Conceptueel neurowetenschappelijk kader
Inleiding
De hersenen zijn onderdeel van het zenuwstelsel
Het menselijk brein = een informatie verwerkend orgaan
o Informatie wordt verwerkt om het juiste gedrag te kunnen creëren in een bepaalde
situatie
(bv. Je danst niet rond in de aula, omdat je brein weet dat dat niet gepast is)
Een dier heeft een minder complex brein dus zal in zo’n situatie niet correct
reageren
Wat zijn de bouwstenen van onze hersenen en dus ook ons
gedrag?
Miljarden zenuwcellen
Bouwstenen van de hersenen:
o Zenuwcellen – neuronen
Omringd door steuncellen
Zorgen voor bescherming en steun van de neuronen
Een ongelooflijk informatie verwerkend systeem
Ons brein wilt reageren op alle prikkels rondom hem dus we gaan het idee krijgen dat we
zomaar kunnen multitasken
o De informatie die wij kunnen verwerken is gelimiteerd maar ons brein geeft dit
signaal niet door
o in de scène van de bankoverval kunnen we niet onthouden wie er wie heeft
neergeschoten
ons brein had niet genoeg tijd om alles te analyseren dus elimineert
dingen om te zien. Hierdoor zijn er veel mensen die de schutter niet
zien
wanneer we in slow motion kijken zien we wie er wie neerschiet,
wanneer we opnieuw kijken, focust ons brein meteen op de schutter
(bv. De kaarttruc met de kleurverandering)
Endogene processen = alles wat er in de hersenen gebeurt van processen
Exogene processen = alle elementen die te maken hebben met de omgeving
Tijd = het brein is continu onderevig aan veranderingen van moment tot moment
o Hoe ons brein geëvolueerd is over miljoenen jaren
o Hoe het evolueert doorheen onze levensjaren
Een conceptueel biopsychosociaal kader voor het
begrijpen van Hersenen-Gedrag relaties
Evolutie biologische systemen – maakt duidelijk hoe we
complexiteit functioneren v.e. organisme kunnen begrijpen
Het fenotype van organismen hangt af van
o Genetische opmaak
Genotype
, Endogenotype
Endogeen
o De omgeving
Exofentotype
Exogeen
o Fenotypisch kan een organisme beschreven worden in componenten (genen,
eiwitten, cellen…)
Deze componenten zijn georganiseerd geheel
Genetica en omgeving zijn constant in interactie met elkaar
De tijdsafhankelijke veranderingen zijn het resultaat van veranderingen
o Over generaties heen = fylogenese
o Veranderingen tijdens de individuele levensloop = ontogenese
o Veranderingen van moment tot moment = plasticiteit
Een systeembiologische beschrijving
De analyse van het zenuwstelsel wordt beschreven in verschillende gelaagde niveaus
o Zijn opgebouwd in de richting van toenemende complexiteit
Biologische basiseenheid = zenuwcel
Zenuwcellen vormen samen neurale circuits
o de werking van deze circuits leiden gedragsfuncties
o hierdoor kunnen wij alledaagse activiteiten uitvoeren
o door deze activiteiten kunnen wij een bepaalde rol opnemen
in de samenleving
(hoe meer je kan participeren aan de maatschappij, hoe een
betere levenskwaliteit je hebt)
o hierdoor ontwikkel je een eigen persoonlijkheid
conceptueel model
neuroanatomie: de wetenschap die zich richt op de structuur en de organisatie van
het zenuwstelsel
neurofysiologie: de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van het
functioneren of de werking van al deze onderdelen van het zenuwstelsel
neuropathologie: wetenschap betreffende de veranderingen van vormen en functies
die zijn ontstaan door bepaalde ziekteprocessen van het zenuwstelsel
Cellulair niveau - cel
o Cellulair – moleculair
o Cellulaire neurofysiologie
o Cellulaire moleculaire systemen
Neuroplasticiteit
Neuroplasticiteit: hoe netwerken in de hersenen veranderen door organisatie en
reorganisatie in reactie op ervaring en sensorische stimulering
Anatomisch niveau – neurale circuits
o Opbouw van de hersenen
o Hersenbeeldvorming
, men kan de gezondheidsconditie nakijken
(bv. als iemand een hersenaandoening heeft kan men kijken wat er met de
hersenen aan de hand is)
Gedragsniveau (vele cellen bij elkaar – vormen de hersenen – en zo hebben wij ons gedag)
o Vele cellen bij elkaar hersenen gedrag
Gedragsfuncties – G-functies
1.Motoriek
2.Cognitie
3.Emotie
Activiteits- en participatieniveau
o Hoe goed je in staat bent om dagelijkse activiteiten uit te voeren
o Of je al dan niet een grote rol kan opnemen in de maatschappij
Wanneer er op 1 van de levels een stoornis is dan gaat dit ook effect hebben op de levels daarna. Zo
kan je
Een conceptueel biopsychosociaal kader voor het
beschrijven en begrijpen van aandoeningen van het
zenuwstelsel
Wat als er iets misgaat op 1 van de niveaus?
