ORGANISATIE
Volledige Samenvatting
KU Leuven FEB Campus Antwerpen
Lessen 1–10 | Alle theorie, definities & concepten voor het examen
,LES 1 — Organisaties en de Rol van Mensen
Geschiedenis, organisatiestructuren, -bouwstenen en -design.
1. Wat is een Organisatie?
▶ Organisatie: Een samenwerkingsverband van mensen die met behulp van geschikte kennis en
middelen samenwerken om een bepaald doel te bereiken.
▶ Management: Anderen laten schitteren door hen juist in te zetten en te (bege)leiden.
Managementvaardigheden (van hoog naar laag in de hiërarchie): conceptuele vaardigheden
(strategie, big picture) → menselijke vaardigheden (samenwerken, motiveren) → technische
vaardigheden (vakkennis).
2. Bouwstenen van een Organisatie (7 Elementen van
Organisatiestructuur)
▶ Organisatiestructuur: Een systeem dat aangeeft hoe taken formeel worden verdeeld,
gegroepeerd en gecoördineerd.
De 7 elementen:
1. Taakspecialisatie: In hoeverre omvat één functie slechts één handeling met steeds dezelfde
bewegingen? Breed = generalist, eng = specialist.
Hedendaagse trend: specialisatie op basis van technologie en expertise (bv. ziekenhuizen:
concentratie expertise).
2. Afdelingsvorming: Hoe worden taken en mensen gecoördineerd? Vormen: functioneel (per
functie), product, geografisch, markt, hybride (PMC, SBU).
3. Gezagslijn: Ononderbroken lijn van gezag van top naar laagste echelon. Principe van eenheid
van bevel: iedereen heeft maar één baas.
▶ Bevoegdheid: Het recht dat een manager heeft om orders te geven en te verwachten dat die
worden uitgevoerd.
4. Span of control: Het aantal personen waarover een manager de leiding heeft. Breder =
efficiënter maar risico op ineffectiviteit. Bepaalt vlakke vs steile structuur.
5. Centralisatie vs Decentralisatie: Mate van formele besluitvormingsdelegatie. Horizontaal =
naar stafdiensten; verticaal = naar lagere hiërarchieniveaus. Meer decentraliseren bij grote
geografische spreiding, veranderlijke omgeving.
6. Formalisatie: Mate waarin uitvoeringswijze, tijdstip en volgorde gestandaardiseerd zijn. Laag
formalisatie + decentralisatie = empowerment.
▶ Empowerment: Het vergroten van de vrijheid van handelen van werknemers bij het nemen van
beslissingen.
7. Overbrugging: Dwarsverbindingen die formele gezagslijnen doorbreken (commissies,
taakroulatie, brede doelcommunicatie).
3. Organisatievormen
3 veel voorkomende combinaties:
• Eenvoudige structuur: geen afdelingen, lage formalisatie, centrale beslissingsbevoegdheid
(bv. kleine winkel).
• Bureaucratie: sterke formalisatie, hoge taakspecialisatie, functionele afdelingen,
centralisatie, kleine span of control (bv. McDonalds).
• Matrixstructuur: combinatie van functie- en productafdelingen, dubbele gezagslijn, geen
eenheid van bevel.
, Mintzberg's 7 Configuraties:
• Ondernemersorganisatie (kleine winkel) → strategische top, direct toezicht
• Machineorganisatie (McDonalds) → technostructuur, standaardisatie werkprocessen
• Professionele organisatie (ziekenhuis) → uitvoerende kern, standaardisatie kennis
• Innovatieve organisatie (modehuis) → ondersteunende staf, onderlinge afstemming
• Gedivisioneerde organisatie (Philips) → middenmanagement, standaardisatie output
• Zendingsorganisatie (NGO) → ideologie, standaardisatie normen
• Politieke organisatie → geen dominant deel, chaos
💡 De juiste organisatievorm hangt af van omgevingsfactoren, kenmerken van de organisatie en haar
ouderdom.
Innovatieve organisatievormen:
• Zelfsturende teamstructuur: teams zonder managers, zelf verantwoordelijk voor werkproces
• Virtuele organisatie: kleine kernorganisatie die grote functies uitbesteedt
• Teamstructuur: cross-hiërarchische teams met grote verantwoordelijkheden
• Cirkelstructuur (holacratie)
4. Historisch Perspectief
Klassieke periode (+/- 1875–1920): Scientific Management
▶ Scientific Management (Taylor): Het gebruik van wetenschappelijke methoden om de best
mogelijke manier voor het uitvoeren van een taak vast te stellen. Idee: mens als rationeel-
economisch wezen.
4 principes van Taylorisme: (1) Wetenschappelijke methoden voor efficiëntste werkwijze, (2)
Selecteer beste medewerker en train hem, (3) Verdeel uitvoering (arbeiders) en coördinatie
(managers), (4) Controleer prestaties.
Moderne versies: Kaizen, Lean Management, Six Sigma.
▶ Bureaucratie (Weber): Een organisatievorm gekenmerkt door verdeling van arbeid, strikte
hiërarchie, formalisatie en niet-persoonlijke werkrelaties.
POLC model (Fayol): Plannen, Organiseren, Leiden, Controleren → Management 2.0:
Flexibiliseren, Investeren in daadkracht, Daadkrachtig handelen, Beheersen.
Human Relations beweging (+/- 1910–1960):
▶ Hawthorne effect (Mayo): Feit dat er geluisterd wordt naar mensen kan hun presteren
verbeteren. → Gedragsbenadering: mens als sociaal wezen.
Kwantitatieve aanpak (na WO II):
▶ Kwantitatieve aanpak: Het gebruik van kwantitatieve technieken (statistiek, simulaties,
optimalisatiemodellen) om het management- en beslissingsproces te verbeteren (people analytics).
Systeem- en Contingentiebenadering (vanaf jaren '60):
▶ Systeembenadering: Het bestuderen van een organisatie als verzameling van onderling
verbonden en afhankelijke onderdelen (open systeem). Coördinatie van de delen is essentieel.
▶ Contingentiebenadering: Er is geen universele set managementprincipes. Organisaties
verschillen en vragen om verschillende methoden afhankelijk van contingentievariabelen (strategie,
grootte, technologie, omgeving).
Mechanisch model: hoge taakspecialisatie, gezagslijn, sterke formalisatie, centralisatie.
Organisch model: lage taakspecialisatie, samenwerking, lage formalisatie, decentralisatie.