1. De forensische arts is gehouden aan het medisch beroepsgeheim ten aanzien van de
magistraat die hem heeft aangesteld voor een opdracht.
✗ NIET WAAR: een gerechtsdeskundige is binnen de grenzen van zijn opdracht niet door het
beroepsgeheim gebonden ten aanzien van de overheid die hem heeft opgevorderd.
2. Lijkvlekken zijn altijd gefixeerd na het overlijden en kunnen nooit meer worden verplaatst.
✗ NIET WAAR: lijkvlekken zijn wegduwbaar tot ongeveer 20 uur na de dood. Daarna zijn ze
gefixeerd.
3. Wurging (manuele strangulatie) kan nooit het gevolg zijn van zelfdoding.
✓ WAAR: wurging vereist altijd het optreden van een derde. Men kan zichzelf niet wurgen.
4. Roet in de longen is een bewijs dat de persoon nog in leven was tijdens de brand.
✓ WAAR: roetaspiratie vereist actieve ademhaling. Aanwezigheid van roet in de longen toont aan
dat de persoon nog leefde ten tijde van de brand.
5. Diatomeeën (kiezelwieren) die worden aangetroffen in het beenmerg bewijzen dat het
slachtoffer levend in het water terechtkwam.
✓ WAAR: diatomeeën dringen via de longen in de bloedbaan en bereiken zo het beenmerg. Dit
vereist een actieve bloedcirculatie, wat bewijst dat het slachtoffer levend in het water was.
6. Bij een ophanging is een volledige, circulaire strenggroef vereist om de diagnose te stellen.
✗ NIET WAAR: bij een typische ophanging is de strenggroef niet altijd circulair. Een niet-circulaire
strenggroef (waarbij de nek niet volledig wordt omsloten) is ook mogelijk, afhankelijk van de positie
van de knoop.
7. Een onvolledig DNA-profiel van een sporendrager kan nog steeds gebruikt worden om een
verdachte uit te sluiten.
✓ WAAR: zelfs met een onvolledig profiel kunnen merkers worden vergeleken. Als er duidelijke
verschillen zijn bij de beschikbare merkers, volstaat dit voor uitsluiting.
8. De regel van Casper stelt dat 1 week in de lucht gelijk staat aan 2 weken in water en 8
weken in de aarde voor het ontbindingsproces.
✓ WAAR: dit is de klassieke regel van Casper (1862) die de verhouding van ontbindingssnelheid in
verschillende omgevingen beschrijft.
9. De speekselsliert bij ophanging is een vitaal teken dat aantoont dat de persoon nog leefde
op het moment van de ophanging.
✓ WAAR: de stimulatie van het ganglion in de hals zorgt voor speekselproductie. Dit is een vitaal
teken dat bewijst dat de persoon nog leefde bij het begin van de ophanging.
10. Bij een crematie heeft de procureur des Konings geen tussenkomst nodig als er geen
gerechtelijk geneeskundig bezwaar is.
, ✓ WAAR: bij crematie is altijd een onderzoek vereist door een beëdigde arts aangesteld door de
burgerlijke stand. De PdK is enkel betrokken als er een gerechtelijk bezwaar is.
11. Petechieën (puntbloedingen) in de oogleden zijn een absoluut bewijs van een
verstikkingsdood.
✗ NIET WAAR: petechieën zijn een aspecifiek kenmerk: ze komen voor in tot 90% van de gevallen
bij asfyxie, maar kunnen ook optreden bij andere doodsoorzaken (bv. hersenbloeding). Ze zijn een
alarmsignaal maar geen absoluut bewijs.
12. Bij een suïcide door verhanging is het wettelijk verplicht dat de procureur des Konings een
inwendige schouwing beveelt.
✗ NIET WAAR: de PdK beslist of er een inwendige schouwing (autopsie) nodig is. Bij een
vermoedelijke zelfdoding door ophanging is dit niet automatisch verplicht, de PdK weegt de
omstandigheden af.
13. De 'handlungsfähigkeit' betekent dat een persoon na een dodelijk letsel nog (rationele)
handelingen kan stellen vooraleer het bewustzijn verloren gaat.
✓ WAAR: handelingsbekwaamheid (Handlungsfähigkeit) is het vermogen om na een dodelijk letsel
nog handelingen te stellen. Dit is afhankelijk van het snelheid waarmee de hersenen zuurstoftekort
krijgen, want niet elk dodelijk letsel leidt tot onmiddellijk bewustzijnsverlies.
14. Bij verdrinking is de afwezigheid van een schuimprop aan mond en neus voldoende bewijs
dat de persoon niet verdronken is.
✗ NIET WAAR: de schuimprop is een atypisch (niet altijd aanwezig) verschijnsel bij verdrinking. Bij
hydrocutie (plotse dood in water door reflectorische hartstilstand) of bij putrefactie ontbreekt de
schuimprop. Afwezigheid ervan sluit verdrinking niet uit.
15. Adipocirevorming treedt op in een koude, vochtige omgeving en vereist minimaal 6 weken.
✓ WAAR: adipocire ontstaat door hydrogenatie van onverzadigde vetzuren en hydrolyse van
triglyceriden in een koude, natte omgeving. Dit proces duurt minimaal 6 weken, meestal 3 à 6
maanden.
16. Een brandhematoom boven het harde hersenvlies (epiduraal) is steeds het gevolg van
stomp geweld op het hoofd.
✗ NIET WAAR: een brandhematoom ('heat hematoma') is een post-mortaal artefact veroorzaakt
door hitte-inwerking. Het moet niet verward worden met een traumatisch epiduraal hematoom door
stomp geweld. Histologisch onderzoek kan het onderscheid maken.
17. Het uitwisselingsprincipe van Locard stelt dat ieder contact sporen nalaat, zowel op het
slachtoffer als op de dader.
✓ WAAR: Locard's principe is bidirectioneel: de dader laat sporen achter op de plaats delict/het
slachtoffer, maar de plaats delict/het slachtoffer laat ook sporen achter op de dader. VB:
kruittekens op de handen van een schutter.