o Verschillende oorzaken:
Intern = de oorzaak ligt bij het individu zelf
(bv. genetische afwijking – tumor…)
Extern = de oorzaak ligt buiten het bereik van het individu
(bv. auto-ongeval)
o Cellulair niveau:
Stoornissen in de structuur van de zenuwcellen
Stoornissen in het functioneren van de zenuwcellen
o Anatomisch niveau:
Structurele beschadiging van de hersenen
Hersenfuncties
Neurale circuits
Aard en ernst van de stoornis hangen af van waar op de hersenen de
beschadiging is
Worden vastgesteld via structurele of functionele beeldvorming
o Gedragsniveau
Stoornis wordt gedefinieerd als een afwijking of afwezigheid van een
gedragsfunctie
Deze worden vastgesteld door observaties en testen af te nemen
o Activiteitsniveau
Vermindering of afwezigheid van de mogelijkheid tot een normale activiteit
uit te voeren in het dagelijks leven
Wanneer mensen met een hersenletsel afhankelijk worden van
anderen
o Participatieniveau
Nadelige positie van een persoon als gevolg van een stoornis of beperking
, Dit vergelijken ze met de positie van een ‘normaal’ persoon op die
leeftijd
We spreken van een handicap wanneer het een grote sociaal-
maatschappelijke invloed heeft
Zolang er niets getest wordt is het NIET GEDRAGSNIVEAU DAN IS HET ACTIVITEITEN NIVEAU
o Interne en externe modulerende factoren
Interne = persoonlijkheid en motivationele factoren
(bv. persoonlijkheid, interesses)
Externe = sociale en pedagogische factoren
(bv. opvoedingsstijl, gezinsstructuur)
o Tijd als factor
Een hersenletsel kan een verschillend effect en verloop hebben naargelang
het moment waarop de beschadiging in de levensloop plaatsvindt
Het aanpassingsvermogen van de hersenen – neuroplasticiteit
Onze hersenen zijn een systeem in wording dat op basis van informatie uit de omgeving
reageert
o De hersenen zijn in staat om zich aan te passen naargelang de omgeving
Ook als deze persoon een hersenletsel heeft
o Plastische veranderingen
Wanneer er lichamelijk herstel is op fysiologisch vlak samen met de
stimulatie en informatie uit de omgeving
(bv. nieuwvorming van cellen, biologische veranderingen…)
Veranderingen die gebeuren doorheen de tijd
o Fylogenese
Verandering van het brein doorheen de tijd – natuurlijk
o Ontogenese
Ontwikkeling van het brein doorheen de levensduur
o Neurogenesis
Het brein dat elk moment verandert
Moleculaire neuroanatomie
Zenuwweefsel
Cel cellen orgaan orgaansysteem-stelsel
2 soorten cellen in ons zenuwweefsel:
o Neuronen – zenuwcellen = prikkelbare cellen die verantwoordelijk zijn voor
het opvangen en doorsturen van prikkels
het ordenen en interpreteren van de binnenkomende informatie
voorbereiden uitsturen van instructies naar
o organen
o spieren
o klieren
o periferie
o neuroglia – steuncellen = niet-prikkelbare cellen verantwoordelijk voor lyhet helpen
van neuronen bij de uitoefening van hun informatie verwerkende taak
Inleiding
De hersenen zijn onderdeel van het zenuwstelsel
Het menselijk brein = een informatie verwerkend orgaan
o Informatie wordt verwerkt om het juiste gedrag te kunnen creëren in een bepaalde
situatie
(bv. Je danst niet rond in de aula, omdat je brein weet dat dat niet gepast is)
Een dier heeft een minder complex brein dus zal in zo’n situatie niet correct
reageren
Wat zijn de bouwstenen van onze hersenen en dus ook ons
gedrag?
