H1 - Basisprincipes van de economie
Economie bestudeert bepaald perspectief op menselijk gedrag (“beheer v
huishouden”)
-> gelijkaardige beslissingen (bv. Wie zal werken? , Welke middelen zullen
gebruikt worden,..)
‘Het beheer van de middelen is cruciaal daar deze middelen schaars zijn’ (bv.
Geld, tijd,..)
Schaarsheid (de samenleving heeft beperkte middelen en kan niet alle goederen
en diensten produceren die de maatschappij wenst.)
Conclusie (zie slide 6)
Economische modellen (realiteit begrijpbaar maken/ patronen opmerken):
- De economische kringloop (een eenvoudige manier om de economische
transacties tussen gezinnen en ondernemingen voor te stellen)
-> ‘lekkage’ mogelijk in het model
Vb. Prof zorgt voor arbeid in markt voor productiefactoren v onderneming (VUB);
leerlingen zijn ‘consumenten’ die via Markt voor goederen en diensten les
betalen en ‘gebruiken’
Blauwe stroom = betalingen Rode stroom= diensten die geleverd worden
Basisprincipes vd Economie :
1. Mensen worden geconfronteerd met trade-offs ( Om een goed/dienst te
verwerven geven we iets anders op.) bv. Nieuwe auto of op reis gaan ->
belangen afwegen
Efficientie >< Billijkheid (slide 13)
, 2. De kost van iets is wat je ervoor opgeeft (voor het nemen van beslissingen
dien je de kosten en opbrengsten van verschillende alternatieven te
vergelijken.) bv. Beslissing om te studeren of werken =
‘opportuniteitskost’
De Productiemogelijkheidscurve (grafische voorstelling van de verschillende
mogelijke outputcombinaties)
Vb. Land produceert 2 goederen
-> B niet efficiënt, C en A bereikbaar, D niet mogelijk
-> hogere productie mogelijk bij efficiëntere manier om product te maken (slide
18)
3. Rationele mensen denken in marginale termen. (zijn beperkte aanpassingen
rond de grenzen van wat je aan het doen bent) bv. Kleine
prijsverandering product
4. Mensen reageren op stimulansen.(Marginale veranderingen in kosten of
opbrengsten
motiveert mensen om te reageren) vb. Stijging prijs woningen Brussel, zorgt voor
stijging vraag naar woningen rand
5. Markten zijn meestal een goede manier om de economische activiteit te
organiseren.
In een markteconomie, beslissen :
-gezinnen voor welke onderneming ze werken en wat ze kopen.
-ondernemingen wie ze aanwerven en wat ze produceren.
Marktwerking (= alles waar vraag en aanbod aan bod komt), zowel fysiek als
virtueel/online
6. Overheden kunnen in bepaalde gevallen de marktsituatie verbeteren. (Bij
marktfalen kan de overheid tussenkomen om de efficiëntie en de billijkheid te
verbeteren.)
Marktfalen (= een situatie waar de markt er zelf niet in slaagt om de middelen
efficiënt toe te wijzen.), kan veroorzaak worden door externaliteiten (= de
impact van een actie ondernomen door een persoon het welzijn van een
omstaander beïnvloedt zonder dat deze hiervoor een compensatie plaatsvindt.)
of door marktmacht (= economische agenten die onrechtmatig de marktprijzen
kunnen beïnvloeden )
,Voorbeeldvragen 29-33
H2 – denken als een economist
De economist als wetenschapper :
-onderwerpen benaderen met de objectiviteit van een wetenschapper.
-gebruikmaken van de wetenschappelijke methode
Wetenschappelijke methode:
=Objectieve ontwikkeling en testen (verzamelen van gegevens en analyseren of
deze de geformuleerde hypothesen bevestigen of verwerpen.) van theorieën
over hoe de wereld in elkaar zit
Testen van:
-historische data
-Economische modellen (vergelijkingen) die trachten gedragspatronen van
economische
agenten te beschrijven
Micro-economie (tot HT14) (= analyseert de beslissingen van individuele
gezinnen of ondernemingen evenals de interactie tussen gezinnen en
ondernemingen in markten van specifieke goederen en diensten) bv.
Overheidsbeleid op elektriciteitsprijs
Macro-economie ( = analyseert de werking van de economie in haar geheel )
vb. Analyse v inflatiegraad
<-> Wisselwerking tussen beiden
Wetenschappers (economisten trachten de oorzaak van economische
gebeurtenissen
te verklaren)
>< Beleidsadviseurs (economisten trachten de economische situatie te
verbeteren)
Positieve ( zeggen hoe de wereld is) >< Normatieve uitspraken (zeggen hoe de
wereld er zou moeten uitzien)
Onenigheid tussen Economisten over de waarde van verschillende positieve
theorieën ( nog jonge wetenschap) + doordat zij er verschillende waarden op na
houden
H3 – Vraag en Aanbod
-> kopers bepalen de vraag, verkopers bepalen het aanbod
Soorten markten:
- Georganiseerde markt (kopers en verkopers op een vooraf afgesproken
tijdstip en plaats samen komen om handel te drijven) komt weinig voor
- Competitieve markt (veel kopers en verkopers; niet gecontroleerd door
een economische agent; kopers en verkopers hebben kleine invloed op
marktprijs)
, - Perfecte concurrentie (goederen zijn gelijkaardig; groot aantal kopers
en verkopers zodat ze geen significante invloed hebben op prijs; kopers en
verkopers zijn prijsnemers/ ‘price-takers’; geen toetredingsbarrières)
- Monopolie (Eén verkoper; Prijszetter; toetredingbarrières)
- Oligopolie (een beperkt aantal verkopers, geen prijsoorlog,
toetredingsbarrières)
- Monopolistische concurrentie (vele kopers en verkopers; licht
gedifferentieerde producten; iedere verkoper bepaalt prijs eigen product)
Vraag (Gevraagde hoeveelheid die kopers bereid zijn aan te kopen)
-> geen berekening op examen
Q= hoeveelheid (functioneel verband vd elementen)
Marktprijs (p) = omgekeerd evenredig/ negatief
-> andere zaken zijn constanten (ceteris paribus)
Vraagcurve (= Een negatief verband tussen marktprijs en gevraagde
hoeveelheid.)
-Inkomen (vraag naar normaal goed stijgt/daalt bij stijging/daling inkomen),
verschil met inferieur/ goedkoper goed (slide 15)
-Substituten (vervangingen v bepaald goed) +Complementen (als je ene koopt
koop je vaak iets anders erbij bv. Bugles en geitenkaas)
Voorkeuren en verwachtingen (psychologische factoren)
Determinanten van de vraag -> via vraagtabel –of curve
verandering vraag; verschuiving links of rechts + verandering gevraagde
hoeveelheid; verschil op curve
Marktvraag (= som van alle individuele vraagcurven)
Aanbod ( hoeveelheid goederen die verkoper bereid is te verkopen)