BA-302 Cardiovasculaire
aandoeningen
Inhoud
WC1 Hart, bloedvaten en nieren......................................................................................... 3
,Zelfstudie week 1............................................................................................................... 7
HC2.1 Primaire hemostase................................................................................................ 30
HC2.2 Farmacochemie..................................................................................................... 37
WC2 Primaire hemostase.................................................................................................. 43
HC3 RCT............................................................................................................................ 50
HC4 Cohort + Bias............................................................................................................ 54
Secundaire hemostase...................................................................................................... 73
Bloedvetten...................................................................................................................... 94
Journalclubs.................................................................................................................... 117
Casus Arteriële hypertensie............................................................................................ 134
,WC1 Hart, bloedvaten en nieren
1. Nier en diuretica
a) Hoe komt het diuretische effect van thiazides, lisdiuretica en aldosteron antagonisten
tot stand (d.w.z. wat is de moleculaire target, waar is die target te vinden en wat voor
gevolgen heeft binding aan de target voor de natrium- en wateruitscheiding)
Basolateraal en die andere (Apicale) herhalen
Apicaal = naar het lumen/holte wijzend = neemt stoffen op vanuit bloedbaan, nemen bijv
voedingstoffen op uit de darm naar bled.
Basolateraal / basaal =
de apicale zijde is gericht op het lumen van een orgaan en is betrokken bij de uitwisseling
van stoffen met dat lumen, terwijl de basolaterale zijde grenst aan omliggende weefsels en
verantwoordelijk is voor structurele integriteit en het faciliteren van uitwisseling met het
omringende weefsel.
''Bij een gelijke perifere weerstand'' is belangrijk bij zulke vragen.
e) Is het diuretisch effect van thiazides en aldosteron antagonisten het enige mechanisme
waarmee deze stoffen de bloeddruk verlagen
AT2 of AT1 op arteriolen. receptorstimulatie van angiotensinse 2 --> vaatvernauwing
Thiazides remmen angiotensine 2 en daardoor minder renine
Blauwe plaatje = feedbackschama van 106 - HERHALEN. -
https://www.studeersnel.nl/nl/document/universiteit-utrecht/therapie-met-
geneesmiddelen/106-aantekeningen/69757527/download/106-aantekeningen.pdf
Negatieve feedbackschema van juxtaglomerulaire apparaat en RAAS systeem.
, Aantekeningen :
MAP = CO * TPR
CO = SV * HR = HMV
TPR :
Diameter
Samenstelling wand
Viscositeit bloed
Kleine arteriën / arteriolen = weerstandsvatend genoemd, komt door : gladde spier (innervatie en
kleine diameter)
. Als arteriolen verder vertakken verliezen ze hun gladde spier
à capillairen: bestaan uit één endotheel laag.
Capillairen zijn de primaire uitwisselingsvaten.
Baroreceptoren in halsslagader/aorta reguleren bloeddrukanticipaties die plots gebeuren
RAAS systeem veranderen bloeddruk over lange termijn = daarom grondslag aan ateriële
hypertensie.
4. AT antagonisten
a). Welke veranderingen hebben er plaatsgevonden in Saralasin (Angiotensine 2
antagonist) t.o.v. het natuurlijke ligand + Welke effecten hebben deze veranderingen op
de fysisch-chemische eigenschappen van het ligand
Benzeenring is verwijderd -->
Lipofiliteit neemt af
Sterische bulk neemt af
COOH is weg
Wegnemen negatieve lading
Chiraal koolstofatoom is ook weg