Miljarden zenuwcellen
Bouwstenen van de hersenen:
o Zenuwcellen – neuronen
Omringd door steuncellen
Zorgen voor bescherming en steun van de neuronen
Een ongelooflijk informatie verwerkend systeem
Ons brein wilt reageren op alle prikkels rondom hem dus we gaan het idee krijgen dat we
zomaar kunnen multitasken
o De informatie die wij kunnen verwerken is gelimiteerd maar ons brein geeft dit
signaal niet door
o in de scène van de bankoverval kunnen we niet onthouden wie er wie heeft
neergeschoten
ons brein had niet genoeg tijd om alles te analyseren dus elimineert
dingen om te zien. Hierdoor zijn er veel mensen die de schutter niet
zien
wanneer we in slow motion kijken zien we wie er wie neerschiet,
wanneer we opnieuw kijken, focust ons brein meteen op de schutter
(bv. De kaarttruc met de kleurverandering)
Endogene processen = alles wat er in de hersenen gebeurt van processen
Exogene processen = alle elementen die te maken hebben met de omgeving
Tijd = het brein is continu onderevig aan veranderingen van moment tot moment
o Hoe ons brein geëvolueerd is over miljoenen jaren
o Hoe het evolueert doorheen onze levensjaren
Een conceptueel biopsychosociaal kader voor het
begrijpen van Hersenen-Gedrag relaties
Evolutie biologische systemen – maakt duidelijk hoe we
complexiteit functioneren v.e. organisme kunnen begrijpen
Het fenotype van organismen hangt af van
o Genetische opmaak
Genotype
, Endogenotype
Endogeen
o De omgeving
Exofentotype
Exogeen
o Fenotypisch kan een organisme beschreven worden in componenten (genen,
eiwitten, cellen…)
Deze componenten zijn georganiseerd geheel
Genetica en omgeving zijn constant in interactie met elkaar
De tijdsafhankelijke veranderingen zijn het resultaat van veranderingen
o Over generaties heen = fylogenese
o Veranderingen tijdens de individuele levensloop = ontogenese
o Veranderingen van moment tot moment = plasticiteit
Een systeembiologische beschrijving
De analyse van het zenuwstelsel wordt beschreven in verschillende gelaagde niveaus
o Zijn opgebouwd in de richting van toenemende complexiteit
Biologische basiseenheid = zenuwcel
Zenuwcellen vormen samen neurale circuits
o de werking van deze circuits leiden gedragsfuncties
o hierdoor kunnen wij alledaagse activiteiten uitvoeren
o door deze activiteiten kunnen wij een bepaalde rol opnemen
in de samenleving
(hoe meer je kan participeren aan de maatschappij, hoe een
betere levenskwaliteit je hebt)
o hierdoor ontwikkel je een eigen persoonlijkheid
conceptueel model
neuroanatomie: de wetenschap die zich richt op de structuur en de organisatie van
het zenuwstelsel
neurofysiologie: de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van het
functioneren of de werking van al deze onderdelen van het zenuwstelsel
neuropathologie: wetenschap betreffende de veranderingen van vormen en functies
die zijn ontstaan door bepaalde ziekteprocessen van het zenuwstelsel
Cellulair niveau - cel
o Cellulair – moleculair
o Cellulaire neurofysiologie
o Cellulaire moleculaire systemen
Neuroplasticiteit
Neuroplasticiteit: hoe netwerken in de hersenen veranderen door organisatie en
reorganisatie in reactie op ervaring en sensorische stimulering
Anatomisch niveau – neurale circuits
o Opbouw van de hersenen
o Hersenbeeldvorming
, men kan de gezondheidsconditie nakijken
(bv. als iemand een hersenaandoening heeft kan men kijken wat er met de
hersenen aan de hand is)
Gedragsniveau (vele cellen bij elkaar – vormen de hersenen – en zo hebben wij ons gedag)
o Vele cellen bij elkaar hersenen gedrag
Gedragsfuncties – G-functies
1.Motoriek
2.Cognitie
3.Emotie
Activiteits- en participatieniveau
o Hoe goed je in staat bent om dagelijkse activiteiten uit te voeren
o Of je al dan niet een grote rol kan opnemen in de maatschappij
Wanneer er op 1 van de levels een stoornis is dan gaat dit ook effect hebben op de levels daarna. Zo
kan je
Een conceptueel biopsychosociaal kader voor het
beschrijven en begrijpen van aandoeningen van het
zenuwstelsel
Wat als er iets misgaat op 1 van de niveaus?
