H1: Basisbegrippen en centrale thema’s
Afdeling 1-2: De grondwet
1. De functies van de grondwet
§1 Democratische organisatie van de overheidsmacht
Democratie = regering die instemt op de belangen van de mensen
• Enkel gevallen met volkssoevereiniteit → Iran heeft een grondwet maar is
niet democratisch
Positieve functie = Gw brengt OH tot stand → Vormgeven van de overheid =
grondwet creëert organen en functies
• Macht wordt bevoegdheid en gelegitimeerd door de grondwet
GW is de hoogste macht en heeft de geldigheidsvoorwaarden voor de andere
• Een (politieke) gemeenschap wordt een rechtsgemeenschap
§2 Beperking van de overheidsmacht
Negatief karakter = aan banden leggen van datzelfde overheidsgezag
1. Scheiding van machten over verschillende organen
2. Verankeren van fundamentele vrijheden
Machtenscheiding
i. Horizontale machtenscheiding
= Trias Politica = één en hetzelfde territoriale omschreven
overheidsverdrag → aan drie verschillende machten toekennen om
machtsmisbruik te verspreiden
Absolute machtenscheiding
= drie functies en drie machten waartussen elke macht een muur is en geen
overschrijding.
Eerste grondwet Frankrijk (wantrouw rechters) → gevolgen België
• Jurisdictioneel dualisme = naast elkaar bestaande rechtscolleges (Raad
van State) Raad van state: rechter mag de uitvoerden macht niet
controleren dus ander orgaan
• Jurisdictioneel monisme = verbod van rechterlijke
grondwettigheidscontrole van wetten → Wetgevende macht kan niet door
de rechter worden gecontroleerd
rechter garandeerde private veiligheid
→
VS federalist: rechter moet het parlement kunnen terugroepen door meer
vertrouwen in de rechter dan de UM of WM
1
, Machtsevenwicht
= drie machten kunnen elkaar controleren en participeren aan elkaars functie, ze
hebben verplicht hulp nodig → Gw. VK en VS (vertrouwen rechters door common
law)
Voordelen HM
• Arbeidsverdeling = iedereen kan zich specialiseren waarin men goed is
• Bepaalde taken moeten van politieke beïnvloeding worden gescheiden,
onafhankelijkheid vb. rechterlijke functie, mensenrechteninstellingen
ii. Verticale machtenscheiding
= Onderscheid binnen de gelaagde rechtsorde door verspreiden van
bevoegdheden binnen de bepaalde lagen
• Decentralisatie = bevoegdheden aan ondergeschikte (lokale) besturen
die onder de bevoegdheid van de overheid liggen toedienen vb.
gemeentes, provincies
• Federalisme = spreiding van bevoegdheden tussen verschillende
autonome rechtsordes vb. gewesten en gemeenschappen
Constitutioneel pluralisme = Grondwet is hiërarchisch de hoogste wet: wat als
er drie even hoog zijn? Hoe verhouden de GW zich met elkaar
Subsidiariteitsbeginsel = als het mogelijk is op een lager niveau dan moet dit
toegepast worden i.p.v. het hoger niveau → hoe kleiner het niveau hoe hoger de
impact van het volk
Verankering rechten en vrijheden
= Beperken van de overheidsmacht door het vastleggen van de rechten en
vrijheden Magna carta
= privileges voor de bevoorrechte klasse → habeus corpus = niet van je
vrijheid kunnen worden beroofd zonder tussenkomst van een rechter (48u
vasthouden tot je voor de onderzoeksrechter moet verschijnen) Niet de
grondwet VS
= origineel geen grondrechten want dit was ‘vanzelfsprekend’, iedereen
wist dat de regering de grondrechten van de mens niet mocht
tegenhouden
1791: amendement (vrijemeningsuiting en wapenbezit) → toegevoegd
om de grondwet te helpen ratificeren → de burgers van de staten moeten geen
schrik meer hebben voor inbreuk op de rechten
Overige functies
• Streven naar een natie-/staatsvorming = Grondwet heeft nut vr
organisatie vd OH
