Samenvatting: Mondzorg bij volwassenen, jongeren en kinderen
DEEL 1: Mondpathologie
Hoofdstuk 1: Introductie
1.1 Histologie VS Histopathologie
• Essentiële begrippen
Cytologie Studie van normale lichaamscellen
Cytopathologie Studie van lichaamscellen zoals aanwezig bij ziekteprocessen
Histologie Studie van de normale organisatie van lichaamscellen tot weefsels
Histopathologie Studie van de veranderingen in cellen en bijgevolg weefsels bij ziekte
• Orgaan VS weefsel VS cel
Organisme = levend wezen
→ BESTAAT UIT: - orgaanstelsels
Orgaanstelsel = organen die met elkaar samenwerken
Orgaan = onderdeel v/e organisme dat uit weefsels bestaat & 1 of meer functies heeft
Weefsel = groep cellen met dezelfde functie & ongeveer dezelfde vorm
Cel = bouwsteen van een organisme
SAMENGEVAT
Organisme -> orgaanstelsel -> orgaan -> weefsel -> cel
1.2 Histologie van de mondholte
Mondholte
→ OMVAT: - lippen
- wangen
- tanden
- eigenlijke mondholte
- tong
- farynx
→ KENMERK: - functioneel onderdeel v/h gastro-intestinaal stelsel
(= spijsverteringsstelsel)
1
,Anatomie v/d neus, farynx & larynx in sagittale doorsnede
1. Sinus frontalis
2. Sinus sphenoidalis
3. Sella turcica voor hypofyse
4. Adenoïd in nasofarynx
5. Tubaopening (buis van Eustachius)
6. Nasofarynx
7. Uvula
8. Orofarynx
9. Hypofarynx
10. Glottis
11. Hyoïd
12. Epiglottis
13. Palatum
2
3 4 1. Palatum
2. Sinus frontalis
3. Sinus sphenoidalis
5 4. Sella turcica voor hypofyse
5. Nasopharynx
6 6. Uvula
7 7. Orofarynx
1 8. Hypofarynx
9. Epiglottis
8
9
• Algemene introductie weefsels
Huid = de bekleding van het lichaam (‘vel’)
→ IN LATIJN: - cutis
→ OPDELING: 1. Epidermis = opperhuid
OPGEBOUWD UIT: - epitheelcellen/dekcellen
FUNCTIE: - bescherming
2. Dermis = lederhuid
BEVAT: - GEEN dekcellen/epitheelcellen
FUNCTIE: - vnl. ondersteunen
3. Subcutis = onderhuid
BEVAT: - vetcellen
FUNCTIE: - bescherming
Weefsels
→ OPGEBOUWD UIT: - 4 soorten cellen:
1. Zenuwcellen
2. Spiercellen
KENMERK: ~ gebouwd obv de functie
→ VB: hartspiercellen voor rondpompen
v/h bloed
3. Steuncellen
4. Dekcellen = epitheelcellen
2
,→ 4 SOORTEN: 1. Dekweefsel (epitheel)
BESTAAT UIT: - epitheelcellen
VB:
2. Zenuwweefsel
BESTAAT UIT: - zenuwcellen
VB:
3. Spierweefsel
BESTAAT UIT: - spiercellen
VB:
4. Bindweefsel
BESTAAT UIT: - steuncellen
VB:
Epitheel
→ BESTAAT UIT: - 1 of meerdere lagen dicht tegen elkaar geschikte cellen omgeven door een
beperkte hoeveelheid extracellulair materiaal
→ FUNCTIE: - bedekking van lichaamsoppervlakken
→ KENMERK: - verschillende organisatie volgens locatie/functie
- vooral epitheel in de mond
→ MORFOLOGISCHE KARAKTERISTIEKEN V/H BEDEKKEND EPITHEEL
1) Aantal cellagen
SOORTEN: A. Eénlagig
→ KENMERK: - 1 rij cellen
→ VB:
B. Pseudomeerlagig / meerrijig
→ KENMERK: - bevat vaak trilharen
- alle cellen maken contact met basaalmembraan
(laag tussen bindweefsel en epitheel)
→ VB:
3
, C. Meerlagig
→ KENMERK: - meerdere lagen cellen
- alleen onderste laag maakt contact met basaalmembraan
→ VB:
2) Vorm van cellen die de bovenste laag opbouwen
SOORTEN: A. Plaveiselepitheel
→ KENMERK: - dunne, platte cellen
→ VB:
VB: Meerlagig plaveiselepitheel
B. Kubisch epitheel
→ KENMERK: - vierkante/blokvormige cellen
- ronde kern in het midden
→ VB:
C. Cilindrisch epitheel
→ KENMERK: - rechthoekige cellen
→ VB:
3) Aanwezigheid van oppervlaktespecificaties
FUNCTIE: - oppervlaktespecificaties faciliteren de functie v/h weefsel
VOORBEELDEN: A. Microvilli (≠ trilhaartjes)
→ WAT: - ‘borstelzoom’
- microscopische uitstulpingen v/h celmembraan
→ WAAR: - dunne darm
→ FUNCTIE: - oppervlaktevergroting voor absorptie
→ VB:
B. Verhoorning/Keratinisatie
→ WAT: - hoornlaag
→ WAAR: - huid
→ FUNCTIE: - weerstand tegen mechanische druk
→ KENMERK: - hoe meer druk uitgeoefend wordt, hoe meer keratinisatie
dus hoe meer lagen
➔ voetzoel > intra-oraal (vb. slijmvlies wang)
