkering
voor elke burger bij werkloosheid, ziekte en pensionering.
3
, 2. Algemeen arbeidsrecht:
2.1 Toepassingsgebied van het arbeidsrecht:
2.1.1 Kern van het arbeidsrecht: de arbeidsovereenkomst:
Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen een
loon onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten.
Een arbeidsovereenkomst kent 4 essentiële elementen: arbeid, loon, gezag van de werkgever en dit
alles met een overeenkomst.
Iemand die beweert dat er een arbeidsovereenkomst is, zal deze 4 elementen moeten aantonen. Hij
mag dit doen met alle wettelijke bewijsmiddelen, zelfs met getuigen en vermoedens.
2.1.1.1 Arbeid:
Arbeid is niet beperkt tot het verrichten van effectieve prestaties. Tot beschikken staan van de ander
volstaat. Alles wat afgesproken is dat tot het takenpakket van de werknemer behoort.
Medewerkers verbonden door stage-, leer- of scholingsovereenkomsten zijn geen werknemers.
Overeenkomst heeft als doel dat iemand bijleert.
2.1.1.2 Loon:
Loon is alle in geld waardeerbare voordelen die als tegenprestatie van arbeid worden toegekend.
Vrijwilligers werken niet voor een loon.
2.1.1.3 Gezag:
Gezag betekent dat werknemer ondergeschikt is aan werkgever. Werknemer moet luisteren naar
werkgever.
Gezag hoeft niet permanent en ononderbroken te zijn, juridische mogelijkheid om gezag uit te
voeren volstaat.
2.1.2 Vrijwilliger:
Vrijwilligers leveren een arbeidsprestatie zonder er loon voor betaald hoeft te worden en zijn dus niet
verbonden door een arbeidsovereenkomst.
Ook zij zijn verbonden aan arbeidsrecht: heel wat arbeidsrechtelijke bepalingen zijn toepasselijk op
iedereen die arbeidsprestaties levert onder het gezag van een ander persoon, ook zonder
arbeidsovereenkomst.
Wet van 3 juli 2005: omkadering vrijwilligerswerk en rechten van vrijwilligers. Onkosten gemaakt
voor organisatie worden vergoed, onder bepaalde grenzen.
2.1.3 Ambtenaar:
Ambtenaar (statutair) is een vast benoemd of vast aangesteld personeelslid in een overheidsdienst.
Kenmerken:
4