inspanningsfysiologie
HOC
Prof K. De Pauw
3 BARE (2024 – 2025)
,1. brandstoffen voor activiteit ..........................................................................................................2
2. hormonale controle tijdens sporten ............................................................................................ 15
3. ENERGIEVERBRUIK EN ERGOSPIROMETRIE, VERMOEIDHEID EN DE OORZAKEN ERVAN .............. 32
4. vermoeidheid en de oorzaken hiervan ......................................................................................... 41
5. CARDIOVASCULAIR SYSTEEM EN DE CONTROLE ERVAN ............................................................ 49
6. ADEMHALINGSSYSTEEM EN DE REGULERING ERVAN ................................................................. 61
7. CARDIOVASCULAIRE REACTIES OP ACUTE INSPANNING ............................................................ 72
8. metabole reacties op acute inspanning ...................................................................................... 85
9. RESPIRATOIRE REACTIES OP ACUTE INSPANNING...................................................................... 91
10. WEERSTANDSTRAINING SPIERPIJN EN SPIERKRAMPEN ............................................................. 97
11. SPIERPIJN EN SPIERKRAMPEN ................................................................................................ 107
12. aerobe en anaerobe training ................................................................................................... 109
1
,1. BRANDSTOFFEN VOOR ACTIVITEIT
1.1 INLEIDING
Motorneuronen die gecontecteert zijn aan spiervezels
➔ Motorneuron dat spiervezels innerveert is een motor eenheid
Spier:
- myofibrillen → contractiele delen van de spiervezel
- sarcolemma = membraan rond de spiervezel en die bestaat uit lipiden
er zijn 2 soorten spiervezels:
- Type 1: voor duursporten
- Type 2: voor uithoudingssporten
➔ Dit wordt bepaald door je motorneuron
Brandstoffen voor inspanning: bio – energetica en spiermetabolisme
- Substraten: brandstof voor inspanning
- Energie productie
- Basis energie systemen
Beeld van een organel
Organel = orgaantje van je cel (is een mitochondriën)
➔ In deze mitochondriën gebeurt het AEROBE METABOLISME omdat systeem in de
cel zuurstof kan gebruiken
1.2 TERMINOLOGIE
Substraten:
- Adenosinetrifosfaat, fosfocreatine
- Koolhydraten, vet, eiwitten
Bio-energetica: proces waarbij substraten worden omgezet in
energie = het volledige proces hoe we substraten omzetten
Metabolisme: Chemische reacties in het lichaam = alle chemische
reacties die voorkomen in ons lichaam
➔ We hebben energie nodig, overal waar beweging is
1.3 SUBTRATEN
- De energie die vrijkomt, kan worden gemeten aan de hand van de geproduceerde warmte
- 1 cal = warmte-energie die nodig is om 1 g water van 14,5 °C naar 15,5 °C te laten stijgen
- 1.000 cal = 1 kcal = 1 calorie (dieet
2
, De soorten substraten: koolhydraten, vetten, proteïnen
Verbruik in rusttoestand:
- 50% koolhydraten
- 50% vet
Verbruik tijdens oefening:
- Kort: meer koolhydraten
- Lang: koolhydraten en vetten
Glycolyse = afbraak van glycogeen (gebeurt in sarcoplasma)
Glycogeen → 80% ligt opgeslagen in de spier → sarcoplasma =
spiervocht (andere deel in de lever)
X-as = intensiteit → dit kan je uitdrukken op verschillende
manieren:
- Hartritmes
- Snelheid
- Power
- VO2 max
Hoe intensiever → hoe meer energie nodig en hoe meer
spierglycogeen je zal gaan gebruiken
Roos = vetten
Blauw = koolhydraten
➔ Je gebruikt alle substraten en alle
energiesystemen voor het leveren van energie
3