Bindweefsels (BW):
Algemeen:
‘Bindweefsel’ = verbindend en ondersteunend => voor alle andere weefsels
van het lichaam
Functies bindweefsel:
Steunfunctie: vb ‘skelet’, maar ook op niveau van individuele weefsels en
organen (kapsels, ligamenten,...)
Transport -> bloed = speciale vorm van bindweefsel => transporteert
hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen doorheen ons lichaam + witte
bloedcellen juiste plaats
Bescherming/verdediging tegen micro-organismen en andere indringers -> dus
rol in afweer
Herstel (wondgenezing)
Opslagfunctie: reserve aan vocht, ionen, eiwitten,... -> voeding van andere
weefsels zoals epithelen + opslag van bv. vet (speciale vorm van bindweefsel):
dus belang bij thermoregulatie
Bindweefsel:
- Is het meest verspreide weefseltype in lichaam in alle organen!
- Kent zeer veel subtypes, dus grootste variatie van alle weefseltypen
o Fijnmazige netwerken, regelmatige dichte strengen, rigide
beenderen, vloeistof (bloed)
- Bevat relatief weinig cellen en relatief veel extracellulaire matrix
Extracellulaire matrix -> belangrijkste component bindweefsel
- Ligging: buiten de cellen
Ook soms: intercellulaire matrix (aanwezig tussen de cellen)
Samenstelling matrix -> grote variëteit aan bindweefsels:
- Fijne netwerkjes van vezels (buikvlies)
- Stevige strengen (pezen)
- Verkalkt (botten)
- Vloeibaar (bloed)
Ook verschillende celtypen in de verschillende bindweefsels!
- ‘vaste cellen’ -> ontstaan uit multipotente embryonale mesenchymcellen
=> migreerde door lichaam + differentieerden ter plaatsen tot
verschillende celtypen die de bindweefseltypen ontwikkelden
- Aantal: gedifferentieerde beenmergstamcellen
De extracellulaire matrix:
1
,Bestaat uit verschillende componenten:
- Grondsubstantie
- Bindweefselvezels
- Weefselvloeistof
Grondsubstantie:
Bestaat uit:
- Vaste componenten
o Proteoglycanen, glycoproteïnen
- Watermoleculen
Proteoglycanen -> centrale eiwitketens met hierop gebonden
‘glycosaminoglyganen (GAGs)
GAGs: familie niet-vertakte polysachariden (opgebouwd -> lange ketens
disachariden)
o Verschillende GAGs -> specifieke bindweefseltypen
o Bv: chondroïtine-4-sulfaat + chondroïtine-6-sulfaat -> kraakbeen en
dermatansulfaat -> huid
Densiteit suikermoleculen + negatieve lading -> GAGs kationen aantrekken
(Na+) => trekt watermoleculen aan:
- Binding water aan GAGs (hydrofiel!): bepaald resistentie bindweefsels
tegen drukkrachten
Hyaluronzuur: verenigt proteoglycanen tot grote aggregaten -> ontstaan
visceuze structuur: micro-organismen moeilijker door bindweefsel
- Sommige bacteriën (zoals streptokokken): produceren hyaluronidase ->
enzym dat hyaluronzuur afbreekt => viscositeit vermindert +
doordringbaarheid vergroot!
Glycoproteïnen: rol bij interacties tussen cellen + hechting cellen aan vezels/
andere componenten van extracellulaire matrix
- Fibronectine: hechting bindweefsels aan bindweefselcellen
- Lamine: vasthechting epitheelcellen aan basale membraan
- Chrondronectine in kraakbeen: hechtende rol
Integrines -> behoren tot glycoproteïnen:
Binden aan componenten van extracellulaire matrix -> ook matrixreceptoren
genoemd!
Intracellulair: verbonden aan cytoskelet
Integrines: afwisselend koppelen/ ontkoppelen met componenten van matrix ->
cellen in hun geheel voortbewegen over de matrix
2
, Bindweefselvezels:
Extracellulaire matrices: 1 of meerdere bindweefselvezeltypen
Bindweefselvezels: zeer bepalend voor structuur v/d matrix
A. Collageen:
= meest voorkomende eiwit in mammalia + vormt grootste eiwitcomponent in
bindweefsels
Geproduceerd -> in verschillende celtypes (fibroblasten, chondroblasten,
osteoblasten, odontoblasten, …)
30-tal collageentypen gekarakteriseerd -> 95% bestaat uit typen I-IV
Elektronenmicroscopisch vlak -> geen morfologische verschillen tussen de
meeste types:
Type I collageen:
Voorkomen:
- Dermis, rond bot, in pezen, fascia, aponeurosen, in orgaankapsels (van bv.
milt, lever, lymfeknoop), in vezelig kraakbeen
Lichtmicroscopische kenmerken:
- Dicht opeengepakte vezels met een golvend verloop
Elektronenmicroscopische kenmerken:
- Vezels opgebouwd uit dikke, dicht op elkaar liggende fibrillen van ongelijke
diameter
-syntheseplaats: fibroblasten, osteoblasten, chondroblasten, odontoblasten
Bijzondere kenmerken:
- Laag niveau van interactie met de grondsubstantie (vnl. met
dermatansulfaat).
Type II collageen:
- Voorkomen: Vnl. in hyalien en elastisch kraakbeen
- LM-kenmerken: Losse fibrillen die geen vezels vormen
- EM-kenmerken: Overmaat aan grondsubstantie
- Syntheseplaats: Chondroblast, chondrocyt
- Bijzondere kenmerken: Vrij sterke interactie met grondsubstantie (vnl.
chondroïtinesulfaat)
3
Algemeen:
‘Bindweefsel’ = verbindend en ondersteunend => voor alle andere weefsels
van het lichaam
Functies bindweefsel:
Steunfunctie: vb ‘skelet’, maar ook op niveau van individuele weefsels en
organen (kapsels, ligamenten,...)