- bij verhoorning is er afschilfering
4
DEEL 1: Mondpathologie
Hoofdstuk 1: Introductie
1.1 Histologie VS Histopathologie
• Essentiële begrippen
Cytologie Studie van normale lichaamscellen
Cytopathologie Studie van lichaamscellen zoals aanwezig bij ziekteprocessen
Histologie Studie van de normale organisatie van lichaamscellen tot weefsels
Histopathologie Studie van de veranderingen in cellen en bijgevolg weefsels bij ziekte
• Orgaan VS weefsel VS cel
Organisme = levend wezen
→ BESTAAT UIT: - orgaanstelsels
Orgaanstelsel = organen die met elkaar samenwerken
Orgaan = onderdeel v/e organisme dat uit weefsels bestaat & 1 of meer functies heeft
Weefsel = groep cellen met dezelfde functie & ongeveer dezelfde vorm
Cel = bouwsteen van een organisme
SAMENGEVAT
Organisme -> orgaanstelsel -> orgaan -> weefsel -> cel
1.2 Histologie van de mondholte
Mondholte
→ OMVAT: - lippen
- wangen
- tanden
- eigenlijke mondholte
- tong
- farynx
→ KENMERK: - functioneel onderdeel v/h gastro-intestinaal stelsel
(= spijsverteringsstelsel)
1
,Anatomie v/d neus, farynx & larynx in sagittale doorsnede
1. Sinus frontalis
2. Sinus sphenoidalis
3. Sella turcica voor hypofyse
4. Adenoïd in nasofarynx
5. Tubaopening (buis van Eustachius)
6. Nasofarynx
7. Uvula
8. Orofarynx
9. Hypofarynx
10. Glottis
11. Hyoïd
12. Epiglottis
13. Palatum
2
3 4 1. Palatum
2. Sinus frontalis
3. Sinus sphenoidalis
5 4. Sella turcica voor hypofyse
5. Nasopharynx
6 6. Uvula
7 7. Orofarynx
1 8. Hypofarynx
9. Epiglottis
8
9
• Algemene introductie weefsels
Huid = de bekleding van het lichaam (‘vel’)
→ IN LATIJN: - cutis
→ OPDELING: 1. Epidermis = opperhuid
OPGEBOUWD UIT: - epitheelcellen/dekcellen
FUNCTIE: - bescherming
2. Dermis = lederhuid
BEVAT: - GEEN dekcellen/epitheelcellen
FUNCTIE: - vnl. ondersteunen
3. Subcutis = onderhuid
BEVAT: - vetcellen
FUNCTIE: - bescherming
Weefsels
→ OPGEBOUWD UIT: - 4 soorten cellen:
1. Zenuwcellen
2. Spiercellen
KENMERK: ~ gebouwd obv de functie
→ VB: hartspiercellen voor rondpompen
v/h bloed
3. Steuncellen
4. Dekcellen = epitheelcellen
2
,→ 4 SOORTEN: 1. Dekweefsel (epitheel)
BESTAAT UIT: - epitheelcellen
VB:
2. Zenuwweefsel
BESTAAT UIT: - zenuwcellen
VB:
3. Spierweefsel
BESTAAT UIT: - spiercellen
VB:
4. Bindweefsel
BESTAAT UIT: - steuncellen
VB:
Epitheel
→ BESTAAT UIT: - 1 of meerdere lagen dicht tegen elkaar geschikte cellen omgeven door een
beperkte hoeveelheid extracellulair materiaal
→ FUNCTIE: - bedekking van lichaamsoppervlakken
→ KENMERK: - verschillende organisatie volgens locatie/functie
- vooral epitheel in de mond
→ MORFOLOGISCHE KARAKTERISTIEKEN V/H BEDEKKEND EPITHEEL
1) Aantal cellagen
SOORTEN: A. Eénlagig
→ KENMERK: - 1 rij cellen
→ VB:
B. Pseudomeerlagig / meerrijig
→ KENMERK: - bevat vaak trilharen
- alle cellen maken contact met basaalmembraan
(laag tussen bindweefsel en epitheel)
→ VB:
3
, C. Meerlagig
→ KENMERK: - meerdere lagen cellen
- alleen onderste laag maakt contact met basaalmembraan
→ VB:
2) Vorm van cellen die de bovenste laag opbouwen
SOORTEN: A. Plaveiselepitheel
→ KENMERK: - dunne, platte cellen
→ VB:
VB: Meerlagig plaveiselepitheel
B. Kubisch epitheel
→ KENMERK: - vierkante/blokvormige cellen
- ronde kern in het midden
→ VB:
C. Cilindrisch epitheel
→ KENMERK: - rechthoekige cellen
→ VB:
3) Aanwezigheid van oppervlaktespecificaties
FUNCTIE: - oppervlaktespecificaties faciliteren de functie v/h weefsel
VOORBEELDEN: A. Microvilli (≠ trilhaartjes)
→ WAT: - ‘borstelzoom’
- microscopische uitstulpingen v/h celmembraan
→ WAAR: - dunne darm
→ FUNCTIE: - oppervlaktevergroting voor absorptie
→ VB:
B. Verhoorning/Keratinisatie
→ WAT: - hoornlaag
→ WAAR: - huid
→ FUNCTIE: - weerstand tegen mechanische druk
→ KENMERK: - hoe meer druk uitgeoefend wordt, hoe meer keratinisatie
dus hoe meer lagen
➔ voetzoel > intra-oraal (vb. slijmvlies wang)
- bij verhoorning is er afschilfering
4