Wat is onderzoek?
Praktijkboek voor methoden en technieken
Verhoeven
Hoofdstuk 1 – De functie van onderzoek
Bij het doen van onderzoek is het belangrijk om je niet te laten beïnvloeden door meningen, en alle
partijen laat spreken.
1.1
Onderzoekers onderscheiden zich door drie kenmerken van niet-onderzoekers:
- Houding: onafhankelijk, hiermee komen de onderzoeksresultaten veel sterker te staan.
- Kennis van de onderzoeksmethode.
- Vaardigheden in het doen van onderzoek.
1.2
Aan het begin van je onderzoek maak je een onderzoeksplan en formuleer je een probleemstelling.
Onderzoek kun je op verschillende manieren typeren:
- Fundamenteel (universiteit) of praktijkgericht (hogeschool)
- Kwalitatief (in de werkelijkheid) of kwantitatief (cijfermatige informatie)
- Triangulatie (het gebruiken van kwalitatief en kwantitatief onderzoek om een
probleemstelling te beantwoorden.
- Inductief (theorievormend, iteratie (herhaling)) of deductief (theorietoetsend)
1.5
Bij het opstellen en uitvoeren van een onderzoek stel je jezelf steeds deze vragen:
- Wat ga ik onderzoeken?
- Waarom ga ik onderzoeken?
- Wie ga ik onderzoeken?
- Hoe ga ik onderzoeken?
- Waar ga ik onderzoeken?
- Wanneer ga ik onderzoeken?
Een goed onderzoek roept meer vragen op dan dat het beantwoordt. Dit is in beeld gebracht met de
empirische cyclus en het PTO-schema (Probleem, Theorie, Onderzoek)
1.6
Voorbeeld van fasen in een onderzoek:
1. Probleemanalyse
2. Onderzoeksontwerp
3. Dataverzameling
4. Data-analyse
5. Rapportage
, Hoofdstuk 2 – Aanleiding tot het onderzoek
2.1
Keuze van je onderwerp:
- Vrije keuze
- Praktijkopdracht
- Opleidingsprogramma
Aanleiding tot onderzoek:
Praktijkvraag of kennisvraag -> probleemanalyse -> onderzoeksvoorstel
2.2
Tijdens het eerste gesprek met je opdrachtgever inventariseer je de vraag of het probleem, met de
daarbij horende doelstelling en aanleiding.
Soms is er een verborgen doelstelling. Dan is het jouw taak om die boven water te krijgen. Op pagina
61 staan een aantal tips&trucs.
Bij je onderzoek kun je te maken hebben met mogelijkheden en beperkingen. Jouw taak is om de
beste mogelijkheden te vinden voor de beperkingen die je tegenkomt. Deze vermeld je in een
onderzoeksvoorstel aan de opdrachtgever.
Het kan zijn dat de opdrachtgever een verborgen agenda heeft. Desondanks moet je objectief en
onafhankelijk blijven.
2.3
Informatie vinden is tegenwoordig niet erg moeilijk. Je kunt naar het documentatiecentrum van je
opdrachtgever, maar ook internet geeft enorm veel informatie. Het is erg belangrijk dat je
betrouwbare informatie gebruikt in je verslag. Daarom moet je proberen te achterhalen waar de
informatie vandaan komt.
Hoofdstuk 3 – Afbakening van het onderzoek
3.1
Het onderzoeksverslag moet ontworpen worden. Hierbij kun je zo te werk gaan:
Aanleiding
Oriënteren
Afbakening
Probleem- en doelstelling
Omschrijven
Ontwerpen
Model en verwachtingen
Dataverzamelingsmethode
Vaststellen
selecteren
Plannen Onderzoeksplan schrijven
Praktijkboek voor methoden en technieken
Verhoeven
Hoofdstuk 1 – De functie van onderzoek
Bij het doen van onderzoek is het belangrijk om je niet te laten beïnvloeden door meningen, en alle
partijen laat spreken.
1.1
Onderzoekers onderscheiden zich door drie kenmerken van niet-onderzoekers:
- Houding: onafhankelijk, hiermee komen de onderzoeksresultaten veel sterker te staan.
- Kennis van de onderzoeksmethode.
- Vaardigheden in het doen van onderzoek.
1.2
Aan het begin van je onderzoek maak je een onderzoeksplan en formuleer je een probleemstelling.
Onderzoek kun je op verschillende manieren typeren:
- Fundamenteel (universiteit) of praktijkgericht (hogeschool)
- Kwalitatief (in de werkelijkheid) of kwantitatief (cijfermatige informatie)
- Triangulatie (het gebruiken van kwalitatief en kwantitatief onderzoek om een
probleemstelling te beantwoorden.
- Inductief (theorievormend, iteratie (herhaling)) of deductief (theorietoetsend)
1.5
Bij het opstellen en uitvoeren van een onderzoek stel je jezelf steeds deze vragen:
- Wat ga ik onderzoeken?
- Waarom ga ik onderzoeken?
- Wie ga ik onderzoeken?
- Hoe ga ik onderzoeken?
- Waar ga ik onderzoeken?
- Wanneer ga ik onderzoeken?
Een goed onderzoek roept meer vragen op dan dat het beantwoordt. Dit is in beeld gebracht met de
empirische cyclus en het PTO-schema (Probleem, Theorie, Onderzoek)
1.6
Voorbeeld van fasen in een onderzoek:
1. Probleemanalyse
2. Onderzoeksontwerp
3. Dataverzameling
4. Data-analyse
5. Rapportage
, Hoofdstuk 2 – Aanleiding tot het onderzoek
2.1
Keuze van je onderwerp:
- Vrije keuze
- Praktijkopdracht
- Opleidingsprogramma
Aanleiding tot onderzoek:
Praktijkvraag of kennisvraag -> probleemanalyse -> onderzoeksvoorstel
2.2
Tijdens het eerste gesprek met je opdrachtgever inventariseer je de vraag of het probleem, met de
daarbij horende doelstelling en aanleiding.
Soms is er een verborgen doelstelling. Dan is het jouw taak om die boven water te krijgen. Op pagina
61 staan een aantal tips&trucs.
Bij je onderzoek kun je te maken hebben met mogelijkheden en beperkingen. Jouw taak is om de
beste mogelijkheden te vinden voor de beperkingen die je tegenkomt. Deze vermeld je in een
onderzoeksvoorstel aan de opdrachtgever.
Het kan zijn dat de opdrachtgever een verborgen agenda heeft. Desondanks moet je objectief en
onafhankelijk blijven.
2.3
Informatie vinden is tegenwoordig niet erg moeilijk. Je kunt naar het documentatiecentrum van je
opdrachtgever, maar ook internet geeft enorm veel informatie. Het is erg belangrijk dat je
betrouwbare informatie gebruikt in je verslag. Daarom moet je proberen te achterhalen waar de
informatie vandaan komt.
Hoofdstuk 3 – Afbakening van het onderzoek
3.1
Het onderzoeksverslag moet ontworpen worden. Hierbij kun je zo te werk gaan:
Aanleiding
Oriënteren
Afbakening
Probleem- en doelstelling
Omschrijven
Ontwerpen
Model en verwachtingen
Dataverzamelingsmethode
Vaststellen
selecteren
Plannen Onderzoeksplan schrijven