Transport -> bloed = speciale vorm van bindweefsel => transporteert
hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen doorheen ons lichaam + witte
bloedcellen juiste plaats
Bescherming/verdediging tegen micro-organismen en andere indringers -> dus
rol in afweer
Herstel (wondgenezing)
Opslagfunctie: reserve aan vocht, ionen, eiwitten,... -> voeding van andere
weefsels zoals epithelen + opslag van bv. vet (speciale vorm van bindweefsel):
dus belang bij thermoregulatie
Bindweefsel:
- Is het meest verspreide weefseltype in lichaam in alle organen!
- Kent zeer veel subtypes, dus grootste variatie van alle weefseltypen
o Fijnmazige netwerken, regelmatige dichte strengen, rigide
beenderen, vloeistof (bloed)
- Bevat relatief weinig cellen en relatief veel extracellulaire matrix
Extracellulaire matrix -> belangrijkste component bindweefsel
- Ligging: buiten de cellen
Ook soms: intercellulaire matrix (aanwezig tussen de cellen)
Samenstelling matrix -> grote variëteit aan bindweefsels:
- Fijne netwerkjes van vezels (buikvlies)
- Stevige strengen (pezen)
- Verkalkt (botten)
- Vloeibaar (bloed)
Ook verschillende celtypen in de verschillende bindweefsels!
- ‘vaste cellen’ -> ontstaan uit multipotente embryonale mesenchymcellen
=> migreerde door lichaam + differentieerden ter plaatsen tot
verschillende celtypen die de bindweefseltypen ontwikkelden
- Aantal: gedifferentieerde beenmergstamcellen
De extracellulaire matrix:
1
,Bestaat uit verschillende componenten:
- Grondsubstantie
- Bindweefselvezels
- Weefselvloeistof
Grondsubstantie:
Bestaat uit:
- Vaste componenten
o Proteoglycanen, glycoproteïnen
- Watermoleculen
Proteoglycanen -> centrale eiwitketens met hierop gebonden
‘glycosaminoglyganen (GAGs)
GAGs: familie niet-vertakte polysachariden (opgebouwd -> lange ketens
disachariden)
o Verschillende GAGs -> specifieke bindweefseltypen
o Bv: chondroïtine-4-sulfaat + chondroïtine-6-sulfaat -> kraakbeen en
dermatansulfaat -> huid
Densiteit suikermoleculen + negatieve lading -> GAGs kationen aantrekken
(Na+) => trekt watermoleculen aan:
- Binding water aan GAGs (hydrofiel!): bepaald resistentie bindweefsels
tegen drukkrachten
Hyaluronzuur: verenigt proteoglycanen tot grote aggregaten -> ontstaan
visceuze structuur: micro-organismen moeilijker door bindweefsel
- Sommige bacteriën (zoals streptokokken): produceren hyaluronidase ->
enzym dat hyaluronzuur afbreekt => viscositeit vermindert +
doordringbaarheid vergroot!
Glycoproteïnen: rol bij interacties tussen cellen + hechting cellen aan vezels/
andere componenten van extracellulaire matrix
- Fibronectine: hechting bindweefsels aan bindweefselcellen
- Lamine: vasthechting epitheelcellen aan basale membraan
- Chrondronectine in kraakbeen: hechtende rol
Integrines -> behoren tot glycoproteïnen:
Binden aan componenten van extracellulaire matrix -> ook matrixreceptoren
genoemd!
Intracellulair: verbonden aan cytoskelet
Integrines: afwisselend koppelen/ ontkoppelen met componenten van matrix ->
cellen in hun geheel voortbewegen over de matrix
2
, Bindweefselvezels:
Extracellulaire matrices: 1 of meerdere bindweefselvezeltypen
Bindweefselvezels: zeer bepalend voor structuur v/d matrix
A. Collageen:
= meest voorkomende eiwit in mammalia + vormt grootste eiwitcomponent in
bindweefsels
Geproduceerd -> in verschillende celtypes (fibroblasten, chondroblasten,
osteoblasten, odontoblasten, …)
30-tal collageentypen gekarakteriseerd -> 95% bestaat uit typen I-IV
Elektronenmicroscopisch vlak -> geen morfologische verschillen tussen de
meeste types:
Type I collageen:
Voorkomen:
- Dermis, rond bot, in pezen, fascia, aponeurosen, in orgaankapsels (van bv.
milt, lever, lymfeknoop), in vezelig kraakbeen
Lichtmicroscopische kenmerken:
- Dicht opeengepakte vezels met een golvend verloop
Elektronenmicroscopische kenmerken:
- Vezels opgebouwd uit dikke, dicht op elkaar liggende fibrillen van ongelijke
diameter
-syntheseplaats: fibroblasten, osteoblasten, chondroblasten, odontoblasten
Bijzondere kenmerken:
- Laag niveau van interactie met de grondsubstantie (vnl. met
dermatansulfaat).
Type II collageen:
- Voorkomen: Vnl. in hyalien en elastisch kraakbeen
- LM-kenmerken: Losse fibrillen die geen vezels vormen
- EM-kenmerken: Overmaat aan grondsubstantie
- Syntheseplaats: Chondroblast, chondrocyt
- Bijzondere kenmerken: Vrij sterke interactie met grondsubstantie (vnl.
chondroïtinesulfaat)
3