• Programmatorische functie = Doelstellingen die de staat moet
nastreven
2
, Conclusie
Grondwet is een sociaal contract tussen de burgers
= we zijn vrij geboren maar sluiten een contract af om een overheid op te richten
die een aantal taken en bevoegdheden krijgt MAAR de overheid mag dit niet
schenden dus we zetten enkele basisregels vast → natuurstaat voorkomen
Als contracten niet worden nageleefd kunnen ze worden verbroken → Thomas
Jefferson = wanneer een regering tiranniek wordt heeft die het recht om een
nieuwe Gw op te stellen
2. De Grondwet in materiële en formele zin
Materiële zin = alle fundamentele regels over de organisatie ne de beperking
van de overheidsmacht (twee functies)
Formele zin = codex, hoogste rechtsorde → enkel door een speciale procedure
kunnen wijzigen
• Vallen niet samen Vb. BWHI, VK heeft geen geschreven grondwet
3. Enkele belangrijke classificaties
Verticale machtsvorm = staatsvorm
Horizontale machtsvorm = regeringsvorm
De grondwet en de democratievorm
Directe democratie = directe participatie aan besluitvorming en
beleidsvorming door burgers vb. volksraad
Representatieve democratie = kiest vertegenwoordigers die de wil van het
volk implementeren
Voordelen
• makkelijker en efficiënter
• professionalisering: specialisatie mogelijk (tijd voor andere dingen)
Kritiek
• macht in handen van beperkte beroepspolitici DUS grote kloof burgers en
politiek
• Participerende democratie = burgers rechtstreeks betrekken
• Deliberatie democratie = uitwisselen van argumenten tussen
geïnformeerde burgers die vrij oordelen vb. burgerparlement door loting
Meerderheidsdemocratie
• bescherming van onze vrijheid = de kleinste groep wordt gebonden met
een beslissingen waarmee ze niet overeen komen
• gelijkheid = elke stem van de burger telt gelijk mee
Art 53 GW. – elk besluit wordt bij de meerderheid genomen
Consensus/pacificatiedemocratie
3
, • Systemen voor de minderheid die de electorale meerderheid
vertegenwoordigd vb. alarmbelprocedure (consensus Noord en Zuid) +
bijzondere meerderheidswetten
• Afbreuk gelijkheid
De grondwet en de regeringsvorm
Parlementair systeem Presidentieel systeem
politieke samenhang uitvoerende macht wordt
tegenover regering = rechtstreeks verkozen en geen
parlement kan de UM verantwoording meer tegenover UM
controleren en ontbinden
Institutionele samenwerking Kan regering niet
tussen UM en WM → controleren → checks and
samenwerking balances
Nadeel minder strakke scheiding Bestuur loopt vast
→ meer macht aan UM en kan
het regeer programma meteen
omzetten tot wetten
Voorde Moeilijk veranderingen door te Strakke scheiding → WM kan UM
el voeren beter aan banden leggen
• Sem presidentieel = president en eerste minister
De grondwet en de staatsvorm
Criterium van onderscheid
• Soevereiniteit = hoogste gezag dat niet onderworpen is aan andere
Extern = onafhankelijk aan hogere organisatie
Intern = binnen een staatsverband hoogste rechtsbevoegdheid
• Kompetenz-Kompetenz = in de gelaagde rechtsorde moet het de
hoogste bevoegdheid zijn om te beslissen wie waar voor bevoegd is en
moet soeverein zijn (ons: federale WG)
1. Gecentraliseerde eenheidsstaat
= alle overheidsfunctie door één en hetzelfde centraal bestuursniveau
Vb. historisch frankrijk
Deconcentratie = bevoegdheden worden aan ondergeschikte besturen
gegeven vanuit de centrale overheid Kenmerken
• Geen rechtspersoonlijkheid
• Hiërarchisch toezicht
2. Gedecentraliseerde eenheidsstaat
= ondergeschikte besturen die geen onderdeel zijn van de centrale overheid
Kenmerken
• Eigen rechtspersoonlijkheid: Onderworpen aan bestuurlijk toezicht
4