1. Inleiding op communicatie
Communicatie: Een doorlopend proces waarin 2 of meer personen, in een bepaalde situatie, via talige en niet-
talige symbolen en signalen informatie uitwisselen en zodoende met elkaar in relatie treden, om elk voor zich
bepaalde bedoelingen en belangen te realiseren.
Communicatie (klascontext): De kunst om leerinhouden uit te wisselen, zodanig dat niet alleen het lerend
vermogen van de scholieren op relevante wijze wordt gestimuleerd, maar dat er ook een open relatie behouden
blijft tussen leerkracht en leerlingen, en dat ze op zijn minst het aanwezige respect voor elkaar behouden.
Communiceren zit ook in de basiscompetenties van een leerkracht (leerkracht als…):
partner van ouders/verzorgers
partner externen
lid van een schoolteam
lid van een onderwijsgemeenschap
1.1 Communicatie is gedrag
Alle gedrag is communicatie!
1.2 Een complex systeem: Watzlawick
Systeemdenken: “Alles staat in verbinding met alles.” of “Mensen zijn met elkaar verbonden door een (al dan
niet onzichtbaar) kluwen van relaties, verbintenissen, afspraken, akkoorden, regels, enz.”
M.a.w. als 1 component verandert in het geheel van relaties en verbintenissen, dit gevolgen kan hebben.
5 axioma’s van Watzlawick:
1. communiceren doe je altijd
Je kunt niet niet communiceren!
Je bent altijd bezig te beïnvloeden en word ook voortdurend beïnvloed, want niets doen of zeggen
heeft ook een betekenis.
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen de bedoeling van de communicatiepartner en de
effecten van zijn/haar gedrag.
1
, 2. je spreekt altijd dubbel
Communicatie speelt zich af in een bepaalde context of situatie (= waar je het zegt). Ook zal de relatie (=
hoe je het zegt) die de communicatiepartners tegenover elkaar hebben de communicatie beïnvloeden. Ten
slotte heeft ook de context (= waar je het zegt) een invloed.
3. elk zijn waarheid
Iedereen heeft een persoonlijk referentiekader (= eigen ervaringen, leefwereld, opvoeding, cultuur,
omstandigheden, …) wat een invloed heeft op de interpretatie van de boodschap. We maken een eigen en
persoonlijke selectie van de prikkels die we ontvangen.
Interpunctie: Iedereen heeft zijn eigen waarheid.
4. met woorden of zonder
Digitale/verbale taal: De letterlijke woorden die onze boodschap weergeven (gesproken, geschreven,
gebaren, pictogrammen, …).
Analoge/non-verbale taal: De communicatie zonder woorden (mimiek, intonatie, volume, houding,
gebaren, …).
2
, 5. wie heeft het voor het zeggen
Symmetrische relatie: De gesprekspartners staan op gelijke hoogte (meer problemen).
Complementaire relatie: De gesprekspartners hebben een ongelijke verhouding (minder complex).
Doorgaans treden er meer problemen op tussen gesprekspartners met een symmetrische relatie terwijl
complementaire relaties doorgaans minder complex zijn. In een complementaire relatie ontstaan
doorgaans enkel problemen op het moment dat 1 van beide partijen niet langer akkoord gaat met het
niveau waar hij/zij zich bevindt.
Bijv.:
symmetrisch 2 llr uit dezelfde klas die in de clinch met elkaar liggen. Op basis van wat zou de ene
toegeven aan de andere, als beiden beseffen dat ze op hetzelfde niveau staan en evenveel rechten
hebben als de ander
complementair Als in bovenstaande voorbeeld de lkr zegt: “Nu moet het ophouden met jullie
gekibbel”, dan weten de llr dat delkr het recht heeft om dit te zeggen.
1.3 Begrippenapparaat
Vocaal (auditief) Niet-vocaal (visueel, tactiel, …)
Verbaal = gesproken woorden = geschreven/gedrukte woorden,
gebarentaal, braille, …
Non-verbaal = stemtaal - spreekwijze = lichaamstaal - mimiek,
aanrakingen afstand, gebaren,
houding, oogcontact, geur, uiterlijk,
kleding, …
1.4 Het communicatiemodel
Zender: De persoon die een boodschap/informatie zendt en de communicatie start.
Ontvanger: De persoon voor wie de boodschap bedoeld is en/of ontvangt.
Coderen: Het omzetten van de informatie in woorden, beelden, gebaren, … zodat ze verstuurd kunnen worden.
Decoderen: Het interpreteren en begrijpen van de ontvangen boodschap door de ontvanger.
Boodschap: De inhoud die de zender wil overbrengen.
Kanaal: Het middel of de weg waarlangs de boodschap wordt verzonden (bijv.: gesproken taal, e-mail, telefoon,
sociale media, brief, teams, video, …).
Feedback: De reactie van de ontvanger op de boodschap, waardoor de zender weet hoe de boodschap is
geïnterpreteerd.
3