Paragraaf 1: Planeet aarde
Vier binnenplaneten uit steen: Mercurius, venus, aarde en mars.
Vier Buiten Planeten uit gas: Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus.
Om de lange periode dat de aarde bestaat te overzien is er een
geologische tijdschaal. Die is verdeeld in Tijdperken, Perioden en
Tijdvakken.
De opbouw van de aarde door het bestuderen van:
- Aardbevingsgolven: De snelheid hangt af van de dichtheid van het
materiaal waar ze doorheen gaan en of het vloeibaar of vast
materiaal is.
– Samenstelling van Magma en lava in vulkanen.
De aarde is in te delen op twee manieren:
- In zones met verschillende samenstelling: Kern -> Mantel ->
Aardkorst. De samenstelling wordt vanbinnen naar buiten steeds
lichter.
– In zones waarin het materiaal verschilt in viscositeit: de maat van
stroperigheid van een stof. Stroperig materiaal heeft een hogere
viscositeit dan bijv. water.
De kern bestaat uit nikkel en ijzer: binnenkern ongeveer 4.700°C.
– Binnenkern: Door hoge druk (werking zwaartekracht) vast.
– Buitenkern: Druk is lager daarom vloeibaar.
De mantel bestaat uit Zuurstof, silicium, magnesium en ijzer.
– De ondermantel is plastisch (taai-stroperig/vervormbaar)
De asthenosfeer is het bovenste gedeelte van de mantel tot aan
de lithosfeer. – Ook plastisch, maar door
iets lagere druk/temperatuur iets vloeibaarder.
De aardkorst en het afgekoelde deel van de mantel vormen de
lithosfeer: - Vast, stijf en
breekbaar en drijft op de asthenosfeer. Onderverdeeld in platen.
De continentale korst bestaat uit graniet: lagere dichtheid (2,8)
De oceanische korst bestaat uit basalt: hogere dichtheid (3,0)
- Continent lichter dan oceaanbodem, waardoor continent hoger ligt.
- De zwaardere en koudere oceanische plaat duikt altijd onder de
lichtere continentale plaat.
,