o Verschillende oorzaken:
Intern = de oorzaak ligt bij het individu zelf
(bv. genetische afwijking – tumor…)
Extern = de oorzaak ligt buiten het bereik van het individu
(bv. auto-ongeval)
o Cellulair niveau:
Stoornissen in de structuur van de zenuwcellen
Stoornissen in het functioneren van de zenuwcellen
o Anatomisch niveau:
Structurele beschadiging van de hersenen
Hersenfuncties
Neurale circuits
Aard en ernst van de stoornis hangen af van waar op de hersenen de
beschadiging is
Worden vastgesteld via structurele of functionele beeldvorming
o Gedragsniveau
Stoornis wordt gedefinieerd als een afwijking of afwezigheid van een
gedragsfunctie
Deze worden vastgesteld door observaties en testen af te nemen
o Activiteitsniveau
Vermindering of afwezigheid van de mogelijkheid tot een normale activiteit
uit te voeren in het dagelijks leven
Wanneer mensen met een hersenletsel afhankelijk worden van
anderen
o Participatieniveau
Nadelige positie van een persoon als gevolg van een stoornis of beperking
, Dit vergelijken ze met de positie van een ‘normaal’ persoon op die
leeftijd
We spreken van een handicap wanneer het een grote sociaal-
maatschappelijke invloed heeft
Zolang er niets getest wordt is het NIET GEDRAGSNIVEAU DAN IS HET ACTIVITEITEN NIVEAU
o Interne en externe modulerende factoren
Interne = persoonlijkheid en motivationele factoren
(bv. persoonlijkheid, interesses)
Externe = sociale en pedagogische factoren
(bv. opvoedingsstijl, gezinsstructuur)
o Tijd als factor
Een hersenletsel kan een verschillend effect en verloop hebben naargelang
het moment waarop de beschadiging in de levensloop plaatsvindt
Het aanpassingsvermogen van de hersenen – neuroplasticiteit
Onze hersenen zijn een systeem in wording dat op basis van informatie uit de omgeving
reageert
o De hersenen zijn in staat om zich aan te passen naargelang de omgeving
Ook als deze persoon een hersenletsel heeft
o Plastische veranderingen
Wanneer er lichamelijk herstel is op fysiologisch vlak samen met de
stimulatie en informatie uit de omgeving
(bv. nieuwvorming van cellen, biologische veranderingen…)
Veranderingen die gebeuren doorheen de tijd
o Fylogenese
Verandering van het brein doorheen de tijd – natuurlijk
o Ontogenese
Ontwikkeling van het brein doorheen de levensduur
o Neurogenesis
Het brein dat elk moment verandert
Moleculaire neuroanatomie
Zenuwweefsel
Cel cellen orgaan orgaansysteem-stelsel
2 soorten cellen in ons zenuwweefsel:
o Neuronen – zenuwcellen = prikkelbare cellen die verantwoordelijk zijn voor
het opvangen en doorsturen van prikkels
het ordenen en interpreteren van de binnenkomende informatie
voorbereiden uitsturen van instructies naar
o organen
o spieren
o klieren
o periferie
o neuroglia – steuncellen = niet-prikkelbare cellen verantwoordelijk voor lyhet helpen
van neuronen bij de uitoefening van hun informatie verwerkende taak